Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSGR:2017:60 Raad van Discipline 's-Gravenhage 16-980/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2017:60
Datum uitspraak: 27-03-2017
Datum publicatie: 28-03-2017
Zaaknummer(s): 16-980/DH/DH
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Niet voldoen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Bezwaren van de deken
Beslissingen:
  • Voorwaardelijke schorsing
  • Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie: Dekenbezwaar. Verweerder heeft in strijd met de Samenwerkingsverordening en (later) de Voda jarenlang geweigerd zijn kantoornaam aan te passen door daaruit de meervoudsaanduiding “advocaten” te verwijderen. Klacht gegrond. Voorwaardelijke schorsing voor de duur van een maand met als bijzondere voorwaarde dat verweerder binnen één maand na het onherroepelijk worden van deze beslissing zijn kantoornaam dient aan te passen en aangepast dient te houden overeenkomstig de door het Hof van Discipline geformuleerde criteria zoals opgenomen in ECLI:NL:TAHVD:2015:309.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 27 maart 2017

in de zaak 16-980/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

[deken]

klager

tegen:

verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij brief van 20 oktober 2016, door de raad ontvangen op 21 oktober 2016, heeft klager een ambtshalve klacht ingediend over verweerder.

1.2 De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 30 januari 2017 in aanwezigheid van klager, vergezeld van [stafjurist], en verweerder, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde]. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.3 De raad heeft kennisgenomen van de klacht, de daarbij gevoegde bijlagen en van het verweerschrift d.d. 11 januari 2017.

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1 Verweerder is in 1979 beëdigd als advocaat en heeft in 1982 zijn stageverklaring behaald. Sinds 1986 voert verweerder de praktijk als zelfstandig advocaat onder de naam “Van B. advocaten”.

2.2 In de loop der tijd heeft het kantoor van verweerder verschillende advocaten in dienst gehad en zijn er samenwerkingen geweest, maar sinds 1 juli 2007 voert verweerder volgens de deken feitelijk alleen de advocatenpraktijk.

2.3 In 2008 is door het Bureau van de Haagse Orde van Advocaten controle uitgeoefend op de door de advocaten in het arrondissement gevoerde kantoornamen. Toen is gebleken dat verweerder door het voeren van de kantoornaam “Van B. advocaten” in strijd handelde met artikel 7 van de toen geldende Samenwerkingsverordening 1993, dat luidde:

“1. De advocaat vermijdt in zijn optreden naar buiten dat een onjuiste, misleidende of onvolledige voorstelling van zaken wordt gegeven ten aanzien van enige vorm van samenwerking waarbij hij is betrokken, een samenwerkingsverband daaronder begrepen.

2. Het is de advocaat die geen samenwerkingsverband onderhoudt verboden de praktijk te voeren onder een gemeenschappelijke naam of een zodanige benaming dat daardoor een samenwerkingsverband wordt gesuggereerd. In geval de gemeenschappelijke naam voorheen werd gevoerd door een inmiddels niet meer bestaand samenwerkingsverband kan de Raad van Toezicht van dit verbod ontheffing verlenen onder door deze te stellen voorwaarden, ter voorkoming van misleiding van het publiek.”

2.4 Verweerder is door de toenmalige deken aangeschreven bij brief van 9 juli 2008 en verzocht een toelichting te geven op de geconstateerde strijdigheid met voornoemd artikel.

2.5 Verweerder gaf bij brief van 15 juli 2008 te kennen op dat punt niet eerder te zijn aangesproken en vroeg zich af of de Samenwerkingsverordening wel op hem van toepassing was, nu hij als enig overgebleven advocaat zelfstandig de praktijk uitoefende. Voor zover noodzakelijk deed verweerder tevens een beroep op de laatste volzin van lid 2 van artikel 7, zoals hiervoor geciteerd, nu het zou gaan om een historische kantoornaam.

2.6 In 2010 bleek de opvolgende deken dat de situatie ten aanzien van de kantoornaam van verweerder nog altijd niet gewijzigd was. Hij heeft verweerder op 10 maart 2010 aangeschreven over deze kwestie. Tevens heeft hij het beroep van verweerder op de laatste volzin van lid 2 van artikel 7 gemotiveerd verworpen.

2.7 Bij brief van 24 maart 2010 heeft verweerder kort gereageerd op laatstgenoemde brief, met de mededeling dat het beroep van de deken op het verbod in de Samenwerkingsverordening afstuitte op artikel 1 Handelsnaamwet. De deken heeft daarop telefonisch contact gezocht met verweerder en hem laten weten zijn standpunt te handhaven. De daaropvolgende correspondentie tussen klager en verweerder heeft er niet toe geleid dat verweerder zijn kantoornaam heeft aangepast.

2.8 Bij brief van 11 juni 2010 is verweerder wederom door de toenmalige deken aangeschreven met het verzoek uiterlijk 18 juni 2010 te bevestigen dat de kantoornaam was aangepast. Verweerder berichtte binnen de gestelde termijn dat hij doende was de mogelijkheden van een samenwerkingsverband te onderzoeken. De deken heeft verweerder die gelegenheid geboden tot 1 september 2010.

2.9 Bij brief van 31 augustus 2010 liet verweerder de toenmalige deken weten dat mr. O., een zelfstandig advocaat in de pensioengerechtigde leeftijd, tot zijn kantoor was toegetreden als medewerker met de persoonlijke titel van adviseur. Op dezelfde basis trad verweerder bij mr. O. in dienst.

2.10 Bij brief van 28 december 2010 heeft de toenmalige deken aan verweerder bericht dat er daardoor sprake was van een samenwerking in de zin van de Samenwerkingsverordening, zodat beide advocaten een gemeenschappelijke kantoornaam dienden te voeren. Verweerder werd tot 15 januari 2011 in de gelegenheid gesteld zijn kantoornaam zodanig aan te passen dat er geen sprake meer was van strijd met de Samenwerkingsverordening.

2.11 Bij brief van 14 januari 2011 heeft verweerder de toenmalig deken laten weten geen deel meer uit te maken van het kantoor van mr. O. Daardoor zou er naar zijn mening geen sprake (meer) zijn van een samenwerkingsverband en behoefde de kantoornaam geen aanpassing.

2.12 Bij brief van 9 februari 2011 heeft de toenmalige deken aan verweerder laten weten dat er nog altijd sprake was van strijd met de Samenwerkings-verordening, nu de wijze waarop mr. O. aan het kantoor van verweerder was verbonden, niet kwalificeerde als een samenwerkingsverband en de kantoornaam nog altijd aanpassing behoefde, aangezien met de term “advocaten” wel een samenwerkingsverband werd gesuggereerd. Verweerder werd nog twee maanden in de gelegenheid gesteld hetzij een echt samenwerkingsverband aan te gaan, hetzij de kantoornaam aan te passen, bij gebreke waarvan een dekenklacht zou worden ingediend.

2.13 Op 8 april 2011 liet verweerder weten met mr. O. een dienstverband te zijn aangegaan. Wijziging van de kantoornaam was daardoor volgens verweerder niet meer noodzakelijk. De toenmalige deken stelde vraagtekens bij de constructie en heeft verweerder bij brief van 22 april 2011 nadere vragen gesteld.

2.14 Verweerder heeft de toenmalige deken de arbeidsovereenkomst alsmede enkele loonstroken toegezonden en liet blijken dat mr. O. was aangemeld bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Mr. O. zou opdrachten van verweerder krijgen en zijn praktijk waarnemen gedurende diens afwezigheid. Daarvoor zou mr. O. een bedrag van € 59,55 netto per maand ontvangen. Blijkens de arbeidsovereenkomst was een brutosalaris van € 1.407,60 per maand overeengekomen, reden waarom de deken in de veronderstelling verkeerde dat er sprake was van een dienstverband van enige omvang. De deken heeft verweerder daarop laten weten dat de kwestie tijdens de eerstvolgende raadsvergadering besproken zou worden.

2.15 Op 24 augustus 2011 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de toenmalige deken en verweerder. Afgaande op de toen verstrekte informatie leek er geen sprake meer te zijn van strijdigheid met de Samenwerkingsverordening. Aangegeven werd dat het kantoor van verweerder kon worden bezocht om te verifiëren of daadwerkelijk sprake was van een dienstverband.

2.16 In de periode daarna is diverse malen een kantoorbezoek afgelegd aan mr. O. onder meer in verband met zijn praktijkvoering. Daarbij bleek in het geheel niet van enige substantiële werkzaamheden voor of samenwerking met verweerder.

2.17 Mr. O. heeft zich vanwege gezondheidsredenen per 31 december 2015 laten uitschrijven als advocaat. Verweerder is desondanks de kantoornaam “Van B. advocaten” blijven voeren. Klager heeft hem daar wederom over aangeschreven.

2.18 Bij brief van 22 februari 2016 is verweerder verzocht binnen twee weken te bevestigen dat zijn kantoornaam was aangepast aan de Verordening op de advocatuur (hierna ook: Voda).

2.19 In reactie daarop berichtte verweerder klager bij brief van 3 maart 2016 dat er op 1 januari 2016 een nieuwe advocaat bij hem in dienst was getreden, mr. T. Mr. T. had sinds 31 augustus 2015 haar stageverklaring en was tevens zelfstandig gevestigd advocaat. Het dienstverband tussen verweerder en haar was aangegaan voor één dag per maand.

2.20 Tijdens een gesprek met klager heeft mr. T. verklaard dat zij door verweerder werd gevraagd stukken van hem te beoordelen en hem te adviseren in lastige kwesties. Van het geld dat zij daarmee verdiende, kon zij haar paardrijlessen betalen. Mr. T. verklaarde dat zij tijdens haar stage, toen zij nog samen met verweerder op één gang zat, ook op deze wijze met hem had samengewerkt en dat op enig moment te hebben geformaliseerd.

2.21 Bij brief van 26 mei 2016 is verweerder door klager opnieuw verzocht zijn kantoornaam aan te passen, nu er naar zijn mening van een dienstverband van enige omvang feitelijk geen sprake was.

2.22 Bij e-mailbericht van 27 mei 2016 heeft verweerder klager laten weten juridisch advies te zullen inwinnen en heeft hij verzocht om opschorting van de aangekondigde maatregelen.

2.23 Klager heeft verweerder bericht geen aanleiding te zien de aangekondigde maatregelen op te schorten.

2.24 Vervolgens ontving klager een brief van [de gemachtigde van verweerder], waarin hij liet weten de belangen van verweerder te behartigen. Volgens hem zouden er afspraken zijn gemaakt met de vorige deken, die nu op onjuiste wijze zouden worden geïnterpreteerd.

2.25 Klager heeft [de gemachtigde van verweerder] bij brief van 10 juni 2016 laten weten geen aanleiding te zien de aangekondigde maatregelen op te schorten.

2.26 Bij brief van 14 juni 2016 heeft [de gemachtigde van verweerder] klager aanvullend bericht dat mr. T. het niet eens was met de weergave van het met haar gevoerde gesprek. Bij die brief voegde [de gemachtigde van verweerder] een door mr. T. zelf opgesteld verslag. [De gemachtigde van verweerder] gaf voorts een samenvatting van hetgeen verweerder zich herinnerde uit het verleden en de afspraken die met de toenmalig deken zouden zijn gemaakt ten tijde van zijn samenwerking met mr. O. Volgens [de gemachtigde van verweerder] is mr. T. van groot belang voor de cliënten van verweerder en is er sinds 2011 geen sprake van een wijziging in de manier van werken zoals dat bij mr. O. het geval was, zodat deze ook dient te worden toegestaan waar het gaat om de samenwerking met mr. T. Er zou sprake zijn van gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van verweerder.

2.27 Bij brief van 11 juli 2016 heeft klager aan [de gemachtigde van verweerder] laten weten dat en waarom de situatie zijns inziens niet vergelijkbaar is met die van 2011. Nadere correspondentie tussen klager en [de gemachtigde van verweerder] heeft niet tot een oplossing geleid.

2.28 Klager heeft op 20 oktober 2016 zijn dekenbezwaar ingediend.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij in strijd met de Samenwerkingsverordening en later de Voda, jarenlang en tegen beter weten in heeft geweigerd zijn kantoornaam aan te passen door daaruit de meervoudsaanduiding “advocaten” te verwijderen.

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft zich tegen de klacht verweerd, op welk verweer de raad hierna zo nodig zal ingaan.

5 BEOORDELING

5.1 De raad stelt het grote belang dat rechtzoekenden niet het risico lopen te worden misleid door een kantoornaam voorop. De naamvoering van een kantoor dient zodanig te zijn, dat geen onduidelijkheid kan bestaan over de aard en omvang van het kantoor.

5.2 Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient een advocaat die alleen praktijk voert zich er daarom van te onthouden om door in zijn kantoornaam de meervoudsaanduiding “advocaten” te gebruiken, de suggestie te wekken dat aan het kantoor meerdere advocaten verbonden zijn. Deze jurisprudentie geldt onverkort nu daarin met de inwerkingtreding van de Voda geen wijziging is beoogd; artikel 7.4 lid 1 van de Voda heeft dezelfde strekking als artikel 7 lid 1 van de Samenwerkingsverordening.

5.3 Verweerder heeft naar het oordeel van de raad evident in strijd gehandeld met de Voda. Met de door hem gebruikte kantoornaam “Van B. advocaten” wekt hij immers de indruk dat er aan zijn kantoor meerdere advocaten verbonden zijn, terwijl dat niet het geval is. Het dienstverband van verweerder met mr. T. leidt niet tot de door verweerder bepleite conclusie. Mr. T. voert elders zelfstandig de advocatenpraktijk en fungeert slechts incidenteel als vraagbaak voor verweerder. Noch uit haar website noch uit die van verweerder blijkt van enige samenwerking tussen hen beiden.

5.4 Aan een beweerdelijk in 2011 door verweerder met de toenmalige deken gemaakte afspraak, acht de raad zich – wat daar verder ook van zij – niet gebonden.

5.5 De klacht is naar het oordeel van de raad gegrond.

6 MAATREGEL

6.1 Alles overziend acht de raad de maatregel van voorwaardelijke schorsing passend en geboden. Daarbij is met name acht geslagen op het feit dat verweerder al langere tijd – zo niet sinds medio 2008, dan toch in ieder geval sinds begin 2016 –  zonder redelijke grond, weigert de alleszins redelijke en op de wet gegronde aanwijzing van de deken(s) op te volgen om zijn kantoornaam aan te passen aan de daarvoor geldende criteria, terwijl een dergelijke aanpassing zonder noemenswaardige bezwaren kan worden doorgevoerd. De door de raad aan de voorwaardelijke schorsing te verbinden bijzondere voorwaarde strekt ertoe te bevorderen dat verweerder zijn kantoornaam daadwerkelijk aanpast.

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 De raad ziet aanleiding om verweerder overeenkomstig artikel 48, zesde lid, Advocatenwet te veroordelen in de kosten die ten laste komen van de Nederlandse Orde van Advocaten in verband met de behandeling van de zaak. Deze proceskosten worden vastgesteld op EUR 1.000,- en moeten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan de Nederlandse Orde van Advocaten worden betaald. Dit bedrag kan worden betaald op rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling” en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart de klacht gegrond;

- legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van één maand op;

- bepaalt dat deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder de navolgende voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verweerder binnen één maand na het onherroepelijk worden van deze beslissing zijn kantoornaam dient aan te passen en aangepast dient te houden overeenkomstig de door het Hof van Discipline geformuleerde criteria zoals opgenomen in ECLI:NL:TAHVD:2015:309;

-    stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van EUR 1.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten.

Aldus beslist door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mrs. T. Hordijk, R. de Haan, P.J.E.M. Nuiten en P.C.M. van Schijndel, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 27 maart 2017.

Deze beslissing is in afschrift op 27 maart 2017 verzonden.