ECLI:NL:TVVTPVV:2014:7 Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees Zoetermeer TPVV0714
| ECLI: | ECLI:NL:TVVTPVV:2014:7 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-06-2014 |
| Datum publicatie: | 13-06-2014 |
| Zaaknummer(s): | TPVV0714 |
| Onderwerp: | Diergezondheid |
| Beslissingen: | Geldboete |
| Inhoudsindicatie: | Betreft in 3 periodes geen of onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de vesiculaire varkensziekte (SVD) en op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky (ZvA). Betrokkene heeft aangevoerd dat hij de bloedmonsters laat nemen aan de slachtlijn bij Vion. Het Tuchtgerecht benadrukt dat, als er in een periode geen afvoer is, er dan op het bedrijf bij de levende dieren dient te worden getapt. Betrokkene heeft voorts als verweer aangevoerd dat varkens buiten zijn weten om, door zijn varkenshandelaar op het bedrijf geleverd zijn. Het Tuchtgerecht oordeelt dit wel namens betrokkene (UBN-houder), is gedaan en dat, ook bij uitbesteding aan een ander, betrokkene verantwoordelijk blijft voor de gang van zaken op zijn bedrijf. Er wordt een geldboete van € 3.000 opgelegd, deels voorwaardelijk. |
Zaaknummer :
TPVV 07/2014
Betrokkene :
Maatschap [bedrijfsnaam]
[adres]
Datum :
11 juni 2014
Gang van zaken :
De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD SVD-ZvA 1408, naar aanleiding van een administratieve inspectie op 5 februari 2014 door een controleur van CoMore met betrekking tot het bedrijf van betrokkene, dat deze uitoefent aan de [adres], dat op naam van [bedrijfsnaam] geregistreerd is onder [UBN].
Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, als bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.
Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 15 mei 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.
Ter zitting is namens de maatschap verschenen de heer [betrokkene], geboren op [1958] te [geboorteplaats], wonende aan de [adres], (hierna: betrokkene).
Voorts zijn ter zitting verschenen mevrouw ir. M. van Lent en de heer mr. R.B.R. Henke, beide namens het Productschap Vee en Vlees (PVV) en de heer H.G.M. Grolleman, namens CoMore.
Het Tuchtgerecht heeft op 11 juni 2014 uitspraak gedaan.
Verweten gedraging :
Geen of onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de vesiculaire varkensziekte en op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky, in de periode 1 september 2012 tot en met 31 december 2012, de periode 1 januari 2013 tot en met 30 april 2013 en de periode 1 september 2013 tot en met 31 december 2013.
Verklaring van betrokkene :
In het berechtingsrapport heeft betrokkene onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:
“Ik laat de bloedmonsters nemen aan de slachtlijn bij Vion. Ik weet dat het een keer fout is gegaan doordat de varkens op een nieuw UBN zijn komen te staan. Het oude [UBN] wordt alleen nog gebruikt voor de runderen. Voor het nieuwe [UBN] was het bloedtappen bij de slachterij en het laboratorium nog niet geregeld en daardoor zijn er toen geen bloedmonsters genomen voor de onderzoeken op SVD en ZvA. In de zomer van 2013 zijn er ook extra bloedmonsters genomen. (…) Het is geen opzet geweest (..).”
Ter zitting heeft betrokkene onder meer nog verklaard, zakelijk weergegeven:
“Op 5 maart 2013 heb ik op die locatie voor het eerst varkens geleverd. Als er, zoals het Productschap zegt, op 23 november 2012 al aanvoer is gedaan op die locatie, dan is dat buiten mijn weten om gebeurd. Dat doet de varkenshandelaar. In de zomer van 2013 heb ik extra bloedmonsters laten nemen, omdat ik toen dacht dat ik achterliep. Mij was ook verteld dat als je meer bloedmonsters neemt, die dan doorschuiven naar de vorige periode.”
Bewijs en verwijtbaarheid :
Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van hetgeen ter zitting is komen vast te staan dat op het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is onder [UBN], de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:
Het nalaten van bloedmonstername ten behoeve van onderzoek naar vesiculaire varkensziekte en de Ziekte van Aujeszky, in de periode 1 september 2012 tot en met 31 december 2012, de periode 1 januari 2013 tot en met 30 april 2013 en de periode 1 september 2013 tot en met 31 december 2013.
Uit de schriftelijke verklaring blijkt, dat het Productschap van mening is dat er sprake is van zes overtredingen; drie maal van de Verordening monitoring vesiculaire varkensziekte (PVV) 2009 (hierna: de Verordening SVD) evenals drie maal van de Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky bij varkens (PVV) 2008 (hierna: de Verordening ZvA).
Het Tuchtgerecht is echter van oordeel dat er in de praktijk sprake is van drie keer geen bloed afnemen, waarbij de bloedmonsters voor verschillende controles worden gebruikt en dat er in dit geval dus sprake is van drie overtredingen, geen zes.
Dit levert op:
3x overtreding van artikel 2 lid 1 en 2 van de Verordening SVD en van artikel 3 lid 1 van de Verordening ZvA jo. artikel 1 van het Besluit monitoring Ziekte van Aujeszky bij varkens (PVV) 2008.
Motivering van tuchtrechtelijke maatregel :
Vanaf september 2009 wordt door het PVV nauwgezet de hand gehouden aan de monitoringsplicht voor vesiculaire varkensziekte (SVD) en de Ziekte van Aujeszky (ZvA).
In diverse publicaties van het PVV alsmede in de vakbladen is diverse malen aangegeven dat het PVV prioriteit zal geven aan de controle op de naleving van de desbetreffende verordeningen. Vanaf begin 2010 is het PVV handhavend gaan optreden.
Voor zowel SVD als de ZvA geldt dat de fase van de verplichte vaccinatie is gevolgd door de status van officieel ziekte-vrij zijn. Thans geldt een verbod op het houden van varkens die niet vrij zijn van SVD of drager zijn van het ZvA-virus, danwel gevaccineerd zijn tegen deze ziekten. Voor het buitenland dient Nederland zichtbaar te kunnen maken dat het de status van ziekte-vrij zijn, verdient. Zonder monitoring kan de officiële ziekte-vrij status niet worden verkregen en behouden. De verboden worden daarom ondersteund door een verplichting tot monitoring naar de aanwezigheid van voormelde dierziekten.
De exportbelangen voor de Nederlandse varkenshouderij en de daarvan afgeleide belangen voor de binnenlandse markt zijn dermate groot dat correcte naleving van de monitoringsplicht plaats dient te vinden, aldus valt op te maken uit de toelichting van de onderhavige Verordening.
Het doel van de regelingen is, dat er – om de gezondheidstoestand van de varkens goed in beeld te krijgen – gespreid over het jaar drie maal gemonitord moet worden. In de praktijk bestaat hier en daar het misverstand dat het aantal bloedmonsters kan worden ingehaald (van een vorige periode) of vooruitgeschoven (naar een volgende periode) door extra bloedmonsters in eenzelfde periode te nemen. Het Tuchtgerecht benadrukt dat dit niet mogelijk is – simpelweg omdat het niet beantwoordt aan de verplichting om een gespreid beeld over het hele jaar te verkrijgen. Er dienen in iedere periode afzonderlijk voldoende bloedmonsters te worden genomen en geanalyseerd.
Het Tuchtgerecht komt op basis van voormelde overwegingen tot het aanmerken van de overtreding als “zeer ernstig”, categorie A. Dit betekent dat het Tuchtgerecht in beginsel zal opleggen, een boete van € 1.000 per geconstateerde overtreding. Op het bedrijf van betrokkene, met [UBN] is, zo is ter zitting vast komen te staan, driemaal een overtreding begaan van twee afzonderlijke verordeningen.
Betrokkene heeft aangevoerd dat hij de bloedmonsters laat nemen aan de slachtlijn bij Vion. Ter zitting heeft het Productschap aangegeven dat er al die tijd maar 1x bij Vion is geleverd. Het Tuchtgerecht benadrukt dat, als er in een periode geen afvoer is, er dan op het bedrijf bij de levende dieren dient te worden getapt.
Volgens opgave van het Productschap is er al op 23 november 2012 aanvoer van dieren gedaan en waren er die periode dus al varkens op het bedrijf, waarvan bloedmonsters genomen hadden moeten worden. Betrokkene heeft als verweer aangevoerd dat, als dit zo is, dit buiten zijn weten om is gedaan door de varkenshandelaar. Het Tuchtgerecht oordeelt dat de levering wel namens betrokkene, de UBN-houder, is gedaan en dat, ook als hij het uitbesteedt aan een ander, betrokkene verantwoordelijk blijft voor de gang van zaken op zijn bedrijf.
Aan betrokkene wordt een geldboete opgelegd. Bij het bepalen van de strafmaat houdt het Tuchtgerecht rekening met de gemiddelde omvang van het bedrijf (met circa 1.400 vleesvarkens), en met het feit dat betrokkene maatregelen heeft genomen om herhaling in de toekomst te voorkomen. Ook heeft het Tuchtgerecht tijdens de zitting de indruk gekregen dat betrokkene een consciëntieuze bedrijfsvoering heeft. Dit alles in overweging nemende legt het Tuchtgerecht de geldboete deels voorwaardelijk op.
Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht dat aan betrokkene – gelet op artikel 5 van de Verordening SVD en artikel 10 lid 2 van de Verordening ZvA – de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:
Beslissing :
Een geldboete van € 3.000 (zegge: drieduizend euro), waarvan € 1.500 (zegge: eenduizend vijfhonderd euro) voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar .
Voorwaarde is dat binnen de proeftijd door betrokkene geen enkele bepaling van de Verordening SVD of van de Verordening ZvA mag worden overtreden.
Wordt aan de voorwaarde niet voldaan dan kan het Productschap aan het Tuchtgerecht verzoeken om de voorwaardelijke boete alsnog ten uitvoer te leggen.
De proeftijd gaat onmiddellijk in nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt.
Toepasselijke artikelen :
Naast de reeds vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Vee en Vlees.
Samenstelling van het Tuchtgerecht :
De tussenuitspraak is gedaan door mr. drs. J.Y.B. Jansen, voorzitter, en de heren B.J. Warmelink en mr. H.J. van Heusden, leden, in aanwezigheid van drs. A.M.P. Regout, secretaris.