Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2016:35 Accountantskamer Zwolle 15/1892 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2016:35
Datum uitspraak: 09-05-2016
Datum publicatie: 09-05-2016
Zaaknummer(s): 15/1892 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie:   Het in het kader van een behoorlijke tuchtprocesorde bestaande beginsel van concentratie van klachten heeft betrekking op klachten gericht tegen dezelfde accountant. Klagen tegen de ene accountant in een bepaald feitencomplex  staat niet in de weg aan naderhand klagen over hetzelfde feitencomplex tegen een andere accountant (kantoorgenoot van de eerste accountant). Volgens vaste jurisprudentie dient de accountant het vertrouwelijke karakter van informatie die hij in het kader van zijn beroepsmatig en zakelijk handelen heeft verkregen, te eerbiedigen en mag hij deze informatie zonder specifieke machtiging daartoe niet aan een derde bekendmaken, tenzij wettelijk of beroepshalve een recht of plicht daartoe bestaat. Nu er in casu geen toestemming was van de betrokken cliënte (zie artikel 16, sub d VGBA), en zich geen van de andere in artikel 16 VGBA gemelde situaties voordeed, heeft betrokkene reeds daarom terecht de gevraagde informatie niet verschaft. Geen rechtsregel bepaalt dat een klachtbehandelaar/collega-accountant van het kantoor van een accountant, waartegen klager een klacht heeft ingediend, onafhankelijk dient te zijn. Bij de afhandeling van die klacht dient hij wel objectief te werk te gaan. In casu is niet aannemelijk geworden dat hij niet objectief gehandeld zou hebben.

ACCOUNTANTSKAMER

BESLISSING ex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de zaak met nummer 15/1892 Wtra AK van 9 mei 2016 van

X ,

wonende te [plaats1],

K L A G E R ,

t e g e n

Y ,

registeraccountant,

kantoorhoudende te [plaats2],

B E T R O K K E N E ,

raadsvrouw: mr. W.K. van den Berg.

1.         Het verloop van de procedure

1.1       De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de in deze zaak gewisselde en aan partijen bekende stukken, waaronder:

-        het op 31 augustus 2015 ingekomen klaagschrift van dezelfde dag met bijlagen;

-        het op 2 december 2015 ingekomen verweerschrift van 1 december 2015;

-        de op 18 januari 2016 ingekomen nadere productie van klager.

1.2       De voorzitter van de Accountantskamer heeft bij brief van 19 januari 2016 voormelde bij de Accountantskamer binnengekomen brief van 18 januari 2016 van klager aangemerkt als repliek waarvoor geen toestemming is verleend, en mede gezien artikel 14 van het Procesreglement 2015, deze brief, behoudens een daarbij overgelegde productie, niet tot de gedingstukken toegelaten en aan klager retour gezonden.

1.3       De Accountantskamer heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van 8 februari 2016 waar zijn verschenen: klager en namens betrokkene: mr. W.K. van den Berg, advocaat te Amsterdam. Voorafgaand aan de zitting heeft de raadsvrouw van betrokkene telefonisch aan de Accountantskamer meegedeeld dat betrokkene vanwege ziekte niet ter zitting zou verschijnen, dat zij er geen bezwaren tegen had dat de zitting doorging en dat zij gemachtigd was om namens betrokkene aldaar het woord te voeren.

1.4       Klager en namens betrokkene zijn raadsvrouw hebben op genoemde zitting hun standpunten doen toelichten (aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de Accountantskamer zijn overgelegd) en toegelicht, alsmede doen antwoorden en/of geantwoord op vragen van de Accountantskamer.

2.         De vaststaande feiten

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde ter zitting stelt de Accountantskamer het volgende vast.

2.1       Betrokkene is als openbaar accountant verbonden aan, partner en bestuursvoorzitter van [A]. Hij is vanaf [datum] als accountant ingeschreven in het register van de beroepsorganisatie, destijds het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants (NIVRA), welk instituut is opgegaan in de Koninklijke Nederlandse beroepsorganisatie van accountants (Nba).

2.2       [B] ([B]) was als accountant-administratieconsulent verbonden aan [A]. Hij heeft de jaarrekeningen 2006 en 2007 van [C] B.V. samengesteld en daarbij – op respectievelijk 30 mei 2007 en 18 augustus 2008 – een samenstellingsverklaring afgegeven.

2.3       Op 31 december 2013 heeft klager bij de Accountantskamer een klacht (hierna: eerste klacht) ingediend tegen voornoemde [B] AA. Deze klacht is behandeld ter zitting van 15 augustus 2014 en is vervolgens bij beslissing (met nummer 14/12) van 23 januari 2015 ongegrond verklaard. Klager heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, waarop nog niet is beslist.

2.4       Na ontvangst van de eerste klacht heeft de Accountantskamer klager bij brief gevraagd of hij zijn klacht tegen [B] ook reeds had voorgelegd aan de betreffende accountantsorganisatie.

2.5       Naar aanleiding van de onder 2.4 vermelde brief van de Accountantskamer heeft klager bij e-mail van 13 januari 2014 zijn klacht tegen [B] alsnog voorgelegd aan de accountantsorganisatie [A].

2.6       Bij brief van 7 februari 2014 heeft betrokkene klager als volgt geïnformeerd:

“Via een email bericht van 13 januari j.l. heeft u ons een bericht gestuurd met als bijlage een, ongetekende, brief gericht aan de Accountantskamer te Zwolle, gedateerd 31-12-2013. In uw email geeft u aan dat de Accountantskamer u heeft gevraagd of uw klacht aan ons is voorgelegd. Deze kennisgeving van de Accountantskamer hebben we niet ontvangen en we verzoeken u ons daar een kopie van te verstrekken. Derhalve kunnen we niet vaststellen in hoeverre er sprake is van een feitelijk door u ingediende klacht bij de Accountantskamer.

In afwachting van verdere informatie wil ik in dit schrijven alvast ingaan op de met u gevoerde correspondentie in 2013, een en ander na overleg met de betrokken medewerkers van ons kantoor.

Als bijlage I is opgenomen uw brief van 31 mei 2013 waarin u ons een vijftal vragen voorlegt inzake [C] BV. De heer [D] van ons kantoor heeft u op 10 juni (bijlage 2) geantwoord dat wij niet vrij zijn om gegevens met u te delen die vallen onder onze geheimhoudingsplicht. Hierop is een reactie van u gekomen d.d. 25-9-2013 (bijlage 3) waarin u enkele zaken aangeeft en constateringen doet. U besluit met de opmerking: “Ik vertrouw erop hiermee relevante en toereikende informatie te hebben gegeven. Mocht er toch nog aanleiding zijn om op basis van het voorgaande voor een nadere toelichting, dan ben ik uiteraard bereid die te geven”.

Gezien de inhoud van de brief, het ontbreken van verdere vragen noch het indienen van een klacht en in combinatie met ons eerdere geuite beroep op de geheimhoudingsplicht, hebben wij niet verder naar u gereageerd.

Wij herkennen ons niet in de door u verwoorde verwijten in de betreffende brief van 31-12-2013 (bijlage 4). Een inhoudelijke reactie op deze verwijten en ook de verdere feiten die in deze brief zijn opgenomen is echter enkel mogelijk door gebruik te maken van informatie en gegevens die tot ons zijn gekomen uit hoofde van onze functie als accountant van [C] B.V. en uit dien hoofde vallende onder onze geheimhoudingsplicht.

Wij zijn uiteraard bereid om deze informatie met u te delen indien wij hiervoor ontslagen worden uit onze geheimhoudingsplicht dan wel kunnen vaststellen dat het verstrekken van dossier informatie passend is overeenkomstig artikel 17 VGBA.

Vertrouwende u hiermee van dienst te zijn en tot het verstrekken van verdere inlichtingen zijn wij graag bereid.”.

3.         De klacht

3.1       Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

3.2       Ten grondslag aan de door klager ingediende klacht liggen, zoals blijkt uit het klaagschrift en uit de, door klager ter zitting bevestigde, omschrijving daarvan in het verweerschrift, de volgende verwijten:

a.         dat de mededeling in de brief van 7 februari 2014 (2.6), dat betrokkene zich niet kon vinden in de door klager geuite verwijten, bewust onjuist of misleidend was, omdat betrokkene bekend was of had moeten zijn met de tekortkomingen van [B];

b.         dat betrokkene de toezegging in de brief van 7 februari 2014 (2.6) om informatie te delen niet had mogen doen; klager zou door deze toezegging op het verkeerde been zijn gezet bij de formulering van zijn klacht tegen [B];

c.         dat betrokkene onvoldoende toezicht zou hebben gehouden op het verdere verloop van de behandeling van de klacht tegen [B].

3.3       Wat door klager bij de mondelinge behandeling als nieuwe standpunten naar voren is gebracht, is door de Accountantskamer niet opgevat als nieuwe klachtonderdelen (waarvan de inbreng op een dergelijk laat tijdstip overigens ook niet meer zou zijn toegestaan) doch als een ondersteuning van de betwisting van het gestelde in de door/namens betrokkene gegeven weerspreking van de klacht.

4.         De gronden van de beslissing

Omtrent de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Accountantskamer het volgende.

4.1       Op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (hierna: Wab) is de accountant ten aanzien van de uitoefening van zijn beroep onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wab bepaalde en ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

4.2       Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft, moet, nu dit plaatshad ná 4 januari 2014 worden getoetst aan de sindsdien geldende Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

4.3       Daarbij stelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klager is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken registeraccountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.4       Betrokkene heeft primair een niet-ontvankelijkheidsverweer gevoerd en subsidiair een inhoudelijk verweer. De Accountantskamer zal in haar overwegingen dit onderscheid volgen.

inzake de ontvankelijkheid

4.5       Betrokkene heeft aangevoerd dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht omdat bij het indienen dan wel bij de behandeling van de eerste klacht, de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan onderhavige klacht al bij klager bekend waren en hij in strijd heeft gehandeld met het beginsel van concentratie van klachten, door de daarop gebaseerde klachten niet gelijktijdig met de eerste klacht aanhangig te maken. Tevens voert betrokkene aan dat onderhavige klacht niet-ontvankelijk is omdat deze ziet op de jaarrekeningen 2006 en 2007 van [C] B.V. en er tussen het afgeven van de samenstellingsverklaringen en het moment van indienen van de klacht tenminste zes jaren waren verstreken.

4.6       De Accountantskamer heeft reeds eerder geoordeeld dat het niet verenigbaar met de eisen van een behoorlijke tuchtprocesorde is, dat een klager een klacht, die haar grondslag vindt in een bepaald feitencomplex, bij de tuchtrechter indient, terwijl dit feitencomplex reeds ten tijde van een eerdere, door deze klager ingediende klacht bij hem bekend was of redelijkerwijs had kunnen zijn [1] . Voorts brengen eisen van een behoorlijke tuchtprocesorde met zich dat een klager zoveel mogelijk zijn klachten tegen een accountant tegelijk in één tuchtprocedure aanhangig maakt, althans dat klager voorafgaand aan de mondelinge behandeling van een eerder ingediende klacht zijn overige klachten over hem bekend zijnd handelen of nalaten van de betrokken accountant heeft ingediend, in welk laatste geval het aan de Accountantskamer is om de nieuwe klacht(en) al dan niet te voegen met de reeds ingediende klacht.

4.7       Gelet op het voorgaande is de Accountantskamer van oordeel dat het beginsel van concentratie van klachten niet zover strekt dat na de mondelinge behandeling van een eerdere klacht op basis van een bepaald feitencomplex tegen de ene accountant niet tegen een andere accountant, die tevens bij dat feitencomplex is betrokken, een klacht mag worden ingediend. Derhalve is in dit geval geen sprake van strijdigheid met het beginsel van concentratie van klachten, nog daargelaten het antwoord op de vraag of sprake is van eenzelfde feitencomplex. Het verweer van betrokkene op dit punt faalt.

4.8       Wat betreft betrokkenes stelling dat de termijn van zes jaar ex artikel 22 Wtra zou zijn overschreden, is de Accountantskamer van oordeel dat de klacht, zoals door betrokkene zelf is bevestigd in zijn verweerschrift, ziet op het handelen en nalaten van betrokkene naar aanleiding van de indiening van de klacht tegen [B], derhalve na 31 december 2013. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de voormelde termijn van zes jaar niet is overschreden. Betrokkenes beroep op niet-ontvankelijkheid op dit punt faalt daarom eveneens, zodat de klacht ontvankelijk is.

klachtonderdeel a

4.9       Inzake klachtonderdeel a stelt de Accountantskamer vast dat, mede gelet op haar onder 2.3 aangehaalde uitspraak, niet is gebleken van enig tuchtrechtrechtelijk verwijtbaar handelen door [B]. Gelet op het voorgaande ontbreekt een feitelijke grondslag aan onderhavig klachtonderdeel. Betrokkene heeft in zijn brief van 7 februari 2014 dan ook niet ten onrechte geschreven dat hij zich niet kon herkennen in de door klager aan [B] gemaakte verwijten in zijn klacht van 31 december 2013, laat staan dat hij zich met deze stelling misleidend heeft uitgelaten. Klagers stelling treft derhalve geen doel; dit klachtonderdeel is mitsdien ongegrond.

klachtonderdeel b

4.10     Klager heeft op dit punt aangevoerd dat hij vanwege de vermeende toezegging van betrokkene in de klacht tegen [B] niet om alle stukken heeft verzocht. Nu betrokkene zijn toezegging volgens klager niet is nagekomen, kan hij niet alsnog de stukken in de zaak tegen [B] opvragen.

4.11     De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene in zijn brief van 7 februari 2014 aan klager een toezegging heeft gedaan onder de nadrukkelijke voorwaarde dat hij (door de betrokken cliënte) zou worden ontslagen uit zijn geheimhoudingsplicht dan wel dat hij kon vaststellen dat het verstrekken van dossier informatie passend is overeenkomstig de artikelen 16 en 17 VGBA. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene deze toezegging onder voormelde voorwaarde mocht doen en ook op juiste wijze heeft gedaan. De Accountantskamer neemt daarbij in aanmerking dat volgens haar vaste jurisprudentie de accountant het vertrouwelijke karakter van informatie die hij in het kader van zijn beroepsmatig en zakelijk handelen heeft verkregen, eerbiedigt en dat hij deze informatie zonder specifieke machtiging daartoe niet aan een derde bekendmaakt, tenzij wettelijk of beroepshalve een recht of plicht daartoe bestaat. Betrokkene heeft, naar het oordeel van de Accountantskamer, niet in strijd met deze rechtsregel zijn toezegging gedaan.

4.12     Voor zover klager heeft bedoeld te stellen dat hij ten onrechte niet de gevraagde informatie van betrokkene heeft gekregen, overweegt de Accountantskamer dat betrokkene, nu er geen toestemming was van de betrokken cliënte (zie artikel 16, sub d VGBA), en zich geen van de andere in artikel 16 VGBA gemelde situaties voordeed, reeds daarom terecht de gevraagde informatie niet heeft verschaft.

Wat betreft de situatie als geregeld in artikel 16, sub c VGBA merkt de Accountantskamer op, dat op het moment waarop betrokkene weigerde informatie te verschaffen, er tegen hem ook geen tuchtprocedure aanhangig was, zodat het ook niet aan hem was de afweging te maken als bedoeld in artikel 17 VGBA.  

4.13     Gelet op het voorgaande komt de Accountantskamer tot de slotsom dat dit klachtonderdeel ongegrond moet worden verklaard.

klachtonderdeel c

4.14     Wat betreft het klachtonderdeel dat betrokkene onvoldoende toezicht zou hebben gehouden op het verdere verloop van de behandeling van de eerste klacht, is de Accountantskamer van oordeel dat zij zonder nadere substantiering van deze klacht niet vermag in te zien dat op betrokkene een dergelijke verplichting rustte.

4.15     De Accountantskamer overweegt ten overvloede dat, voor zover klager met dit klachtonderdeel heeft willen stellen dat betrokkene ten aanzien van zijn klacht jegens [B] niet objectief heeft gehandeld, dit klachtonderdeel eveneens ongegrond is. De Accountantskamer neemt daartoe in aanmerking dat klager van de onjuiste veronderstelling uitgaat dat, nu betrokkene en [B] aan hetzelfde accountantskantoor zijn verbonden, betrokkene per definitie niet objectief kan handelen. Voor zover klager heeft willen stellen dat betrokkene niet onafhankelijk heeft gehandeld, gaat hij eraan voorbij dat geen rechtsregel bepaalt dat een klachtbehandelaar onafhankelijk moet zijn.

Nu klager ook overigens niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene daadwerkelijk niet objectief heeft gehandeld, faalt ook dit klachtonderdeel.

4.16     Gelet op het voorgaande dient de klacht in al haar onderdelen – dan ook ongegrond te worden verklaard.

4.17      Op grond van het hiervoor overwogene wordt als volgt beslist.

5.         Beslissing

De Accountantskamer:

·       verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.B. Werkhoven, voorzitter, mr. E.W. Akkerman en mr. W.J.B. Cornelissen (rechterlijke leden) en drs. W.J. Schoonderbeek RA en J. Maan AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. H.J. Haanstra, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2016.

_________                                                                                          __________

secretaris                                                                                            voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Ingevolge artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift dient te zijn ondertekend en de gronden van het beroep te bevatten.


[1] Zie onder meer de uitspraak van de Accountantskamer van 12 juli 2013, ECLI:NL:TACKN:2013:12 (12/2446 Wtra AK) en van 28 mei 2014, ECLI:NL:TACKN:2014:45 (13/1943, 13/1944 en 13/2269 Wtra AK)