ECLI:NL:TVVTPVV:2014:9 Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees Zoetermeer TPVV0914

ECLI: ECLI:NL:TVVTPVV:2014:9
Datum uitspraak: 11-06-2014
Datum publicatie: 17-06-2014
Zaaknummer(s): TPVV0914
Onderwerp: Diergezondheid
Beslissingen: Geldboete
Inhoudsindicatie: Betreft in 1 periode van 2012 en in geheel 2013, dus in totaal 4 maal, geen of onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de vesiculaire varkensziekte (SVD) en op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky (ZvA). Als verweer is door betrokkene aangevoerd dat hij zich geen brieven kan herinneren vóór december 2013. Het Tuchtgerecht oordeelt dat hij naar aanleiding van de brief van 3 december 2013 nog tijdig maatregelen had kunnen nemen, op zijn minst voor periode 3 van 2013. Dat heeft hij nagelaten. Er wordt een geldboete van € 4.000 opgelegd, deels voorwaardelijk.

Zaaknummer :

TPVV 09/2014

Betrokkene :

De Vennootschap Onder Firma: [bedrijfsnaam]

[adres]

Datum :

11 juni 2014

Gang van zaken :

De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD SVD-ZvA 1410, naar aanleiding van een administratieve inspectie op 5 en 17 februari 2014 door een controleur van CoMore met betrekking tot het bedrijf van betrokkene, dat deze uitoefent aan de [adres bedrijf], dat op naam van [bedrijfsnaam] geregistreerd is onder [UBN].

Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, als bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 15 mei 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.

Betrokkene is behoorlijk en tijdig bij aangetekende brief opgeroepen, maar is niet op de zitting verschenen.

Voorts zijn ter zitting verschenen mevrouw ir. M. van Lent en de heer mr. R.B.R. Henke, beide namens het Productschap Vee en Vlees (PVV) en de heer H.G.M. Grolleman, namens CoMore.

Het Tuchtgerecht heeft op 11 juni 2014 uitspraak gedaan.

Verweten gedraging :

Geen of onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de vesiculaire varkensziekte en op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky, in de periode 1 september 2012 tot en met 31 december 2012 en in alle 3 de perioden van 2013.

Verklaring van betrokkene :

In het berechtingsrapport heeft betrokkene onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

“De bloedmonsters worden genomen aan de slachtlijn (…) Het blijkt dat er bij Vion wel bloedmonsters zijn genomen, maar dat voor het uitvoeren van de onderzoeken bij de GD mij moest aanmelden. Ik was daar niet van op de hoogte. Ik weet dat er een brief is gekomen in december 2013 maar ik kan mij geen eerdere brieven herinneren. Ik heb het nu bij de GD geregeld (..). Ik zorg ervoor dat de achterstand helemaal wordt ingehaald tijdens de komende leveringen.”

Bewijs en verwijtbaarheid :

Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van hetgeen ter zitting is komen vast te staan dat op het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is onder [UBN], de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:

Het nalaten van bloedmonstername ten behoeve van onderzoek naar vesiculaire varkensziekte en de Ziekte van Aujeszky, in de periode 1 september 2012 tot en met 31 december 2012 en in alle 3 de perioden van 2013.

Uit de schriftelijke verklaring blijkt, dat het Productschap van mening is dat er sprake is van acht overtredingen, viermaal van de Verordening monitoring vesiculaire varkensziekte (PVV) 2009 (hierna: de Verordening SVD) en viermaal van de Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky bij varkens (PVV) 2008 (hierna: de Verordening ZvA).

Het Tuchtgerecht is echter van oordeel dat er in de praktijk sprake is van vier keer geen bloed afnemen, waarbij de bloedmonsters voor verschillende controles worden gebruikt en dat er in dit geval dus sprake is van vier overtredingen, geen acht.

Dit levert op:

Viermaal overtreding van artikel 2 lid 1 en 2 van de Verordening SVD en van artikel 3 lid 1 van de Verordening ZvA jo. artikel 1 van het Besluit monitoring Ziekte van Aujeszky bij varkens (PVV) 2008.

Motivering van tuchtrechtelijke maatregel :

Vanaf september 2009 wordt door het PVV nauwgezet de hand gehouden aan de monitoringsplicht voor vesiculaire varkensziekte (SVD) en de Ziekte van Aujeszky (ZvA).

In diverse publicaties van het PVV alsmede in de vakbladen is diverse malen aangegeven dat het PVV prioriteit zal geven aan de controle op de naleving van de desbetreffende verordeningen. Vanaf begin 2010 is het PVV handhavend gaan optreden.

Voor zowel SVD als de ZvA geldt dat de fase van de verplichte vaccinatie is gevolgd door de status van officieel ziekte-vrij zijn. Thans geldt een verbod op het houden van varkens die niet vrij zijn van SVD of drager zijn van het ZvA-virus, danwel gevaccineerd zijn tegen deze ziekten. Voor het buitenland dient Nederland zichtbaar te kunnen maken dat het de status van ziekte-vrij zijn, verdient. Zonder monitoring kan de officiële ziekte-vrij status niet worden verkregen en behouden.

De verboden worden daarom ondersteund door een verplichting tot monitoring naar de aanwezigheid van voormelde dierziekten.

De exportbelangen voor de Nederlandse varkenshouderij en de daarvan afgeleide belangen voor de binnenlandse markt zijn dermate groot dat correcte naleving van de monitoringsplicht plaats dient te vinden, aldus valt op te maken uit de toelichting van de onderhavige Verordening.

Het doel van de regelingen is, dat er – om de gezondheidstoestand van de varkens goed in beeld te krijgen – gespreid over het jaar driemaal gemonitord moet worden. In de praktijk bestaat hier en daar het misverstand dat het aantal bloedmonsters kan worden ingehaald (van een vorige periode) of vooruitgeschoven (naar een volgende periode) door extra bloedmonsters in eenzelfde periode te nemen. Het Tuchtgerecht benadrukt dat dit niet mogelijk is – simpelweg omdat het niet beantwoordt aan de verplichting om een gespreid beeld over het hele jaar te verkrijgen. Er dienen in iedere periode afzonderlijk voldoende bloedmonsters te worden genomen en geanalyseerd.

Het Tuchtgerecht komt op basis van voormelde overwegingen tot het aanmerken van de overtreding als “zeer ernstig”, categorie A. Dit betekent dat het Tuchtgerecht in beginsel zal opleggen, een boete van € 1.000 per geconstateerde overtreding. Op het bedrijf van betrokkene, met [UBN] is, zo is ter zitting vast komen te staan, viermaal een overtreding begaan van twee afzonderlijke verordeningen.

Als verweer is door betrokkene aangevoerd dat hij zich geen brieven kan herinneren vóór december 2013. Het Tuchtgerecht oordeelt dat hij naar aanleiding van de brief van 3 december 2013 nog tijdig maatregelen had kunnen nemen, op zijn minst voor periode 3 van 2013. Dat heeft hij nagelaten.

Ter zitting is door het Productschap nog opgemerkt dat het contract met de GD niet goed geregeld is. Niet alleen moet opdracht worden gegeven tot het tappen van bloed, maar ook tot het onderzoeken van de bloedmonsters in het laboratorium.

Aan betrokkene wordt een geldboete opgelegd. Bij het bepalen van de strafmaat houdt het Tuchtgerecht rekening met de gemiddelde omvang van het bedrijf (met circa 700 vleesvarkens), en met het feit dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Het Tuchtgerecht legt de geldboete deels voorwaardelijk op.

Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht dat aan betrokkene – gelet op artikel 5 van de Verordening SVD en artikel 10 lid 2 van de Verordening ZvA – de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:

Beslissing :

Een geldboete van € 4.000 (zegge: vierduizend euro), waarvan € 1.000 (zegge: eenduizend euro) voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar .

Voorwaarde is dat binnen de proeftijd door betrokkene geen enkele bepaling van de Verordening SVD of van de Verordening ZvA mag worden overtreden. Wordt aan de voorwaarde niet voldaan dan kan het Productschap aan het Tuchtgerecht verzoeken om de voorwaardelijke boete alsnog ten uitvoer te leggen. De proeftijd gaat onmiddellijk in nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt.

Toepasselijke artikelen :

Naast de reeds vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Vee en Vlees.

Samenstelling van het Tuchtgerecht :

De uitspraak is gedaan door mr. drs. J.Y.B. Jansen, voorzitter, en de heren B.J. Warmelink en mr. H.J. van Heusden, leden, in aanwezigheid van drs. A.M.P. Regout, secretaris.