Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TNORAMS:2015:17 Kamer voor het notariaat Amsterdam 540477/NT13-30 OJ

ECLI: ECLI:NL:TNORAMS:2015:17
Datum uitspraak: 04-06-2015
Datum publicatie: 11-06-2015
Zaaknummer(s): 540477/NT13-30 OJ
Onderwerp: Overig
Beslissingen: Klacht gegrond met ontzetting uit het ambt
Inhoudsindicatie: Vast is komen te staan dat de oud-notaris derdengelden niet op zijn derdengeldrekening heeft aangehouden, maar dat hij ten laste van de derdengeldrekening de in de klacht omschreven betalingen heeft verricht zonder opdracht van rechthebbenden, alsmede dat hij het tekort in het saldo op de derdengeldrekening niet terstond heeft aangevuld.  Gegrondheid van een ernstige klacht als de onderhavige behoort in het algemeen tot de zwaarste maatregel, ontzetting uit het ambt, te leiden en handelen van een notaris zoals hier aan de orde zal slechts bij hoge uitzondering verontschuldigbaar te achten zijn. Dat is in casu niet het geval. Door het handelen en nalaten van de oud-notaris is het vertrouwen in de rechtsbedeling, in het bijzonder die welke aan het notariaat is opgedragen, immers ernstig geschaad. De oud-notaris heeft er blijk van gegeven het vertrouwen dat het publiek moet kunnen stellen in een notaris en in de veilige bewaring van derdengelden, niet waard te zijn. Er is geen reden in het onderhavige geval een andere maatregel dan ontzetting op te leggen, nu de door de oud-notaris gemelde omstandigheden die tot zijn handelen hebben geleid hem naar het oordeel van de kamer niet verontschuldigen.  

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT AMSTERDAM

Beslissing van 4 juni 2015 in de klacht met nummer 540477/NT 13-30 OJ van:

Bureau Financieel Toezicht ,

gevestigd te Utrecht;

hierna: het BFT,

tegen:

[de oud-notaris],

oud-notaris te [vestigingsplaats],

raadsman: mr. R.A. Kaarls;

hierna: de oud-notaris.

1. Het verloop van de procedure

De kamer is uitgegaan van de volgende stukken:

-        klaagschrift met bijlagen van 12 april 2013;

-        verweerschrift met bijlagen van 18 september 2014;

-        aanvullend verweerschrift van 10 januari 2015.

Bij de mondelinge behandeling van de klacht op 2 april 2015 zijn mr. A.T.A. Tilleman, mr. E. Kruimel en de heer D.A. Steensma RA - namens het BFT - en de oud-notaris, bijgestaan door zijn raadsman, verschenen. Beide partijen hebben het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. Uitspraak is bepaald op heden.

2.  De feiten

De kamer gaat uit van de volgende voor de beoordeling van de klacht van belang zijnde feiten en omstandigheden:

  1. Bij beslissing van 28 februari 2013 in de klachtzaken 526336/NT 12-51 [namen klager/oud-notaris] en 528578/NT 12-57 [namen klager/oud-notaris] heeft de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Amsterdam de oud-notaris voor vier maanden geschorst in de uitoefening van het ambt als notaris. In voornoemde klachtzaken (hierna ook genoemd: de zaak [X]) ging het - kort gezegd - om de koop van een woning te Amsterdam door een persoon die zich bij de oud-notaris voordeed als mevrouw [naam](hierna: [X]). [X] (die zich niet met een geldig legitimatiebewijs had gelegitimeerd en later wel onder de naam [Y] in de GBA bleek vermeld te zijn) voldeed niet aan haar verplichting de waarborgsom te storten dan wel een bankgarantie te verstrekken. Op de datum waarop de levering zou plaatsvinden heeft zij meegedeeld dat zij niet (zoals zij eerder had verteld) een rijke erfgename was, maar dat zij over een wiskundige gave beschikte die van veel waarde was voor (onder meer) de Nederlandse staat, die haar een bedrag van 72 miljoen euro had toegezegd voor het ‘kraken van codes’. Die gelden zouden echter nog geblokkeerd zijn door de Staat. In deze klachtzaak beriep de oud-notaris zich tegenover de kamer op zijn geheimhoudingsplicht. De kamer overwoog in voornoemde beslissing het volgende: “De aanwezigheid van de notaris bij de bezichtiging van de woning door [X], de bekendheid van de notaris met een andere naam van [X], de actieve rol van de notaris bij de vaststelling van de beweerde gegoedheid van [X], de aanwezigheid bij de notaris van valse stukken, zoals de valse e-mail van Julius Bär en de vervalste brief van de IND en het niet vragen van identificatie aan [X], roept tal van door de notaris onbeantwoord gelaten vragen op. De kamer acht het in strijd met de eer en het aanzien van het notarisambt dat de notaris heeft meegewerkt aan een transactie onder de omstandigheden als de onderhavige, ten aanzien van een koper, die al eerder – naar de notaris bekend was – niet aan haar verplichtingen had voldaan en waarvan de identiteit en de achtergrond dubieus waren, terwijl niet valt uit te sluiten dat de activiteiten van [X] een poging tot witwassen inhielden, waarop de notaris bedacht diende te zijn. De kamer is van oordeel dat de notaris door zijn handelen – ook door zijn houding in de klachtbehandeling – het vertrouwen in het notariaat in zeer ernstige mate schaadt. Een dergelijk handelen past een goed notaris niet. De kamer acht daarom de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt als notaris voor de duur van vier maanden gepast en geboden.”
  2. Zowel de oud-notaris als de klagers zijn in hoger beroep gegaan tegen deze beslissing.
  3. Bij wijze van ordemaatregel ex artikel 106 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) heeft de voorzitter van de kamer voor het notariaat vervolgens de oud-notaris op 8 maart 2013 voor zes weken geschorst in de uitoefening van het ambt als notaris , aangezien naar het oordeel van de voorzitter sprake was “van een ernstig vermoeden van kennelijk gevaar voor benadeling van derden omdat de notaris de greep op zijn functioneren als notaris is kwijtgeraakt.” Deze beslissing is door de kamer voor het notariaat bekrachtigd op 4 april 2013.
  4. Op 25 maart 2013 heeft de oud-notaris tegen [X] aangifte gedaan van oplichting en misleiding.
  5. Op 26 maart 2013 heeft de accountant van de oud-notaris, [naam accountant], van Bureau Notariaat en Advocatuur (hierna: BNA) een incidentenmelding op grond van artikel 25a Wna gedaan alsmede melding gedaan van een bewaringstekort van ruim € 1.200.000,-.
  6. Op 28 maart 2013 heeft het BFT besloten tot een onderzoek op grond van zijn toezichttaak ex artikel 110 lid 1 Wna, ten kantore van de oud-notaris
  7. Op 3 april 2013 heeft de heer D.A. Steensma RA van het BFT aan de oud-notaris in een e-mailbericht een aantal vragen voorgelegd: “ Ik ben gisteren bij BNA geweest. Heb daar met uw accountant gesproken over de bewaringspositie. Volgens uw accountant bedraagt deze per 18 maart 2013: negatief € 1.227.897. Hierdoor kan het kantoor worden aangemerkt als “technisch failliet”. Wij hebben gesproken over: 1. De gedane betalingen tot een bedrag van € 871.000 in het dossier waarover wij afgelopen donderdag hebben gesproken; 2. De negatieve stand (debetstand) van het dossier 120.200.01 [naam dossier, hierna: A] diversen ad. 117.500; 3. Bankoverboekingen van de kwaliteitsrekeningen van het kantoor naar uw kantoorrekening tot een bedrag van € 209.438. Naar aanleiding van dit gesprek heb ik de volgende vragen: 1. Aan welke partij(en) zijn de betalingen tot een bedrag van € 871.000 overgemaakt? Bijgaand ontvangt u de uitdraai van de betreffende zaak, waaruit blijkt dat sinds september/oktober 2012 de eerste mutaties in dit dossier reeds plaatsvinden. 2. Om welke redenen is in het dossier “[A]” een debetstand ontstaan? (Cliënt nummer: 120.200.01) 3. Waarom zijn er gelden overgeboekt van de kwaliteitsrekening(en) naar de kantoorrekening(en) overgeboekt? Bijgaand ontvangt u bijlage 2 waarbij de transacties uit januari 2013 erop lijken te duiden dat derdengeld (€ 200.000) is overgeboekt. Kunt u uitleg geven over de achtergrond van deze betalingen? Financiering kantoor Ik heb begrepen dat u morgenmiddag de aanvullende financiering voor uw kantoor wil presenteren. Gezien de huidige financiële situatie dring ik er bij u op aan mij nu reeds details van de financieringsplannen te verstrekken. Daarbij is vooral van belang op welk moment daadwerkelijk over de gelden kan worden beschikt. De presentatie zal ik morgen niet bijwonen omdat voor ons vooral van belang is wanneer de gelden op de kwaliteitsrekeningen zijn binnengekomen. Voor de beoordeling of tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld is, worden in vergelijkbare gevallen de volgende vragen gesteld: 1. Hoe is het tekort ontstaan (is het tekort te wijten aan het gedrag van de notaris)? 2. Hoe snel is het tekort ontdekt? 3. Hoe snel is het tekort aangevuld? Met name de derde vraag wordt beïnvloed door het wel of niet daadwerkelijke beschikbaar krijgen van additionele financiering. Het wordt van de notaris verwacht dat hij een ontstaan tekort terstond aanvult.”
  8. Op 4 april 2013 heeft het BFT het onderzoek afgerond en een conceptrapportage verzonden aan de oud-notaris en de voorzitter van de kamer voor het notariaat. Uit het conceptrapport bleek van een tekort op de derdengeldrekening van de oud-notaris van € 1.227.896,-.
  9. Op 5 april 2013 heeft de oud-notaris per e-mailbericht aan de heer Steensma van het BFT geantwoord: “ In reactie op uw mail van 3 april 2013 en ons gesprek in Amsterdam daaropvolgend op 4 april bericht ik u als volgt. De afgelopen 11 jaar die ik als notaris heb mogen werken is mijn bewaringspositie altijd positief geweest. Vorige week maandag 25 maart 2013 is een tekort vastgesteld. 1. Het overgrote deel van het bedrag is overgemaakt aan de heer [N]. Kleinere bedragen aan de heer [O] en de heer [P]. Ik zal u morgen hun identiteitsbewijzen en adressen toezenden. 2. In het dossier [A] is sprake van een vermogen van 75.000.000,-- dollar als onderpand hetgeen ik in overleg met BNA gelijk heb behandeld als in een nalatenschapsdossier waarin een huis wordt verkocht. Ook dan kan ik vooruitlopend op de verkoop van een registergoed honorarium en/of kosten ten laste van het dossier brengen. Omdat ik zelf de beschikking had over het onderpand heb ik mij niet gerealiseerd dat dit van invloed was op de bewaarpositie. Ik ging juist uit van een ruim positief saldo. Wellicht had ik beter gelijk een declaratie daarvoor moeten sturen waaraan ik tengevolge van het “Rutte” dossier nog niet was toegekomen. Bovendien werkte ik al lange tijd aan het dossier [A] en was de opdrachtgever akkoord met het declareren van mijn uren. Ik heb toegezegd gelijk voor aanvulling te zullen zorgdragen. 3. Uw vraag onder 3. genoemd. Al 11 jaar weet ik elk kwartaal welke bedragen er worden ontvangen en uitgegeven en ben ik goed op de hoogte van de financiele status van mijn kantoor. Tengevolge van het “Rutte”dossier ben ik dat overzicht het eerste kwartaal 2013 onbedoeld verloren. Ik heb zoals gewoonlijk wel mijn lasten voldaan maar niet voldoende inkomsten genoten lees: voldoende gedeclareerd om de kosten te dekken. Ik zal dit zo snel mogelijk herstellen. Wij hebben afgesproken dat een onafhankelijk psychologisch rapport wordt opgemaakt waarin wordt beschreven op welke wijze de samenloop in het dossier is te verklaren. Ik herhaal hierbij uitdrukkelijk dat het nooit mijnbedoeling is geweest een negatieve bewaringspositie te verkrijgen. Ook ik wil weten hoe een dergelijke beinvloedingstechniek werkt. Hoe overtuigt men een notaris dat hij met de Minister President te maken heeft. Ik heb overigens de Minister President zelf al op de hoogte gebracht van het dossier. Wij bespraken voorts nog mijn mogelijkheden het tekort terstond aan te vullen. Het tekort is van dermate grote omvang dat door mij een volledige aanvulling niet binnen een week is te realiseren hoezeer ik mij mijn best daarvoor zal doen. Ik verwacht wel dat ik het in vraag twee genoemde tekort terstond kan aanvullen. Het andere bedrag, zo is mij gezegd, kan ik binnen vier weken realiseren. Wij spraken af dat ik u daarover maandag aanstaande zal berichten en concrete feiten zal verstrekken. Ik wil u nogmaals op het hart drukken dat ik geen enkele opzet heb gehad in deze positie te belanden. Het spijt mij zeer dat het aanzien van het notariaat hierdoor is aangetast. Ik was er echt van overtuigd dat ik mijn plicht als onderdaan van Hare Majesteit en de regering voldeed. Dat zij van mij konden vragen wat geen ander mij had kunnen laten doen. Ik ben ook op geen enkele wijze door het dossier verrijkt, integendeel. Ik voel mij heel dubbel dader en slachtoffer tegelijk. (..)”
  10. Op 12 april 2013 heeft het BFT het definitieve rapport verzonden, bij de kamer ingekomen op 15 april 2013.
  11. De voorzitter heeft in voornoemd tekort aanleiding gezien voor het opleggen van een ordemaatregel tot schorsing van de oud-notaris in de uitoefening van zijn ambt voor onbepaalde tijd met ingang van 16 april 2013. Zijn beslissing van 15 april 2013 is door de kamer bekrachtigd op 2 mei 2013.
  12. Aan de oud-notaris is op zijn verzoek bij Koninklijk Besluit ontslag verleend uit het notarisambt met ingang van 1 mei 2013.
  13. In juni 2013 is, op verzoek van de oud-notaris, de onderhavige klacht aangehouden in afwachting van het strafrechtelijk onderzoek tegen [X]/[Y].
  14. Op 23 juli 2013 is het faillissement van de oud-notaris uitgesproken.
  15. Bij beslissing van 4 februari 2014 heeft de notariskamer van het gerechtshof Amsterdam aan de oud-notaris de maatregel van ontzetting uit het ambt opgelegd. Het hof overwoog daartoe het volgende: “5.1 Het hof stelt vast dat de notaris zich in deze zaak in feite als instrument van [X] heeft laten gebruiken. Dit valt af te leiden uit het feit dat de notaris [X] telkens heeft verdedigd en hierbij zelfs onwaarheden en onjuistheden aan klagers heeft verkondigd. Met name de onjuiste mededeling van de notaris omtrent de overboeking door de Zwitserse bank Julius Bär van aan [X] toebehorende gelden, is hiervan een voorbeeld. Daarnaast heeft de notaris nagelaten de identiteit van [X] nader te onderzoeken. Verder heeft de notaris geen verklaring gegeven voor de diverse valse documenten die zich op zijn kantoor bevonden. Een notaris dient gewapend te zijn met een gezonde dosis wantrouwen, en zeker de omstandigheid dat [X] zich eerst voordeed als zeer rijke erfgename en het vervolgens deed voorkomen alsof zij over een wiskundige gave zou beschikken, waarvoor de Nederlandse staat haar een exorbitant groot geldbedrag zou hebben toegekend, had voor de notaris aanleiding moeten zijn om de gegoedheid en de achtergrond van [X] nader te onderzoeken alvorens daaromtrent mededelingen aan klagers te doen, te meer nu de notaris ermee bekend was dat [X] ook niet aan haar uit eerder gesloten koopovereenkomsten voortvloeiende verplichtingen had voldaan. Dat de notaris een en ander heeft nagelaten valt hem zeer ernstig aan te rekenen. Alhoewel de notaris heeft aangevoerd dat hij steeds overtuigd was van de gegoedheid van [X] en dat hij zelf het slachtoffer is geworden van oplichting, heeft de notaris nagelaten nader te onderbouwen op welke gronden hij overtuigd was/kon zijn van de gestelde gegoedheid en op welke wijze de vermeende oplichting door [X] (en haar mededaders) heeft plaatsgevonden. Ook is onduidelijk gebleven welke omstandigheid of gebeurtenis de notaris in deze de ogen zou hebben geopend. De enkele verklaring dat de oplichting door [X] hem “met geweld is getoond” is in dit verband niet zeer verhelderend. Ook is het wonderlijk — en onweersproken gebleven - dat klager sub 1 in april 2013 is benaderd door ene professor [naam professor], die zich voordeed als fraude-expert en crimineel analist voor verschillende (overheids)instanties en belast met het onderzoek naar de grootschalige fraudezaak van [X], terwijl de KNB desgevraagd aan klager sub 1 heeft bevestigd deze persoon enkel als adviseur van de notaris te kennen. Ook deze gang van zaken heeft een groot aantal — onbeantwoord gebleven - vragen opgeleverd. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de kamer terecht heeft geoordeeld dat het in strijd is met de eer en het aanzien van het notarisambt dat de notaris heeft meegewerkt aan een transactie onder de omstandigheden als de onderhavige. De handelwijze van de notaris in deze zaak is een notaris onwaardig en schaadt bovendien het vertrouwen in het notariaat in zeer ernstige mate. Die handelwijze raakt daarmee de fundamenten van het rechtsverkeer, aangezien de deelnemers aan het rechtsverkeer erop moeten kunnen vertrouwen dat een notaris geen onjuiste en/of ongefundeerde mededelingen doet. De kamer heeft de klacht daarom terecht gegrond verklaard. 5.2. Anders dan de kamer acht het hof, gelet op de aard en de ernst van de tuchtrechtelijk laakbare handelwijze van de notaris, de maatregel van ontzetting uit het ambt passend en geboden. Het hof beschouwt het feit dat de notaris (blijkbaar) zelf het slachtoffer is geworden van oplichting in dit verband niet als een verzachtende omstandigheid, aangezien (bij uitstek) een notaris, gezien zijn functie in het rechtsverkeer, ervoor dient te waken dat hem iets dergelijks overkomt.”
  16. Op 3 juli 2014 heeft (de meervoudige strafkamer van) de rechtbank Amsterdam [X] vrijgesproken van de haar tenlastegelegde oplichting. De rechtbank heeft daartoe (onder meer) vastgesteld en overwogen: “ Door [de oud-notaris, KvN], destijds notaris te Amsterdam, is op 25 maart 2013 aangifte gedaan tegen verdachte wegens oplichting. Die beschuldiging, zoals ook tot uitdrukking gebracht in de tenlastelegging, houdt — heel kort gezegd — in dat verdachte zich (presenterend als mevrouw [X], KvN]) heeft voorgedaan als financier en/of koopster van een drietal panden. Daarbij heeft ze volgens [de oud-notaris] doen voorkomen, onder meer door het tonen van een (vals of vervalst) bankafschrift met een saldo van ongeveer 36 miljoen euro, dat ze voldoende geld had. Betaling bleef echter uit, maar verdachte deed tevens voorkomen dat ze vanwege een speciale gave kon rekenen op (financiële) steun van de overheid. Via e-mails en chatgesprekken, waarbij verdachte zich voordeed als Rutte, Dijsselbloem, Van Miltenburg en Zalm, is aan de notaris gevraagd zijn medewerking te verlenen aan dit bijzondere dossier en, ter verzekering van een goede afronding daarvan, geld over te maken. [De oud-notaris] is er volgens eigen zeggen op enig moment van overtuigd geraakt met de Nederlandse overheid van doen te hebben gehad, waardoor hij uiteindelijk diverse betalingen van in totaal ongeveer € 870.000,- euro, afkomstig van zijn derdengeldrekening, heeft gedaan op rekeningen waarover verdachte kon beschikken. (…..) Naast genoemde documenten zijn tijdens de besprekingen uitdraaien van chatgesprekken getoond. Verdachte was hierbij overigens niet aanwezig. Het betreft chatgesprekken tussen [de oud-notaris] en onder andere Mark Rutte en Gerrit Zalm. In deze gesprekken wordt gesproken over verdachte en de gelden die door de overheid zullen worden vrijgemaakt. Verdachte heeft bevestigd dat zij zelf deelnam aan chatgesprekken en ook emailverkeer met [de oud-notaris], waarbij zij zich voordeed als Mark Rutte en de overige in de tenlastelegging genoemde personen. Tijdens deze chatgesprekken en/of emailverkeer is aan [de oud-notaris] gevraagd geld over te maken. Dat laatste heeft [de oud-notaris] gedaan. In de periode van juli 2012 tot en met maart 2013 heeft hij een totaalbedrag van € 870.300,90 overgemaakt naar rekeningen (op naam van [[N], KvN],[[O], KvN] en [[P], KvN]). Verdachte kon over deze rekeningen beschikken en heeft in elk geval het merendeel van dit geld opgemaakt door gokken in het casino of via goksites. (…) De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er weliswaar bewijs is voor de oplichting door verdachte van notaris [de oud-notaris], maar dat hij uit de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging heeft gekregen dat [de oud-notaris] daadwerkelijk is opgelicht. De officier van justitie noemt daarbij als voornaamste argumenten dat het verhaal dat verdachte zou hebben gepresenteerd — waaronder haar bijzondere gave — uit zichzelf zeer ongeloofwaardig is, dat de overgelegde documenten (voornoemd bankafschrift en IND besluit) onmiskenbaar vals waren, dat de chatsessies gevoerd werden via Google Talk en dat de notaris door de kopers verscheidene malen is gewaarschuwd, dat het verhaal niet deugde. De officier van justitie vraagt daarom vrijspraak van oplichting. (..) Gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken en de daarbij door [de oud-notaris, KvN] en verdachte ingenomen standpunten zijn er twee scenario’s denkbaar, die beide op het eerste gezicht onwaarschijnlijk voorkomen. Ten aanzien van het scenario van verdachte stelt de rechtbank voorop dat verdachte heeft verklaard dat twee andere personen bij het tenlastegelegde betrokken zouden zijn geweest. Over geen van beide — ondanks herhaald aandringen, onder meer ter terechtzitting — wil verdachte nader verklaren. Verdachte heeft daardoor welbewust de mogelijkheid nader onderzoek te doen naar het door haar geschetste scenario geblokkeerd. Voorts heeft te gelden dat in het scenario waarin [de oud-notaris] verdachte geheel zou hebben geïnstrueerd, bezwaarlijk valt te begrijpen welk motief de notaris gehad zou kunnen hebben om gelden vanaf zijn derdengeldrekening aan haar over te boeken. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat de betreffende derdengelden voortkwamen uit reguliere notariswerkzaamheden, zodat een (poging) tot witwassen door de notaris niet aannemelijk is. Ook is er geen enkele aanwijzing dat de notaris gepoogd heeft de overboekingen te verhullen. Bij de rechtbank is het beeld ontstaan van verdachte als een intelligente, mondige vrouw met een uitstekende taalbeheersing. Uit de opgenomen telefoongespreken, die gedeeltelijk ter zitting zijn afgespeeld, komt verder naar voren dat zij bijzonder gemakkelijk onwaarheden vertelt. Zo vertelt verdachte aan een van de verkopers met ogenschijnlijk het grootste gemak, inclusief allerhande details, dat zij eindelijk haar paspoort heeft. Zij heeft dat die dag op de valreep, met heel veel moeite, gekregen en heeft het paspoort feitelijk in handen. Van dit verhaal aan de verkoper is echter in het geheel niets waar, zoals verdachte ter zitting heeft toegegeven. De verklaring van verdachte, dat zij óók dit soort telefoongesprekken voerde na voorafgaande instructies van [de oud-notaris] acht de rechtbank ongeloofwaardig. Verdachte moet kortom in staat worden geacht eigener beweging en met een zekere overtuigingskracht onwaarheden te presenteren. De rechtbank acht daarom niet onaannemelijk dat zij in enige mate psychische druk op [de oud-notaris] heeft kunnen leggen. Bovendien is het verdachte die heeft geprofiteerd van de door [de oud-notaris] overgeboekte gelden. Dat verdachte zoals zij ter zitting heeft verklaard niet in het geld geïnteresseerd was en slechts heeft geprobeerd zo snel mogelijk van het geld “af te raken”, is ronduit onaannemelijk. Dat zij tenslotte een bedrag van ongeveer € 200.000,- contant aan de notaris zou hebben teruggeven is op geen enkele wijze door haar onderbouwd. Het voorgaand pleit dus meer voor het door [de oud-notaris] geschetste scenario. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat ook indien daarvan wordt uitgegaan, de ten laste gelegde oplichting niet bewezen kan worden verklaard. Ter toelichting geldt het volgende. Uit de aangifte en verklaringen van [de oud-notaris] volgt dat hij tot het overmaken van geld is gekomen door het totaal van hetgeen hem in de vele contacten met verdachte, en haar — als zodanig gepresenteerde — familie, is voorgespiegeld. De vraag is dus of dit geheel van leugens een samenweefsel van verdichtsels kan opleveren, waardoor de notaris tot het overmaken van het geld is bewogen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2014 stelt de rechtbank het volgende voorop. Voor het antwoord op de vraag of uit door verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van een goed als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen niet dat de onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, zodanig vertrouwenwekkend en geraffineerd waren dat deze [de oud-notaris], mede gelet op hetgeen gezien zijn ambt en ervaring als notaris van hem mocht worden verwacht, geen aanleiding hadden moeten geven de onwaarheid te onderkennen en zich daardoor niet te laten bedriegen. Laat staan dat hetgeen hem werd voorgespiegeld zodanig was dat hij daarin aanleiding kon vinden, zonder gedegen onderzoek, de onder hem als notaris berustende derdengelden aan te wenden voor de gevraagde betalingen. Hiertoe is in de eerste plaats van belang dat hetgeen verdachte, zoals hierboven weergegeven, [de oud-notaris] zou hebben doen geloven reeds op zichzelf onwaarschijnlijk is vanwege het uiterst fantasievolle karakter van de verschillende — nimmer deugdelijk onderbouwde — mededelingen, in het bijzonder de rekenkundige gave van verdachte ter waarde van miljoenen euro’s. Verdachte heeft zich zelfs nimmer kunnen legitimeren. Alleen al dat gegeven had [de oud-notaris], als goed handelend notaris, ertoe moeten bewegen zijn activiteiten te staken. Daarbij komt nog dat de stukken die verdachte zou hebben overgelegd tal van vragen oproepen. Bijvoorbeeld is ten aanzien van het stuk van de IND al op het eerste gezicht, en zonder enige twijfel, duidelijk dat dit niet van die instantie afkomstig kan zijn. Voorts hebben de eerdergenoemde verkopers de notaris meermalen gewezen op de gebrekkigheid van verdachtes mededelingen en bijvoorbeeld de onwaarschijnlijkheid van de door [de oud-notaris] beweerdelijk gevoerde chatsessies. Ten slotte zijn pogingen van [de oud-notaris] om het hem voorgespiegelde verhaal bevestigd te krijgen, gedurende een reeks van maanden vruchteloos gebleken. Dat bijzondere omstandigheden gelegen in de persoon van [de oud-notaris] tot een ander oordeel zouden moeten leiden is niet aannemelijk geworden. Uit de stukken blijkt niet van een bijzondere psychische gesteldheid en evenmin dat [de oud-notaris] anderszins een bijzondere kwetsbaarheid zou hebben gehad voor hetgeen hem werd voorgespiegeld. Gelet op dit oordeel van de rechtbank, dat betrekking heeft op het geheel van wat [de oud-notaris] zou zijn voorgespiegeld, kunnen ook de overige in de tenlastelegging genoemde oplichtingsmiddelen, die op onderdelen daarvan betrekking hebben, niet tot bewezenverklaring van oplichting leiden.”
  17. De rechtbank Amsterdam heeft [X] bij voornoemde uitspraak veroordeeld voor witwassen en heling met oplegging van een gevangenisstraf van twee jaar. [X] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan.
  18. Op 7 augustus 2014 heeft de curator in het faillissement, mr. F. Kemp (hierna: de curator), in zijn vierde verslag ex artikel 73A Faillissementswet onder meer verklaard: “De curator is van mening, dat het BFT op ernstige wijze is tekortgeschoten in zijn toezichthoudende taak en dat het door Blijleven ingeschakelde accountantskantoor onvoldoende zorgvuldig heeft geopereerd.” De curator meent ook dat het BFT het onderhavige onderzoek op onvolledige wijze heeft verricht: “ In zijn rapport van 12 april 2013 vermeldt het BFT dat het zijn onderzoek heeft gericht op de financiële aspecten die aanleiding hebben gegeven tot het bewaringstekort; de zaak Rutte derhalve. BFT schrijft dat het zijn onderzoek heeft uitgevoerd door interviews. Het BFT berekende een bewaringstekort per eind maart 2013 op negatief € 1.227.896,-- en schrijft in zijn rapport dat deze bewaringspositie is ontstaan door: • vijf betalingen ad € 209.438 begin 2013 (die waren gedaan in de Rutte zaak), • eerdere betalingen tot een bedrag van € 871 .000 in de Rutte zaak, • een onterechte verrekening van € 117.500. De curator meent dat het BFT dit onderzoek op onzorgvuldige en onvolledige wijze heeft verricht. Die mening wordt als volgt toegelicht. Bij het BFT-rapport zijn bijlagen gevoegd, waaronder een cliëntenkaart in dossier D. Op die kaart staan 22 betalingen voor een bedrag van € 376.199,--. Dat zijn onrechtmatige betalingen in de kwestie Rutte. Aanstonds valt op, dat deze betalingen gedaan zijn lang voordat dossier D werd geopend en bovendien voordat er op het dossier betalingen waren ontvangen. Dat laatste is een administratieve onmogelijkheid, die het BFT ten onrechte heeft genegeerd. Duidelijk is, dat de betalingen eerder in een ander dossier en ten laste van een andere cliënt waren geboekt. Ook valt op, dat in dit dossier een dubbele betaling van een bank (ad € 482.000,-- voor hypotheek) is ontvangen, welke tweede ontvangst echter niet als schuld aan de bank, maar aan de cliënt in dossier D is geboekt. Dat is onjuist. Het BFT heeft daarnaar geen onderzoek gedaan, terwijl duidelijk is, dat door deze laatste, foutieve boeking de onrechtmatige debiteringen onzichtbaar waren gemaakt en verhuld was, dat de bewaringspositie eind 2012 al zwaar negatief was. Er valt nog iets op aan het rapport. Op de bijlagen staan boekingen die gedaan zijn onder vermelding van ‘recl hon’. Dat betekent reclassificatie honorarium. Deze opmerkelijke kwalificatie had bij het BFT tot de vraag moeten leiden, hoe en waarom honorarium in een suspect dossier gereclassificeerd kan worden. Het BFT heeft al deze signalen genegeerd en zich beperkt tot de betalingen die zijn gedaan in twee verdachte dossiers. Daarmee is een verkeerde berekening van het tekort gemaakt. Ook nadat de curator het BFT op deze signalen heeft gewezen en verzocht om nader onderzoek, heeft het BFT niets ondernomen. Het BFT voert aan daartoe niet gehouden te zijn en negeert dus zijn jarenlange wetenschap van misstanden op het gebied van eigen vermogen, liquiditeit en solvabiliteit. Direct gevolg van deze tekortkoming is, dat de waarnemers, opvolgende notaris en curator onder nodeloos moeilijke omstandigheden hebben moeten opereren en gedupeerde cliënten nog steeds geen duidelijkheid hebben over de omvang van hun schade.(..)”
  19. De curator heeft in voornoemd verslag tevens zelf onderzoek verricht en meldt daarover in het verslag onder meer het volgende: “• Aan geen van deze 22 voornoemde Rutte betalingen lagen facturen of onderbouwingen ten grondslag. Dat was de accountant bekend. Het doen van dergelijke betalingen is niet toegestaan. • De 22 debiteringen zijn alle op dezelfde dag overgeboekt van het ene naar het andere dossier. • Op dezelfde dag zijn ook de twee betalingen die van de bank waren binnengekomen, in hetzelfde dossier geboekt. • In dit dossier staan boekingen met de omschrijving reclassificatie honorarium. De curator meent, dat de accountant hierbij onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Uit overzichten van omzetgrootboekrekeningen en historische mutaties blijkt, dat er veel omzet is geboekt met deze omschrijving (‘recl hon’). In 2012 ging het daarbij om een bedrag van € 312.000,--. Voor deze boekingen zijn geen declaraties gemaakt of verzonden. Er was ook geen voorafgaande toestemming van de betreffende cliënten voor deze betalingen (hoewel het gebruik van het woord verrekeningen wellicht juister is, wordt hier het woord betalingen gebruikt). De betalingen zijn vaak als omzet geboekt via het dagboek memoriaal of het dagboek bank. Dat is onjuist. Blijleven heeft verklaard, dat hij al jarenlang op deze wijze omzet boekte en dat de betalingen zagen op daadwerkelijk verricht werk. Hij deed dat in goed vertrouwen in de cliëntrelaties. B zou aan hem hebben verklaard, dat dit zo mocht. De accountant heeft echter verklaard, dat hij weliswaar wist dat deze betalingen werden gedaan zonder dat er een factuur aan ten grondslag lag, maar dat hij Blijleven erop had gewezen, dat dat juist niet mocht. Bij het opstellen van de kwartaaloverzichten voor het BFT werd voor het vaststellen van de bewaringspositie door B geen gebruik gemaakt van de module die Quantaris daarvoor in de applicatie Qu-bis ontwikkeld heeft. De bewaringspositie werd op andere wijze, handmatig berekend en vastgesteld. Dat leidt tot grote verschillen omdat volgens de module van Qu-bis sprake was van een negatieve bewaringspositie, terwijl die volgens de handmatige methode positief was. Welke methode ook zou zijn gebruikt; tussentijds, dus aan het eind van andere maanden dan na afloop van een kwartaal, was er met regelmaat sprake van een groot tekort op de bewaringspositie. Dat is niet door de accountant gemeld aan het BFT en ook Blijleven heeft verklaard, dat hij daar nooit op is gewezen. De juist omvang van het tekort kan door de curator niet worden berekend. Het is aannemelijk, dat de administratie al gedurende langere tijd op deze – onjuiste – wijze is gevoerd. Overigens heeft de curator begrepen dat het bewaringstekort door de protocolontvanger (de opvolgend notaris) inmiddels is berekend op € 1,9 miljoen.”

3. Bevindingen van het BFT en de klacht

3.1 Volgens opgave van de notaris in DiginBFT (de online applicatie van het BFT) en zoals verkregen van BNA bedroeg de bewaringspositie van de notaris per 31 december 2012 € 33.901,- positief (hetgeen later onjuist bleek te zijn, zie onder 3.4).  Per 18 maart 2013 bedroeg de bewaringspositie volgens het overzicht dat het BFT van DNA heeft verkregen  € 1.227.896,- negatief.

Bij het onderzoek heeft het BFT de financiële aspecten onderzocht die hebben geleid tot voornoemd bewaringstekort.

Het BFT heeft vastgesteld dat de bewaringspositie in de loop van het boekjaar 2012 negatief is geworden en dat sindsdien tot de datum van de rapportage een negatieve bewaring heeft bestaan. Volgens berekening van het BFT bedroeg de bewaringspositie per eind maart 2013 ongeveer € 1.250.000,- negatief.

Deze negatieve bewaringspositie is mede ontstaan door de volgende posten:

  • Begin 2013 is in vijf delen een bedrag van in totaal € 209.438,- overgeboekt van de derdengeldrekening(en) naar de bankrekening(en) van kantoor (bijlage I bij het rapport);
  • Door de oud-notaris is vanaf eind september 2012 een aantal betalingen tot een bedrag van € 871.000,- verricht vanaf de derdengeldrekening(en) (bijlage II bij het rapport);
  • In een dossier, genaamd “[A]” is op 19 december 2012 een bedrag van € 2.208.750,- overgemaakt. Na overboeking restte in dit een dossier een bedrag van € 117.500,-, te verrekenen met de opdrachtgever, welk bedrag echter, zo begrijpt de kamer, ten onrechte in mindering is gebracht op de bewaarplicht omdat het als honorarium is aangemerkt.

Volgens het BFT heeft de oud-notaris aldus gehandeld in strijd met artikel 23 lid 1 Wna jo artikel 13 van de Verordening beroeps- en gedragsregels 2011 (hierna: Vbg). Ingevolge artikel 23 lid 1 Wna is het de notaris immers verboden, rechtstreeks of middellijk, handelingen te verrichten waarvan hij redelijkerwijs moet verwachten dat zij ertoe kunnen leiden, dat hij te eniger tijd niet zal kunnen voldoen aan zijn financiële verplichtingen, terwijl op grond van artikel 13 Vbg de aan de notaris toevertrouwde gelden op een bijzondere rekening dienen te worden bewaard en te allen tijde ten volle in geldmiddelen aanwezig dienen te zijn.

3.2 De oud-notaris heeft eveneens in strijd met artikel 25 lid 2 Wna jo artikel 5 van de Administratieverordening gehandeld, omdat hij ten laste van de derdengeldrekening betalingen heeft verricht zonder opdracht van rechthebbenden en zonder dat hij deze gelden onder zich had.

3.3 De oud-notaris heeft voorts in strijd met artikel 25 lid 3 Wna gehandeld, omdat hij het tekort in het saldo op de derdengeldrekening niet terstond heeft aangevuld.

3.4 Ten slotte heeft de oud-notaris in strijd met artikel 2 Vbg gehandeld door aan het BFT aan het eind van het vierde kwartaal van 2012 onjuiste informatie te verschaffen over de financiële positie en de bewaringspositie van het notariskantoor. De onder verantwoordelijkheid van de oud-notaris op 30 januari 2013 opgegeven  cijfers in DiginBFT geven een onjuiste weergave van de bewaringspositie per 31 december 2012. Er was namelijk sprake van een negatieve stand van de bewaringspositie en niet, zoals opgegeven, van een positieve stand.

Dit is in strijd met de zorgvuldigheid die een notaris betaamt. Tevens is er sprake van een zodanig handelen dat het vertrouwen in het notariaat en de eigen beroepsuitoefening wordt geschaad, aldus het BFT.

4. Het verweer

4.1 De oud-notaris heeft in zijn verweerschrift van 18 september 2014 de gang van zaken beschreven, zoals door hem ervaren, in de zaak [X]. Deze zaak ziet hij als het dossier dat hem fataal is geworden. Van dit in totaal naar zeggen van de oud-notaris 10 ordners dikke dossier heeft de oud-notaris een samenvatting van 200 bladzijden gemaakt van -voornamelijk- de beweerdelijk door de oud-notaris gevoerde google talk-, sms- en e-mailgesprekken met personen die zich voordeden als vooraanstaande leden van regering, politiek en bedrijfsleven, die als bijlage I bij het verweerschrift is gevoegd.

4.2 De oud-notaris heeft als volgt op de bevindingen van het BFT gereageerd:

  • Het bedrag van € 871.000,- , vermeld in de klacht van het BFT betreft overboekingen, gedaan in het dossier [X]. De oud-notaris verwijst naar voornoemde samenvatting. Hij meent dat er sprake was van oplichting door [X].
  • Het bedrag van € 209.438,- is eveneens veroorzaakt door het dossier [X]. Tot het eerste kwartaal 2013 wist de oud-notaris elk kwartaal exact hoeveel omzet er was en hoeveel zijn uitgaven waren. Tot ongeveer een paar duizend euro nauwkeurig, aldus de oud-notaris. Door het dossier [X] heeft de oud-notaris het eerste kwartaal van 2013 niet of nauwelijks gedeclareerd, terwijl hij wel opnamen heeft gedaan voor de gewone lopende uitgaven (ad € 209.438,-).
  • Met betrekking tot het bedrag van € 117.500,- , in het dossier met de naam ‘[A]’ voert de oud-notaris aan dat het gebruikelijk was in het geval dat een dossier een potentieel vermogen in zich had dat liquide kon worden gemaakt, bijvoorbeeld de verkoop van een registergoed in een nalatenschap waarin verder geen liquide middelen waren, dat in overleg met BNA een declaratie (van bij voorbeeld 100 uur) werd geboekt, waardoor het dossier tijdelijk negatief stond totdat de verkoop was gerealiseerd. Ook in het onderhavige dossier was sprake van een vermogens-bestanddeel dat zou worden verkocht en waarin de oud-notaris veel  werkzaamheden had gehad. Hij heeft op voorhand een declaratie uitgeschreven van € 100.000,- vermeerderd met btw. Toen dat een onderdeel begon uit te maken van de bewaringspositie heeft BNA de oud-notaris voorgesteld om de declaratie maar weer terug te boeken, waarmee de oud-notaris akkoord is gegaan. Naar zijn weten moet de btw nog worden teruggevraagd.

4.3 In zijn aanvullend verweerschrift benadrukt de oud-notaris nimmer enige benadeling van en/of enige onjuiste informatieverstrekking aan cliënten, de accountant, het BFT, en/of enige andere partij voor ogen te hebben gehad.

De oud-notaris meende te handelen conform geldende wet- en regelgeving en heeft te goeder trouw gehandeld. Onvoldoende financieel economische kennis aan de zijde van de oud-notaris en onvoldoende begeleiding en toezicht door accountant en het BFT hebben geleid tot de situatie zoals uiteengezet door het BFT en de curator.

4.4 De oud-notaris voert aan dat de curator in het faillissementsverslag d.d. 7 augustus 2014 heeft gesteld, kort gezegd, dat het BFT eerdere signalen uit voorgaande jaren (2008 - 2011) waaruit blijkt dat er sprake was van onvoldoende financiële ratio’s, heeft genegeerd.

Uit stukken en gevoerde correspondentie is aan het BFT gebleken dat de financieel economische kennis van de oud-notaris gebrekkig was, zo luiden ook de bevindingen van de curator.

De accountant noch het BFT hebben aanleiding gezien de begeleiding van de oud-notaris zodanig op orde te brengen dat hij weer is gaan handelen conform geldende wet- en regelgeving, aldus de curator. Hij heeft niets kunnen waarnemen van enig verscherpt toezicht op de oud-notaris. De curator stelt dat BFT ernstige signalen heeft veronachtzaamd. De curator oordeelt dat het toezicht op de oud-notaris door het BFT in onvoldoende mate onafhankelijk, transparant, selectief en slagvaardig is geweest.

4.5 Ook de begeleiding en controle door de accountant was onvoldoende zorgvuldig, aldus de curator. Zo werd voor het vaststellen van de bewaringspositie voor opgave aan het BFT (klachtonderdeel 3.4 hiervoor vermeld) door de accountant geen gebruik gemaakt van de module die Quantaris daarvoor in de applicatie Qu-bis heeft ontwikkeld.

De bewaringspositie werd op een andere wijze, handmatig, berekend en vastgesteld.

Dit heeft geleid tot aanzienlijke verschillen nu handmatig een positieve bewaringspositie werd berekend, terwijl volgens de module Qu-bis sprake zou zijn van een negatieve positie. De oud-notaris is hierop door de accountant nimmer gewezen. De accountant heeft zulks ook niet gemeld aan BFT (zie voornoemd verslag curator), terwijl de accountant van de oud-notaris zelf jarenlang werkzaam is geweest bij het BFT.

Onder de gegeven omstandigheden was het voor de oud-notaris niet duidelijk dat er sprake was van onvoldoende financiële kennis teneinde te kunnen voldoen aan geldende wet- en regelgeving.

4.6 De oud-notaris meent dat hem, na uitspraak van het faillissement en de beslissing van het hof van 4 februari 2014, waarin het hof hem heeft ontzet uit zijn functie, de kans is ontnomen om zelfstandig orde op zaken te stellen betreffende zijn bewaringspositie.

Het thans in deze zaak nogmaals opleggen van ontzetting uit het ambt, of enige andere maatregel, dient geen enkel doel. De oud-notaris heeft eerder, nadat hem duidelijk was geworden dat hij onder gegeven omstandigheden geenszins meer kon functioneren als notaris, reeds zelf zijn ontslag ingediend en het protocol neergelegd. De oud-notaris is van mening dat het vertrouwen in het notariaat ernstig is geschaad door deze gehele affaire.

[X] heeft op uiterst geraffineerde wijze de oud-notaris zover weten te krijgen dat door hem gelden van de kwaliteitsrekening naar haar, of naar door haar beheerde/gecontroleerde bankrekeningen zijn overgemaakt. Het is naar de mening van de oud-notaris onmogelijk dat [X] alleen heeft gehandeld. Door de handelswijze van [X] c.s. is de oud-notaris ook persoonlijk financieel en emotioneel geruïneerd.

De door [X]/[Y] gehanteerde oplichtingsmethodiek valt aan te duiden als een variant van de zogenaamd Nigeriaanse fraude of 419-scam. Daar waar slachtoffers (aanzienlijke) schulden maken draagt het bestaan van een (aanzienlijke) schuld juist bij tot het blijven maken van méér schulden. In de ogen van het slachtoffer is er geen weg meer terug nadat er zoveel schulden zijn gemaakt, en is de door de oplichter beloofde uitkomst de enige uitweg. Naast de financiële schade is er vaak ook emotionele schade, zo ook bij de oud-notaris.

Het slachtoffer durft niemand meer te vertrouwen. Het komt in zaken zoals deze dan in de praktijk meermaals voor dat het slachtoffer zich wanhopig blijft vastklampen aan het door de oplichter(s) uiteengezette ‘feitencomplex’, ook als een derde het slachtoffer inmiddels op de ware feiten heeft gewezen. Slachtoffers komen soms in de verleiding geld te verduisteren teneinde te kunnen betalen. Ze doen dit bijvoorbeeld door via een bankrekening van de werkgever te betalen, of uit onder beheer staande gelden van derden. Ze geloven er heilig in dat het saldo binnen korte tijd weer kan worden aangevuld. Het geld komt echter niet. Sommige slachtoffers zijn zelf strafrechtelijk vervolgd omdat ze verduistering hebben gepleegd.

4.7 De functie c.q. de doelstelling van het tuchtrecht is juist, gezien de hier aanwezige bijzondere omstandigheden, waarin de oud-notaris slachtoffer is geworden van de geraffineerde handelswijze van [X]/[Y] c.s., niet gebaat met opleggen van een tuchtrechtmaatregel aan de oud-notaris.

De oud-notaris voert aan dat hij de problematiek niet wil externaliseren, maar dat niet voorbij kan worden gegaan aan het tekortschieten van het BFT in diens taakuitoefening jegens hem.

Daarom verzoekt de oud-notaris primair de kamer om het BFT niet-ontvankelijk te verklaren in de klacht(onderdelen), subsidiair om indien de kamer van oordeel zou zijn dat het BFT wel ontvankelijk dient te worden verklaard, niet over te gaan tot het opleggen van enige tuchtrechtelijke maatregel .

  1. De beoordeling

5.1 Ingevolge artikel 93 lid 1 Wna zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens de Wna gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van diegenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt.

Notarissen die niet meer als zodanig werkzaam zijn, blijven aan de tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig in artikel 93 lid 1 Wna bedoeld handelen of nalaten gedurende de tijd dat zij als zodanig werkzaam waren (artikel 93 lid 2 Wna).

5.2 De kamer is van oordeel dat de hierboven onder 3 vermelde klachtonderdelen gegrond zijn. Vast is komen te staan dat de oud-notaris derdengelden niet op zijn derdengeld-rekening heeft aangehouden, maar dat hij ten laste van de derdengeldrekening de in de klacht omschreven betalingen heeft verricht zonder opdracht van rechthebbenden, alsmede dat hij het tekort in het saldo op de derdengeldrekening niet terstond heeft aangevuld. Eveneens is komen vast te staan dat de oud-notaris eind 2012 aan het BFT een foutieve kwartaalrapportage heeft geleverd.

5.3 De oud-notaris heeft de klachtonderdelen niet weersproken, maar heeft benadrukt te allen tijde integer en te goeder trouw te hebben gehandeld en te willen handelen. Hij voert aan dat zijn financieel economische kennis gebrekkig was, zodat hem niet duidelijk was dat hij niet aan de geldende wet- en regelgeving voldeed. BNA noch BFT hebben hem  tijdig op het tegendeel gewezen; de oud-notaris stelt dat zij zijn tekortgeschoten in begeleiding en financieel toezicht. Uiteindelijk heeft de zaak ‘[X]’ hem financieel, sociaal en emotioneel geruïneerd. De oud-notaris schaamt zich dat hij in die zaak derdengelden heeft aangewend omdat hij ‘in de val is getrapt’ en dat hij daarmee het vertrouwen in het notariaat heeft geschaad. De oud-notaris heeft in die zaak “onder uiterst bijzondere omstandigheden gehandeld”, zoals door hem uitvoerig uiteengezet in zijn verweerschrift. De oud-notaris heeft de kamer verzocht met deze bijzondere omstandigheden in haar uitspraak rekening te houden omdat d e functie c.q. de doelstelling van het tuchtrecht niet gebaat zou zijn met het opleggen van een tuchtrechtmaatregel aan hem.

5.4 De kamer is van oordeel dat de hiervoor genoemde bijzondere omstandigheden de oud-notaris niet disculperen. Met het BFT is de kamer van oordeel dat het doel en de functie van het tuchtrecht met zich brengen dat de behandeling van een klacht (behoudens intrekking – tenzij de kamer in dat geval oordeelt dat het algemeen belang de voortzetting van de behandeling vordert) wordt voortgezet, ook al heeft de notaris op welke wijze dan ook het ambt verlaten, ter waarborging van de integriteit en het vakmanschap van de daaraan onderworpen beroepsbeoefenaren en het vertrouwen van het publiek daarin.

Ook het verwijt van de oud-notaris aan BNA of het BFT, wat daar verder van zij, disculpeert de oud-notaris niet en is evenmin grond voor niet-ontvankelijkheid van het BFT: de oud-notaris had een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van zijn derdengeldrekening en diende te beschikken over voldoende financieel inzicht om het notarisambt uit te oefenen en zijn praktijk te voeren. Bij gebreke van zodanig inzicht zal een notaris zijn positie in het rechtsverkeer niet naar behoren kunnen bekleden omdat cliënten het vertrouwen moeten kunnen hebben dat een notaris met de aan hen toebehorende gelden veilig en verantwoord omgaat.

5.5 De klacht in de onderhavige procedure heeft een andere strekking dan die in de procedure die heeft geleid tot de beslissing van het gerechtshof Amsterdam van 4 februari 2014. Die klachtzaak betrof een klacht van een individuele verkoper (en zijn makelaar) over het handelen c.q. nalaten van de oud-notaris bij een van de kooptransacties waarbij [X] was betrokken. De huidige klachtzaak betreft de algehele financiële positie van de oud-notaris en de wijze waarop hij daarmee is omgegaan. Daaraan doet niet af dat die positie in het bijzonder was aangetast door betalingen uit zijn derdengeldrekening met name in de dossiers betrekking hebbende op die kooptransacties.

Ook al meent de oud-notaris dat het hof bij zijn beslissing in de eerdere klachtzaak - gezien het feit dat het de zwaarste maatregel heeft opgelegd – meer feiten heeft beoordeeld dan binnen de grenzen van de klacht aan de orde waren, toch is er, zoals de oud-notaris overigens zelf ook heeft erkend, geen sprake van “ne bis in idem”.

5.6 Gegrondheid van een ernstige klacht als de onderhavige behoort in het algemeen tot de zwaarste maatregel, ontzetting uit het ambt, te leiden en handelen van een notaris zoals hier aan de orde zal slechts bij hoge uitzondering verontschuldigbaar te achten zijn. Dat is in casu niet het geval. Door het handelen en nalaten van de oud-notaris is het vertrouwen in de rechtsbedeling, in het bijzonder die welke aan het notariaat is opgedragen, immers ernstig geschaad. De oud-notaris heeft er blijk van gegeven het vertrouwen dat het publiek moet kunnen stellen in een notaris en in de veilige bewaring van derdengelden, niet waard te zijn. Er is geen reden in het onderhavige geval een andere maatregel dan ontzetting op te leggen, nu de door de oud-notaris gemelde omstandigheden die tot zijn handelen hebben geleid hem naar het oordeel van de kamer niet verontschuldigen.

5.7 De kamer is van oordeel dat het feit dat de oud-notaris - nadat hem eerder bij KB ontslag was verleend - bij de in punt 5.5 gemelde beslissing van het hof uit het ambt is ontzet, niet aan het opleggen van de zwaarste maatregel in de weg staat. Artikel 103 Wna kent geen beperking in het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel, ook niet het voor een tweede keer opleggen van eenzelfde maatregel.

5.8 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

De kamer voor het notariaat:

-        verklaart de klacht gegrond;

-        legt aan de oud-notaris de maatregel van ontzetting uit het ambt op.

Deze beslissing is gegeven door mrs. O.J. van Leeuwen, voorzitter, E.R.S.M. Marres, R.H. Meppelink, E.E. von Wolzogen Kühr en P.J. van Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.B.T. Kienhuis, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2015.

Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam (postbus 1312, 1000 BH Amsterdam) binnen 30 dagen na de dag van verzending van de aangetekend verzonden

kennisgeving.