ECLI:NL:TVVTPVV:2014:8 Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees Zoetermeer TPVV0814
| ECLI: | ECLI:NL:TVVTPVV:2014:8 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-11-2014 |
| Datum publicatie: | 08-12-2014 |
| Zaaknummer(s): | TPVV0814 |
| Onderwerp: | Diergezondheid |
| Beslissingen: | Geldboete |
| Inhoudsindicatie: | Uitspraak na verzet. Betreft in 2 periodes in 2013 geen of onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de vesiculaire varkensziekte (SVD) en op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky (ZvA). In deze zaak zijn 2 gedaagden, een UBN-houder en exploitant, waarbij de communicatie met de UBN-houder slecht is. Toch wordt ook de exploitant door het Tuchtgerecht verantwoordelijk gehouden voor het nemen van voldoende bloedmonsters. De brieven van het Productschap worden slechts ter herinnering gestuurd en ook zonder deze brieven is betrokkene verantwoordelijk voor het kennen van de regels en de toepassing daarvan op het eigen bedrijf. Betrokkene is niet nieuw in de varkenssector en de regels moeten bekend worden verondersteld. Aan beide partijen worden geldboetes opgelegd, geheel en deels voorwaardelijk. |
Zaaknummer :
TPVV 08/2014
Betrokkenen :
[bedrijfsnaam 1]
[adres 1]
en
[bedrijfsnaam 2] B.V.
[adres 1]
Datum :
24 november 2014
Gang van zaken :
De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CBD) heeft opgemaakt onder nummer CBD SVD-ZvA 1409, naar aanleiding van een administratieve inspectie op 4 en 11 februari 2014 door een controleur van CoMore met betrekking tot het bedrijf van betrokkenen, dat deze uitoefenen aan de [adres 1], dat op naam van Frank van Grunsven (hierna: betrokkene 1) geregistreerd is onder [UBN].
Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, als bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.
Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 15 mei 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort. Betrokkenen zijn behoorlijk en tijdig bij aangetekende brief opgeroepen, maar zijn niet op de zitting verschenen, zodat verstek is verleend.
Het Tuchtgerecht heeft op 11 juni 2014 uitspraak gedaan.
Daartegen heeft betrokkene [bedrijfsnaam 2] B.V. op 31 juli 2014 bij brief verzet gedaan. Op 28 oktober 2014 heeft het Tuchtgerecht dit verzetschrift behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.
Ter zitting is verschenen de heer [betrokkene 2], geboren op [1964] te [geboorteplaats], wonende aan de [adres 2] (hierna: betrokkene 2).
Betrokkene 1 is behoorlijk en tijdig bij aangetekende brief opgeroepen, maar is niet op de zitting verschenen, zodat verstek is verleend.
Voorts zijn ter zitting verschenen mevrouw M. Makkinje namens het Productschap Vee en Vlees (PVV) en de heer H.G.M. Grolleman, namens CoMore.
Het Tuchtgerecht heeft op 24 november 2014 uitspraak gedaan.
Gronden van verzet :
Naar aanleiding van de uitspraak bij verstek van 11 juni 2014 heeft betrokkene 2 verzet gedaan. Hierbij voert onder meer hij het volgende aan, zakelijk weergegeven:
“U bent tot uw uitspraak gekomen op basis van foutieve aannames. (..) Hierbij deel ik u mede dat er geen varkens aanwezig waren in de stal in de periode vanaf 1 januari tot en met 31 augustus 2013.
(…)
Alle correspondentie betreffende bloedmonstafname geschied tussen UBN houder en PVV. Ik heb als huurder van de stal nog nooit enige correspondentie onder ogen gekregen dus kon ik ook nergens op reageren. UBN houder had mij moeten wijzen op gebreken in de bloedbemonstering.
Ik ging ervan uit dat de bemonstering automatisch verliep via het slachthuis, zo ging het in het verleden namelijk altijd. Omdat de stal enige tijd leeg heeft gestaan zijn er geen bloedmonsters genomen. In september is de stal voor het laatst bevolkt geweest met biggen, maar omdat de stal het hele jaar daarvoor leeg had gestaan zijn er geen monsters ingestuurd. (…) Ik wil hiermee niet zeggen dat mij totaal niets te verwijten is maar ik wil wel aangeven dat er te goeder trouw gehandeld is door mij. (…).
Ter zitting heeft betrokkene 2 onder meer nog verklaard, zakelijk weergegeven:
“In de tweede periode van 2013 was er leegstand. Het betreft voor mij een huurstal. UBN-houder is [betrokkene 1]. Ik neem aan dat hij op de hoogte is gesteld. Maar hij is altijd telefonisch onbereikbaar, ik huur nu al 2,5 jaar van hem. We hadden afgesproken dat hij UBN-houder zou blijven. Maar dan moet hij wel laten weten als er iets aan de hand is. Er staat wel een huis, maar er woont niemand. Dus het is mij niet duidelijk wat daar met de post gebeurt. Ik had in die periode wel op 15 plaatsen stallen gehuurd en nergens is het fout gegaan. Ik ben daar nu mee gestopt. Ik heb nu alleen nog varkens op mijn eigen bedrijf. We hebben uitgebreid van 650 naar 1.000 zeugen. Ik hoor dat het Productschap aangeeft dat er gebeld is met de dierenarts, maar ook dat heeft mij niet bereikt. Ik ben hier niet eerder geweest en ik weet best dat mij iets te verwijten valt. Het is echter geen onwil geweest en de alarmsignalen hebben mij veel te laat bereikt".
Bewijs en verwijtbaarheid :
Het Tuchtgerecht oordeelt dat vast is komen te staan dat het de varkens van betrokkene 2 betrof die op het bedrijf aanwezig waren en dat hij derhalve verantwoordelijk was voor het nakomen van de regels met betrekking tot het nemen van bloedmonsters ten behoeve van Ziekte van Aujeszky (ZvA) en vesiculaire varkensziekte (SVD).
Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van de inhoud van het berechtingsrapport en de daarin opgenomen verklaringen van betrokkenen, ter zitting vast is komen te staan dat op het bedrijf aan de [adres 1] dat geregistreerd is onder [UBN], de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:
Geen of onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de SVD en op de aanwezigheid van de ZvA, in de perioden 1 mei 2013 tot en met 31 augustus 2013 en 1 september 2013 tot en met 31 december 2013.
Dit levert op:
2x overtreding van artikel 2 lid 1 en 2 van de de Verordening monitoring vesiculaire varkensziekte (PVV) 2009 (hierna: de Verordening SVD) en van artikel 3 lid 1 van de Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky bij varkens (PVV) 2008 (hierna: de Verordening ZvA) jo. artikel 1 van het Besluit monitoring Ziekte van Aujeszky bij varkens (PVV) 2008.
Beoordeling gronden van verzet :
Betrokkene 2 stelt in zijn verweer dat hij als huurder van de stal nog nooit enige correspondentie onder ogen heeft gekregen dus ook nergens op kon reageren. Het Tuchtgerecht oordeelt dat, aangezien het de varkens van betrokkene 2 betrof die op het bedrijf aanwezig waren, hij daarvoor verantwoordelijk was. Daarbij oordeelt het Tuchtgerecht dat het nemen van voldoende bloedmonsters de verantwoordelijkheid van de ondernemer is, waarbij de brieven van het Productschap slechts ter herinnering worden gestuurd. Ook zonder deze brieven is betrokkene verantwoordelijk voor het kennen van de regels en de toepassing daarvan op het eigen bedrijf. De heer [betrokkene 2] is niet nieuw in de varkenssector en de regels moeten bekend worden verondersteld. Het verweer wordt verworpen.
Voorts heeft betrokkene 2 aangevoerd dat hij ervan uitging dat de bemonstering automatisch verliep via het slachthuis, wat nu niet het geval is geweest omdat de stal enige tijd leeg heeft gestaan. Ter zitting heeft het Productschap gesteld dat er in periode 2 van 2013 een aantal vleesbiggen zijn aangevoerd, en wel op 12 augustus 2013. Op 20 december 2013 is er geslacht, blijkens melding van VION Boxtel. Er waren dus varkens aanwezig op het bedrijf in zowel periode 2 als periode 3 van 2013. De vertegenwoordiger van CoMore voert ter zitting nog aan dat er op 16 oktober 2013 contact is geweest met de dierenarts, die vroeg hoeveel hij moest tappen op die locatie. Er is een telefoonnotitie die luidt: “Gebeld met huurder [bedrijfsnaam 2]. Hij neemt contact op met de DAP.” Toch is het toen niet opgelost.
Het Tuchtgerecht oordeelt dat, alles in aanmerking genomen, het aannemelijk is geworden dat er in beide perioden varkens op het bedrijf aanwezig waren en dat [bedrijfsnaam 2] B.V. daarvoor verantwoordelijk was. Ook dit verweer wordt verworpen.
Het verweer van betrokkene 2 dat er een afspraak was met VION, die bij de slacht automatisch voor de bemonstering moest zorgen, houdt geen stand nu betrokkene, ook indien hij zaken uitbesteedt aan derden, toch altijd zelf verantwoordelijk blijft voor de gang van zaken op zijn bedrijf.
Het Tuchtgerecht oordeelt ten aanzien van betrokkene 1 dat deze als UBN-houder altijd verantwoordelijk blijft voor de gang van zaken op zijn bedrijf. Gelet op de mededelingen van de zijde van betrokkene 2, acht het Tuchtgerecht termen aanwezig om aan betrokkene 1 een geheel voorwaardelijke boete op te leggen.
Aan betrokkene 2 zal een geldboete van de hierna nader te bepalen omvang worden opgelegd.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboetes wordt rekening gehouden met het feit dat aan beide betrokkenen niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Het Tuchtgerecht legt de geldboete (deels) voorwaardelijk op.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete is ten aanzien van betrokkene 2 tevens rekening gehouden met het feit dat het Tuchtgerecht ter zitting de indruk gekregen dat betrokkene 2 kennelijk een serieuze bedrijfsvoering heeft, waarbij de communicatie met de UBN-houder slecht is.
Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht dat aan betrokkenen – gelet op artikel 5 van de Verordening SVD en artikel 10 lid 2 van de Verordening ZvA – de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:
Beslissing :
1. Ten aanzien van [bedrijfsnaam 1]:
Een geldboete van € 2.000 (zegge: tweeduizend euro), geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
2. Ten aanzien van [bedrijfsnaam 2] B.V.:
Een geldboete van € 2.000 (zegge: tweeduizend euro), waarvan € 1.000 (zegge: eenduizend euro) voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar .
Voorwaarde is dat binnen de proeftijd door elk der betrokkenen geen enkele bepaling inzake dierziekten mag worden overtreden. Wordt aan de voorwaarde niet voldaan dan kan de Minister van Economische Zaken (als rechtsopvolger van het Productschap) aan het Tuchtgerecht verzoeken om de voorwaardelijke boete alsnog ten uitvoer te leggen. De proeftijd gaat onmiddellijk in nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt.
Toepasselijke artikelen :
Naast de reeds vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Vee en Vlees.
Samenstelling van het Tuchtgerecht :
De uitspraak is gedaan door mr. drs. J.Y.B. Jansen, voorzitter, en de heren mr. H.J. van Heusden en B.G.J. Gussinklo, leden, in aanwezigheid van drs. A.M.P. Regout, secretaris.