Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TAHVD:2017:62
Datum uitspraak:
10-04-2017
Datum publicatie:
11-04-2017
Zaaknummer(s):
150074
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamtGedragingen in strafzaken
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Klacht van Openbaar Ministerie dat advocaat heeft getracht getuige te beïnvloeden. Advocaat beroept zich op zijn zwijgrecht en het verschoningsrecht. Het gaat erom of en in hoeverre de verweten handelingen en gedragingen verband houden met hetgeen zijn cliënt aan de advocaat heeft toevertrouwd en hebben plaatsgevonden binnen het kader van de juridische dienstverlening. De deken, die in opdracht van het hof onderzoek heeft verricht, is tot de conclusie gekomen dat de contacten tussen de advocaat en de getuige kunnen worden aangemerkt als geschied in het kader van de rechtsbijstand van de advocaat aan zijn cliënt. Mede in aanmerking genomen de bevindingen van de deken heeft het hof niet kunnen vaststellen dat de advocaat zich  niet gerechtvaardigd heeft beroepen op zijn geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht. Het hof kan niet met voldoende zekerheid aanemen dat de handelingen en gedragingen het tuchtrechtelijke verwijt van beïnvloeding van de getuige opleveren. Klacht ongegrond. Bekrachtiging.

Limburg

Beslissing

                           

van 10 april  2017           

in de zaak 150074

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie

tegen:

verweerder

1    HET GEDING IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst naar zijn tussenbeslissing van 22 april 2016, waarin het hof het onderzoek heeft heropend en aan mr. O.E. Meijer, deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam, opgedragen om onderzoek te verrichten en verslag te doen. Het hof heeft bepaald dat de behandeling van de klacht zal worden voortgezet op een nader te bepaling zitting van het hof en dat klager, verweerder en mr. O.E. Meijer een oproeping daarvoor ontvangen.

De tussenbeslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TAHVD:2016:78.

2    VOORTZETTING VAN HET GEDING IN HOGER BEROEP   

2.1    Na de tussenbeslissing heeft het hof kennis genomen van:                                                                                                              

-    de brief van mr. O.E. Meijer, Deken van de Orde van Advocaten in het Arrondissement Rotterdam, van 17 november 2016, houdende verslag van zijn bevindingen naar aanleiding van de in de tussenbeslissing verleende opdracht;

-    de brief van klager van 20 december 2016;

-    de brief van mr. A, gemachtigde van klager, van 20 december 2016;

-    de brief van klager van 8 februari 2017;

-    de brief van mr. A van 9 februari 2017.

2.2    Ter openbare zitting van 10 februari 2017 heeft het hof de behandeling van de zaak mondeling voortgezet, waar klager, verweerder vergezeld van mr. A en mr. M, en mr. O.E. Meijer zijn verschenen. Mr. A heeft gepleit aan de hand van pleitnotities.

3    VERDERE BEOORDELING

3.1    Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in zijn tussenbeslissing van 22 april 2016.

3.2    De aan verweerder verweten handelingen en gedragingen - die erop neerkomen dat hij L. heeft bezocht in een penitentiaire inrichting in Frankrijk, hem heeft verzocht geen verklaringen meer af te leggen, hem geldbedragen heeft betaald en andere bedragen in het vooruitzicht heeft gesteld, hem codes voor de opname van een bedrag van € 6.000,-- heeft gegeven en een ontmoeting met hem heeft gehad in Duitsland -  wekken de vrees dat verweerder op tuchtrechtelijk ontoelaatbare wijze heeft gehandeld doordat hij daarmee heeft getracht een getuige te beïnvloeden.

3.3    Onder 7.3 en 7.4 van de tussenbeslissing heeft het hof het kader geschetst waarin de kernvraag moet worden beantwoord of verweerder omtrent de in de klacht vermelde handelingen en gedragingen en de daarop gebaseerde gevolgtrekking zich terecht op zijn geheimhoudingsplicht en zich met vrucht op zijn verschoningsrecht als advocaat van D. kan beroepen.

3.4    De opdracht aan mr. Meijer strekte ertoe dat hij ter voorlichting van het hof zou nagaan of en in hoeverre verweerder zich naar zijn mening (toch) met vrucht op het bedoelde verschoningsrecht kan beroepen. Daarbij gaat het in het bijzonder erom of en in hoeverre de verweten handelingen en gedragingen verband houden met hetgeen zijn cliënt D. aan verweerder heeft toevertrouwd en hebben plaatsgevonden binnen het kader van de juridische dienstverlening van verweerder als advocaat van zijn cliënt zoals deze rechtsbijstand van een integer handelende advocaat moet worden verwacht.

3.5    Uit het verslag van mr. Meijer en zijn toelichting ter zitting van het hof kan omtrent zijn bevindingen het volgende worden vastgesteld.

Ten behoeve van zijn onderzoek heeft mr. Meijer, na bestudering van het dossier, op zijn kantoor in aanwezigheid van een stafjurist van het Bureau van de Orde,  indringend en kritisch met verweerder gesproken, waarbij hij niet alleen al de vragen heeft gesteld die het hof in zijn tussenbeslissing heeft vermeld, maar ook zelf nadere vragen heeft gesteld en naar aanleiding van antwoorden van verweerder verder heeft doorgevraagd. Daarbij ging het bij uitstek om de bedoelingen met en de redenen voor de bewuste handelingen en gedragingen en de kwestie of en waarom deze onder een behoorlijke praktijkuitoefening jegens de cliënt van verweerder zouden vallen. Die vragen heeft verweerder, mede aan de hand van door deze op schrift gestelde aantekeningen, inhoudelijk, concreet, helder en openhartig, en voor zover mr. Meijer heeft kunnen nagaan, naar waarheid beantwoord. Daarbij heeft verweerder zich niet op zijn geheimhoudingsplicht beroepen. Overigens zij aangetekend dat de geformuleerde vragen uitgaan van de juistheid van bepaalde feiten en omstandigheden, maar dat verweerder tegenover mr. Meijer de juistheid van enige in de klacht genoemde gedragingen heeft betwist.

D. is een vaste cliënt van verweerder, voor wie hij met regelmaat rechtsbijstand in strafzaken verleent. In de bewuste periode stond verweerder D. bij in strafzaken in België, Duitsland en Nederland. Verweerder heeft mr. Meijer geïnformeerd over het desbetreffende strafdossier en inzicht gegeven in de relatie tussen D. en L. D. en L. zijn kompanen, die elkaar goed kennen, en L. speelt een rol in de strafzaken van D en kan als medeverdachte worden betiteld. L. heeft in september 2010 eigener beweging met D. contact opgenomen, een tijdstip waarop hij nog geen getuige was die door het Openbaar Ministerie was gedagvaard of opgeroepen. Verweerder heeft een redelijke verklaring gegeven voor zijn, op het eerste gezicht niet binnen de rechtsbijstand aan D. passende, bezoek aan L. in de gevangenis in Frankrijk en uitleg gegeven over de achtergrond van en het verband tussen de contacten van verweerder met L. en  verweerders cliënt. Daarbij is ook aan de orde gekomen de bedoeling van het – in de ogen van mr. Meijer onjuiste - overmaken van het bedrag van € 405,-- van de kantoorrekening van verweerder naar die penitentiaire inrichting ten behoeve van L.

Mr. Meijer is uiteindelijk op grond van zijn onderzoek, alles afwegende, tot de conclusie gekomen dat de contacten tussen verweerder en L., die (ook) op verzoek van L. hebben plaatsgevonden, kunnen worden aangemerkt als geschied in het kader van de rechtsbijstand van verweerder aan D. Mr. Meijer heeft voorts niet kunnen vaststellen dat verweerder door de verweten handelingen en gedragingen L. heeft trachten te beïnvloeden als in de klacht geformuleerd, ook niet door voormelde overboeking.

Mr. Meijer is tot de slotsom gekomen dat verweerder zich met recht kan beroepen op zijn verschoningsrecht als advocaat van D. met betrekking tot alle informatie die hij mr. Meijer, mede op grond van de door het hof gestelde vragen, heeft verstrekt.

3.6    Het hof heeft, mede in aanmerking genomen de bevindingen uit het onderzoek van mr. Meijer, niet kunnen vaststellen dat verweerder zich niet gerechtvaardigd heeft beroepen op zijn geheimhoudingsplicht en zijn verschoningsrecht als advocaat van D. met betrekking tot de hem verweten handelingen en gedragingen. Daarvan uitgaande, kan niet met voldoende zekerheid worden aangenomen dat deze handelingen en gedragingen het tuchtrechtelijke verwijt van beïnvloeding van de getuige L. opleveren.

3.7    Het vorenstaande brengt mee dat de klacht ongegrond moet worden verklaard. De dienovereenkomstige beslissing van de Raad zal worden bekrachtigd.

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

Bekrachtigt de beslissing met nummer L279-2014 van de Raad van Discipline in het ressort ’s Hertogenbosch van 7 september 2015.

Aldus gewezen door mr. J.C. van Dijk, voorzitter, mrs. W.A.M. van Schendel, J.R. Krol, V. Wolting en C.A.M.J. Raymakers, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Kikkert, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2017.

                        

griffier        voorzitter                 

        

De beslissing is verzonden op 10 april 2017.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens