ECLI:NL:TGZRZWO:2015:76 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 210/2014

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2015:76
Datum uitspraak: 17-07-2015
Datum publicatie: 17-07-2015
Zaaknummer(s): 210/2014
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen huisarts. Verweerders waarschijnlijkheidsdiagnose na een spoedvisite bij een 80-jarige man is hartfalen. Hij schrijft furosemide voor en spreekt af dat de volgende dag met de praktijk zal worden gebeld. Patiënt belt de volgende dag met de assistente die afspreekt dat de volgende dag weer gebeld zal worden. Pal daarna komt patiënt te vallen en wordt hij opgenomen in het ziekenhuis met een myocardinfarct en intracraniële bloedingen. Het verwijt dat bij de visite een (dreigende0 hartaanval is gemist, treft geen doel. Wel had verweerder het verdere beloop beter moeten monitoren door zelf te bellen of naar hem te laten bellen in plaats van naar de assistente. Ook had verweerder ten onrechte geen afspraken gemaakt met de assistente, zijn echtgenote, in welke gevallen zij een gesprek met hem zal terugkoppelen. Waarschuwing.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 17 juli 2015 naar aanleiding van de op 7 november 2014 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B,

k l a a g s t e r

-tegen-

C , huisarts, werkzaam te B,

bijgestaan door mr. V.C.A.A.V. Daniëls, advocaat bij VvAA Rechtsbijstand te Utrecht,

v e r w e e r d e r 

1.    HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Dit blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift met de bijlagen (deel medisch dossier);

- het verweerschrift;

- het proces-verbaal van het op 27 januari 2015 gehouden gehoor in het kader van het  

   vooronderzoek;

- de brief van de VvAA d.d. 5 februari 2015.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 5 juni 2015, alwaar beide partijen zijn verschenen, verweerder bijgestaan door mr. Daniëls.

2.    DE FEITEN

Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Op 11 augustus 2014 heeft klaagster om 7.30 uur gebeld met de huisartsenpost aangezien haar man, geboren in 1934 en verder ook patiënt te noemen, sinds een halve week kortademig was, de vorige dag last had gehad van pijn op de borst en die nacht bij platliggen toenemend benauwd was waardoor hij steeds overeind moest komen. Patiënt had een voorgeschiedenis van hypercholesterolaemie en hartritmestoornissen. Patiënt gebruikte als medicatie acenocoumarol als bloedverdunner en crestor tegen de te hoge cholesterol. De huisartsenpost schreef de klachten toe aan chronische decompensatio cordis en verwees klaagster gezien het tijdstip naar de eigen huisarts.

Verweerder deed dienst voor de eigen huisarts, die met vakantie was. Klaagster heeft met de praktijk van verweerder gebeld. Klaagster gaf hierbij aan dat haar man zich afgelopen nacht kortademig voelde bij plat liggen en de vorige dag pijn op de borst had gehad en misselijk was geweest.

Verweerder heeft naar aanleiding van de aanvraag en de overdracht van de huisartsenpost een spoedvisite gebracht aan patiënt.

In het medisch dossier staat het volgende genoteerd:

‘S nachtelijk dyspneu, kan niet plat liggen ,nycturie

S 4maal, 2x POB gehad vasttzitten aan de

S ademhaling,giateren 3 maal overgegevn, geen

S koorts, geen diarrhee, geen oedemen

O geen oedemen SO2 92 pols irr 60/min basale

O crepitaties, verder ves ademenr

E hartfalen

P R/30 st furosemide tabl 40mg (1.1) rev afgesproken

O Van: CHRA

E Druk/beklemming toegeschreven aan hart (ex. RO2)’

Afgesproken werd dat de dag erna zou worden gebeld met de praktijk van verweerder om aan te geven of de klachten verminderd waren.

Op 12 augustus 2014 heeft patiënt zelf gebeld met de praktijk. Hij kreeg de assistente van verweerder (tevens zijn echtgenote) aan de lijn. Zij noteerde:

’S ondanks plaspil niet veel extra urine.

E klinkt niet kortademig

P belt morgeocjhtend opnieuw

In aansluiting op het telefoongesprek is patiënt naar de badkamer gegaan en is hij komen te vallen. Klaagster trof patiënt aan met een bloedende hoofdwond.

Patiënt is met de ambulance naar een academisch ziekenhuis gebracht. Daar werd de volgende conclusie getrokken: een cardiogene shock als gevolg van een groot ambulant doorgemaakt myocardinfarct en multipele intracraniële bloedingen ten gevolge van de val.

Wegens een infauste prognose en geen behandelbare opties is in overleg met klaagster gekozen voor een palliatief traject.

Patiënt is op 14 augustus 2014 overleden.

3.    HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt verweerder zakelijk weergegeven dat hij, zonder zich tevoren of achteraf goed in te lezen in het dossier van patiënt, na een zeer kortdurend en rommelig verlopen onderzoek een foute diagnose heeft gesteld bij patiënt. Op basis van de geuite lichamelijke klachten en de medische voorgeschiedenis had verweerder moeten inzien dat er bij patiënt sprake was van een (aankomend) hartinfarct. Voorts heeft verweerder verzuimd de bloeddruk van patiënt te noteren. De assistente had het telefoongesprek van de volgende dag, waarin patiënt ook heeft laten weten dat hij weer had overgegeven, meteen moeten terugkoppelen met verweerder. Ter zitting heeft klaagster nog een klacht geuit over het condoleancebezoek, ten weten dat verweerder niet tevoren de doodsoorzaak van patiënt had opgezocht.

4.    HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert zakelijk weergegeven aan dat hij in de differentiaaldiagnose op grond van de anamnese en de onderzoeksbevindingen een onderliggend of dreigend infarct als een van de mogelijke oorzaken van de klachten heeft kunnen verwerpen. Hij meent op 11 augustus 2014 een verantwoorde beslissing te hebben genomen. Op het verweer wordt voor het overige zo nodig hierna ingegaan.

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1          

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Wat het verwijt ter zake van de gemiste diagnose betreft overweegt het college het volgende. Het missen van de juiste diagnose hoeft op zichzelf niet zonder meer tot een tuchtrechtelijk verwijt te leiden. Indien echter de wijze waarop verweerder tot zijn, naderhand onjuist gebleken, diagnose is gekomen in strijd zou zijn met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame beroepsgenoot mag worden verwacht - rekening houdend met het hierboven weergegeven toetsingscriterium - kan een dergelijke klacht slagen.

5.3

Het is terecht dat verweerder na het telefoontje heeft besloten meteen een visite af te leggen. Gezien de geboden spoed heeft verweerder ermee mogen volstaan kennis te nemen van de probleem- en de medicatielijst van deze voor hem onbekende patiënt; dat patiënt bekend was met hypercholesterolaemie en cardiovasculaire ziekten gaf voor een spoedvisite voldoende achtergrondinformatie. Het onderzoek van verweerder zoals dit blijkt uit het journaal is afdoende geweest, ongeacht de duur van de visite waarover partijen het niet eens zijn. Wel had verweerder de bloeddruk moeten noteren, hoewel aannemelijk is dat verweerder wel de bloeddruk heeft opgenomen en deze niet verontrustend was. Het is alleszins verdedigbaar dat verweerder de klachten van patiënt heeft toegeschreven aan hartfalen. Met name treft de klacht, dat verweerder patiënt met deze waarschijnlijkheidsdiagnose acuut had moet insturen naar het ziekenhuis, geen doel.

5.4

Gelet op het klachtenpatroon bij een 80-jarige man met een cardiaal belaste achtergrond had verweerder echter wel het verdere beloop goed moeten monitoren. Hij had moeten afspreken dat de volgende dag niet met de assistente maar met hemzelf zou worden gebeld of dat hij zelf zou bellen. Bij de voorgeschreven medicatie op basis van de waarschijnlijksheidsdiagnose hartfalen had het, in de woorden van verweerder zelf ter zitting, de volgende dag beter moeten gaan. Dat was in dit geval niet zo. Over het gesprek is door de assistente niet veel genoteerd, behalve dat er ondanks de plaspil geen extra urine was en dat patiënt niet kortademig klonk. Als verweerder het verdere beloop zelf had gemonitord, had hij op grond van deze informatie begrepen dat zijn waarschijnlijkheidsdiagnose hartfalen mogelijk onjuist was. Hij had dan verdere vragen kunnen (en in dit geval moeten) stellen. Klaagster heeft met nadruk gesteld dat patiënt (door haar geïnstrueerd) in haar aanwezigheid heeft verteld dat hij weer had overgegeven, het is echter niet genoteerd door de assistente en verweerder ontkent het. Verweerder heeft echter niet deelgenomen aan het gesprek en daar zit precies het probleem. Verweerder had patiënt de vorige dag gezien en had, indien hij zelf patiënt te spreken had gehad, als arts verdere vragen kunnen (en in dit geval moeten) stellen. De assistente mist die achtergrond. De keuze om niet zelf te bellen of naar hem te laten bellen, maar de patiënt te laten bellen naar de assistente, was eens te meer risicovol omdat verweerder blijkens hetgeen ter zitting door hem is toegelicht, met zijn assistente geen duidelijke afspraken heeft gemaakt over de terugkoppeling van dit soort telefoongesprekken. Verweerder kon niet met zekerheid zeggen of en wanneer het telefoongesprek aan hem is teruggekoppeld. Bij verweerschrift heeft verweerder te kennen gegeven dat het telefoongesprek bij de overdracht die ochtend om 11.00 uur niet is doorgegeven omdat er geen sprake was van een advies of visitevraag. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat het gesprek (mogelijk) op enig ander moment later op de dag wel is doorgegeven. Verder heeft hij toegelicht dat hij de vraag of moet worden teruggekoppeld overlaat aan zijn assistente, die een ervaren praktijkverpleegkundige is. Daarover horen echter met een assistente, ook al is zij ervaren en tevens echtgenote, duidelijke afspraken te zijn gemaakt. Ook het feit dat de afspraak die de assistente heeft gemaakt, namelijk dat patiënt de volgende dag (woensdag) weer zou bellen, niet is nageleefd (omdat patiënt toen in het ziekenhuis lag) is niet opgemerkt in de praktijk. Uit de beschreven feiten volgt derhalve dat verweerder de monitoring van het verdere beloop onvoldoende heeft geborgd. Verder is het verwijtbaar, al zou dit op zichzelf staand van onvoldoende gewicht zijn om tot een maatregel te leiden, dat de bloeddruk niet is genoteerd.

5.5

Dat verweerder zich niet had voorbereid op het condoleancebezoek is niet eerder dan ter zitting ter sprake gebracht en komt daarom strikt genomen niet voor beoordeling in aanmerking. Het college merkt terzijde op dat, gezien het feit dat verweerder de overlijdensoorzaak (nog) niet had doorgekregen, het niet verwijtbaar is te achten dat verweerder desondanks op bezoek ging en naar die oorzaak heeft gevraagd.

5.6

Bij de afweging welke maatregel moet worden opgelegd wijst het college erop dat de afloop van het gebeuren buitengewoon tragisch is maar dat de toetsing van het handelen van verweerder en de afweging welke maatregel in dit geval gepast is moet plaatsvinden in het licht van wat hem op dat moment bekend was en bekend kon zijn. En voorts wordt overwogen dat, als verweerder de regie strakker in handen had gehouden en de volgende ochtend zelf met patiënt zou hebben gebeld, de afloop vermoedelijk niet anders zou zijn geweest. Al met al is er sprake van een onzorgvuldigheid in de afronding van een eenmalige visite waarop, anders dan de klacht voornamelijk betoogt, op zichzelf geen aanmerkingen zijn te maken. Nu er ook overigens geen reden is om aan een zwaardere maatregel te denken, zo heeft verweerder als ervaren huisarts niet eerder een geslaagde tuchtklacht tegen zich gehad, is een waarschuwing op zijn plaats.

6.    DE BESLISSING

Het college waarschuwt verweerder.

Aldus gedaan in raadkamer door mr. A.L. Smit, voorzitter, mr. P. Messer-Dinnissen, lid-jurist, P.A.J. Buis, P. Jongerius en H. Donkers, leden -arts, in tegenwoordigheid van

mr. F. Koenraads, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2015 door

mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

                                                                                                                voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.