Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZCTG:2017:110 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.242

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2017:110
Datum uitspraak: 28-03-2017
Datum publicatie: 28-03-2017
Zaaknummer(s): c2016.242
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen arts, verbonden aan een organisatie in de verslavingszorg. Klager was bij verweerster onder behandeling in verband met alcohol afhankelijkheid. Op een consult bleek klager onder invloed van alcohol en is hij, ondanks de waarschuwing van de arts dat zij de politie zou informeren, met de auto vertrokken. Verweerster heeft de politie geïnformeerd en vervolgens, bij gelegenheid van een tweede telefoongesprek met de politie, gemeld dat klager bij haar onder behandeling was vanwege een alcoholprobleem. Klager verwijt verweerster dat zij hiermee haar beroepsgeheim heeft doorbroken. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht deels gegrond verklaard maar aan de arts geen maatregel opgelegd. Klager wordt door het Centraal Tuchtcollege niet in het beroep ontvangen voor zover dat betrekking heeft op het gegrond verklaarde deel en het college verwerpt het beroep voor het overige.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2016.242 van:

A., wonende te B. (gemeente C.), appellant, klager in eerste aanleg, gemachtigde: mr. A.R. van Dolder, advocaat te Heerhugowaard,

tegen

D., arts, werkzaam te C., verweerster in beide instanties,

gemachtigde: mr. K.T.B. Salomons, advocaat te Den Haag.

1.         Verloop van de procedure

A. - hierna klager - heeft op 22 oktober 2015 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen D. - hierna de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 26 april 2016, onder nummer 15/334, heeft dat College de klacht deels gegrond en deels ongegrond verklaard en bepaald dat voor het gegrond verklaarde deel aan de arts geen maatregel wordt opgelegd. Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Het Centraal Tuchtcollege heeft van de arts nog nadere correspondentie ontvangen.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege

van 7 maart 2017, waar zijn verschenen klager, bijgestaan door mr. Van Dolder voornoemd, en de arts, bijgestaan door mr. Salomons voornoemd.

Partijen en hun gemachtigden hebben ter terechtzitting hun standpunten nader toegelicht. Mr. Salomons heeft dat gedaan aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

 “2.     De feiten

Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1       Verweerster was in 2012 als arts verbonden aan EC.

2.2       Klager heeft zich op 27 september 2012 bij EC.      gemeld in verband met alcoholafhankelijkheid.

2.3       Op 21 december 2012 kwam klager bij verweerster in C. op consult, hierna: het consult.

2.4       Een uittreksel van het Elektronisch patiëntendossier (EPD) betreffende klager bevat een verslag van het consult waarin onder meer het volgende staat vermeld:

“ (…) Aangezien pt aangeeft dat hij heeft gedronken en slecht uit zijn woorden komt, laat ik hem blazen (BAC 1.50) en adviseer hem niet meer in de auto te stappen (lopend naar huis te gaan en met ex-vriendin auto later of morgen op te komen halen). Tevens geef ik aan dat ik verplicht ben politie te bellen indien hij wel in zijn auto stapt. Pt is zich hiervan bewust, geeft aan dat hij niet de auto had moeten nemen op de heenweg en kan zich zijn reactie voorstellen als zijn eigen kind aangereden zou worden door een dronken bestuurder. (…) Advies niet in auto te stappen: indien wèl noodzaak politie in te schakelen door mij. (…)”

2.5       Verweerster heeft gezien dat klager na het consult in zijn auto stapte en wegreed. Op verzoek van verweerster heeft een collega van E. rond 15.10 uur de politie gebeld om door te geven dat een persoon onder invloed van alcohol van het terrein van E. was weggereden, met vermelding van het kenteken van de auto van klager.

2.6       Om 15.34 uur heeft een hoofdagent van politie telefonisch contact opgenomen met verweerster. Op vragen van deze hoofdagent heeft verweerster geantwoord dat klager bij E. onder behandeling was en dat hij behalve alcohol geen andere verslavende middelen gebruikte.

2.7       Kort  na het onder 2.6 vermelde telefoongesprek is klager door de politie in zijn woning aangehouden.

2.8       Tijdens de aanhouding van klager is er een handgemeen geweest, waarvoor klager strafrechtelijk is veroordeeld (mishandeling van een ambtenaar in functie).

3.         De klacht en het standpunt van klager

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster tot tweemaal toe haar medisch beroepsgeheim heeft doorbroken, te weten:

I.                door direct na het consult de politie te bellen met de mededeling dat klager onder invloed van alcohol als bestuurder in zijn auto van het terrein van  E. was weggereden;

II.              door vervolgens telefonisch aan de politie mede te delen dat zij arts was en dat klager bij E. onder behandeling was i.v.m. een alcoholprobleem en niet wegens een drugsprobleem.

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De overwegingen van het college

5.1       Het college stelt voorop dat het optreden van verweerster met betrekking tot beide klachtonderdelen beoordeeld dient te worden naar het bepaalde in artikel 88 van de Wet BIG, volgens welk artikel verweerster verplicht is tot geheimhouding ten opzichte van al datgene wat haar bij het uitoefenen van haar beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd of ter kennis is gekomen en waarvan zij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen. Deze geheimhoudingsplicht, ofwel het beroepsgeheim, mag alleen worden doorbroken als er sprake is van toestemming van de patiënt, bij een wettelijke plicht tot spreken of bij een conflict van plichten. Bij het maken van een keuze om deze plicht te doorbreken spelen onder meer de volgende criteria een rol:

* het is niet mogelijk toestemming van de patiënt te vragen dan wel te krijgen;

* de arts komt in gewetensnood als hij zijn beroepsgeheim niet doorbreekt;

* zwijgen kan ernstige (verdere) schade opleveren;

* het doorbreken van het beroepsgeheim kan deze schade voorkomen;

* het beroepsgeheim wordt zo min mogelijk geschonden;

* de arts ziet geen andere weg om het probleem op te lossen.

5.2       Voorts dienen bij de beoordeling van de klacht in aanmerking te worden genomen de KNMG Richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens van januari 2010. Deze richtlijnen houden onder meer in, voor zover hier van belang:

“ (…)

Conflict van plichten

Er zijn situaties denkbaar waarin de arts meent zijn zwijgen te moeten doorbreken omdat een ander belang zwaarder weegt en daardoor een ernstig nadeel voor een ander kan worden voorkomen. Dit kan een belang van de patiënt zijn, maar ook een belang van een (willekeurige) ander.

(…)

In het tweede geval – het belang van een ander dan de patiënt – kan gedacht worden aan de situatie waarin de patiënt aangeeft dat hij een met naam genoemde ander iets ernstigs wil aandoen. Het belang van de ander kan zwaarder wegen dan het belang van de patiënt op geheimhouding. In deze situatie zou de arts kunnen besluiten de politie in te lichten over het voorgenomen plan van de patiënt.

In beide gevallen moet de arts een afweging maken tussen verschillende belangen: het belang van de patiënt dat het geheim wordt bewaard versus een ander belang. De beslissing om de zwijgplicht al dan niet te doorbreken, ligt bij de arts. (…).

Het geheim dient zo min mogelijk geschonden te worden. Slechts relevante gegevens mogen verstrekt worden. Indien het mogelijk is, moet de arts aan de patiënt melden dat hij de gegevens aan een ander heeft verstrekt.

(…)

Ongeschiktheid om auto te rijden

Constateert een arts dat een patiënt vanwege zijn medische toestand niet (meer) in staat is aan het verkeer deel te nemen, dan kan hij daardoor in een ‘conflict van plichten’ komen. Is de arts de enige die bekend is met de ongeschiktheid van de patiënt om een voertuig te besturen en heeft de arts geprobeerd de patiënt ervan te overtuigen dat hij niet meer mag rijden en is de patiënt dat desondanks van plan, dan kan het belang van de veiligheid van die patiënt en/of die van anderen zwaarder wegen dan het belang dat gediend is met het beroepsgeheim. Bij die afweging dienen de cumulatieve voorwaarden die in het voorgaande genoemd zijn als leidraad. Verkeert de arts in een ‘conflict van plichten’, dan kan hij besluiten de politie te waarschuwen of bij het CBR aan te dringen op een herkeuring van de patiënt (afhankelijk van de spoedeisendheid). Alvorens dit te doen meldt hij dit aan de patiënt. De arts probeert zo min mogelijk zijn beroepsgeheim te doorbreken. Dit betekent dat niet meer gegevens dan strikt noodzakelijk voor het doel verstrekt mogen worden.

(…) ”

5.3       Het college zal de 2 klachtonderdelen hieronder in het licht van voorgaande toetsingscriteria apart behandelen. Weliswaar betreffen beide onderdelen de klacht dat verweerster haar geheimhoudingsplicht heeft doorbroken, maar de omstandigheden waaronder dat volgens klager is gebeurd waren verschillend en zullen daarom per onderdeel  worden beoordeeld.

5.4       Ten aanzien van klachtonderdeel I, de melding van het wegrijden aan de politie, overweegt het college als volgt. Onbetwist is dat verweerster haar geheimhoudingsplicht heeft doorbroken. Ter beantwoording ligt dus de vraag voor of het verweerster was toegestaan om dat onder de gegeven omstandigheden te doen. Wat betreft die omstandigheden acht het college aannemelijk dat het consult is verlopen zoals door verweerster is gerelateerd in het EPD, welk relaas direct op de dag van het consult door verweerster aan het EPD is toegevoegd. Bovendien heeft klager deze toedracht deels onderschreven. Zo heeft klager erkend dat hij voorafgaand aan het consult alcohol had gedronken en dat het heel goed mogelijk was dat er nog alcohol van de vorige avond in zijn bloed zat, dat verweerster hem adviseerde om na afloop van het consult niet in zijn auto te gaan rijden, dat hij haar zorgen begreep en dat hij zich zijn reactie kon voorstellen als zijn eigen kind zou worden aangereden door een dronken bestuurder. Het college beantwoordt de voorliggende vraag, gelet op het verloop van het consult en getoetst aan de hiervoor vermelde criteria, bevestigend. Verweerster mocht aan de politie doorgeven dat klager onder invloed van alcohol in zijn auto was weggereden van E. om zo mogelijke schade aan klager en/of derden te voorkomen. Dat klager kennelijk slechts vier kilometer in zijn auto hoefde te rijden doet daar niet aan af. Evenmin doet daaraan af dat klager bij zijn aanhouding geweld heeft gebruikt en daarvoor is veroordeeld. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij klager zelf. Dat klager als gevolg van zijn strafrechtelijke veroordeling niet meer als beveiliger kan werken kan evenmin aan verweerster worden verweten.

5.5       Met betrekking tot klachtonderdeel II overweegt het college voorts als volgt. Het betreft een telefoongesprek waarbij verweerster, ongeveer 20 minuten na de melding, door een politiefunctionaris is opgebeld. Ook in dit geval is onbetwist dat verweerster haar geheimhoudingsplicht heeft doorbroken en ligt ook de vraag voor of dat verweerster was toegestaan. Verweerster heeft in dit verband aangevoerd dat zij in het belang van klager telefonische vragen van de politie heeft beantwoord. Door mee te delen aan de politie dat klager bij E. onder behandeling was en naast alcohol geen andere middelen gebruikte, hoopte zij de schade voor klager enigszins te beperken. Ter terechtzitting heeft verweerster dit nader toegelicht; haar overweging hierbij was dat klager wellicht was aangehouden en dat een eventuele escalatie kon worden voorkomen door te melden dat klager geen andere ontremmende middelen gebruikte. Ter terechtzitting is echter ook duidelijk geworden dat verweerster tijdens het (korte) telefoongesprek met een politiefunctionaris, alvorens diens vragen te beantwoorden, heeft nagelaten te vragen waarom deze functionaris vertrouwelijke informatie over klager van haar wilde hebben. Zij heeft evenmin gevraagd wat er op dat moment (met klager) aan de hand was. Verweerster heeft niet onderzocht of al dan niet (ernstige) schade voor een ander dreigde. Dat maakt naar het oordeel van het college dat verweerster in haar belangenafweging tekort is geschoten. Zij heeft die afweging impliciet gemaakt, gebaseerd op eigen veronderstellingen en niet gebaseerd op de feiten. Die feiten, te weten de omstandigheden die van belang waren voor de doorbreking van haar beroepsgeheim op het moment dat de politie verweerster vroeg naar patiëntengegevens van klager, had verweerster eerst moeten onderzoeken, voordat zij een gefundeerde belangenafweging kon maken. Het college concludeert daarom dat het tweede klachtonderdeel gegrond is.

5.6       Het college zal verweerster geen maatregel opleggen op grond van de volgende overwegingen. Tussen de melding en het telefoongesprek met de politie zat korte tijd, ongeveer 20 minuten. Doordat klager tegen de gemaakte afspraak is weggereden waarbij hij fors onder  invloed van alcohol was en waarbij hij ernstig gevaar voor anderen veroorzaakte, is verweerster in een conflict van plichten terechtgekomen  Hoewel verweerster tijdens haar telefoongesprek met de politiefunctionaris opnieuw een belangenafweging had moeten maken, moet haar afweging om gestelde vragen te beantwoorden in deze context – nauwe samenhang tussen melding en telefoongesprek - worden bezien. Bovendien gaf verweerster tijdens het telefoongesprek met de politiefunctionaris nauwelijks meer informatie prijs dan de politie al had en stond het belang van klager steeds bij verweerster voorop. Tenslotte heeft verweerster ter terechtzitting naar voren gebracht dat zij van deze gebeurtenissen heeft geleerd en dat zij voortaan – in een zelfde soort situatie – anders zou handelen.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1            In beroep heeft klager twee gronden aangevoerd. De eerste richt zich tegen de ongegrondverklaring door het Regionaal Tuchtcollege van het eerste klachtonderdeel en de tweede tegen het oordeel van dat college dat aan de arts geen maatregel wordt opgelegd hoewel het tweede klachtonderdeel gegrond is bevonden.

4.2       De arts heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

            4.3       Artikel 73 lid 1 onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg bepaalt dat een klager van een eindbeslissing van het Regionaal Tuchtcollege slechts in beroep kan komen voor zover de klacht is afgewezen of voor zover hij niet-ontvankelijk is verklaard. Dit betekent in het onderhavige geval dat klager niet in het beroep kan worden ontvangen voor zover dat betrekking heeft op het, gegrond verklaarde, tweede klachtonderdeel (dat betrekking heeft op het tweede telefonisch contact met de politie).

In beroep ligt daarom alleen het eerste klachtonderdeel voor, te weten dat de arts haar medisch beroepsgeheim heeft doorbroken door direct na het consult van klager de politie te (doen) bellen met de mededeling dat klager onder invloed van alcohol in zijn auto was weggereden. Het Centraal Tuchtcollege overweegt hieromtrent als volgt.

            4.4       Het Centraal Tuchtcollege volgt het Regionaal Tuchtcollege in het oordeel dat vast staat dat de arts haar geheimhoudingsplicht heeft doorbroken en voorts dat het de arts was toegestaan om dat onder de gegeven omstandigheden te doen. Op het moment dat zij klager, die gelet op de door haar waargenomen verschijnselen die duiden op bovenmatig alcoholgebruik en de uitslag van de afgenomen blaastest onder invloed van alcohol verkeerde, - in weerwil van zijn toezegging dit niet te zullen doen- in zijn auto zag stappen en weg zag rijden ontstond er voor de arts een conflict van plichten. Zij heeft toen, ter voorkoming van mogelijke schade aan klager zelf en/of aan derden, de gerechtvaardigde afweging gemaakt dat zij haar geheimhoudingsplicht diende te doorbreken door de politie op de hoogte te (doen) stellen van voornoemde gevaarzettende situatie.

            4.5       De arts kan, anders dan klager stelt, overigens niet verantwoordelijk worden gehouden voor de strafrechtelijke veroordeling van klager. Deze veroordeling, die betrekking heeft op het geweld dat klager bij zijn aanhouding heeft gebruikt,  heeft klager geheel aan zichzelf te wijten.

            4.6       Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van klager, voor zover hij daarin kan worden ontvangen, moet worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verklaart klager niet ontvankelijk in zijn beroep voor zover dat is gericht tegen het gegrond verklaarde deel van zijn klacht;

verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door: mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, mr. Y.A.J.M. van Kuijck en mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden-juristen en drs. M. van Bergeijk en dr. W. de Ruijter, leden-beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2017.

                        Voorzitter   w.g.                                 Secretaris  w.g.