ECLI:NL:TVVTPVV:2014:6 Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees Zoetermeer TPVV0614

ECLI: ECLI:NL:TVVTPVV:2014:6
Datum uitspraak: 11-06-2014
Datum publicatie: 17-06-2014
Zaaknummer(s): TPVV0614
Onderwerp: Diergezondheid
Beslissingen:
  • Geldboete
  • Schuldigverklaring zonder strafoplegging
Inhoudsindicatie: Betreft 3 maal geen of onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de vesiculaire varkensziekte (SVD) en op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky (ZvA).   Betrokkene 2 oefent een varkenshouderijbedrijf uit op een locatie die op naam van betrokkene 1 geregistreerd staat. Gelet op de verklaringen van betrokkenen komt het Tuchtgerecht niet toe aan het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel aan de UBN-houder en is uitsluitend de zaak tegen de exploitant inhoudelijk door het Tuchtgerecht behandeld. Er wordt een geldboete van € 3.000 opgelegd, deels voorwaardelijk.

Zaaknummer :

TPVV 06/2014

Betrokkenen :

De Vennootschap Onder Firma:

VOF [bedrijfsnaam betrokkene 1]

[adres 1]

en

[betrokkene 2]

[adres 2]

Datum :

11 juni 2014

Gang van zaken :

De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD SVD-ZvA 1407, naar aanleiding van een administratieve inspectie op 4 februari 2014 door een controleur van CoMore met betrekking tot het bedrijf dat wordt uitgeoefend aan de [adres 1], dat op naam van VOF [bedrijfsnaam betrokkene 1] geregistreerd is onder [UBN] .

Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, als bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 15 mei 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.

Ter zitting zijn verschenen de heer [betrokkene 2], geboren op  [1968] te [geboorteplaats], wonende aan de [adres 2], (hierna: betrokkene) alsmede zijn dierenarts, de heer [naam dierenarts], van DAP [naam en adres DAP].

Voorts zijn ter zitting verschenen mevrouw ir. M. van Lent en de heer mr. R.B.R. Henke, beide namens het Productschap Vee en Vlees (PVV) en de heer H.G.M. Grolleman, namens CoMore.

Het Tuchtgerecht heeft op 11 juni 2014 uitspraak gedaan.

Verweten gedraging :

Geen of onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de vesiculaire varkensziekte en op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky, in de periode 1 september 2012 tot en met 31 december 2012, de periode 1 mei 2013 tot en met 30 augustus 2013 en de periode 1 september 2013 tot en met 31 december 2013.

Verklaring van betrokkene :

In het berechtingsrapport is door de UBN-houder, de heer [betrokkene 1], onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

“Ik heb de stal verhuurd aan de heer [betrokkene 2] (…) Als er brieven binnenkomen die betrekking hebben op de varkens dan geef ik die aan de heer [betrokkene 2].”

De huurder van de stal, de heer [betrokkene 2], heeft blijkens het berechtingsrapport onder meer verklaard:

“De varkens op het bedrijf van de heer [betrokkene 1] zijn mijn varkens. Ik ben dus ook verantwoordelijk voor het nemen van de bloedmonsters (..). Deze onderzoeken op SVD en ZvA worden altijd uitgevoerd aan de slachtlijn (…). De laatste tijd zijn er regelmatig varkens op export gegaan en daardoor zal het wel fout zijn gegaan. Ik zal de dierenarts opdracht geven om bloedmonsters te nemen.”

Ter zitting heeft betrokkene onder meer nog verklaard, zakelijk weergegeven:

“De varkens zijn van mij en die zijn mijn verantwoording. Dat hebben wij samen zo afgesproken.

Ik bepaal zelf dat er export gaat plaatsvinden en heb daar dus direct zicht op. Ik dacht dat het bloedtappen goed geregeld was.”

Ter zitting heeft de dierenarts van betrokkene onder meer nog verklaard, zakelijk weergegeven:

“De heer [betrokkene 2] huurt 5 à 6 stallen op verschillende locaties. Bij binnenlandleveringen wordt het bloedtappen automatisch aan de slachtlijn gedaan. Als bekend wordt dat de varkens naar Duitsland gaan, kom ik in beeld en tap ik op het bedrijf. Op de locatie van [betrokkene 1] is het misgegaan. Er is geleverd aan Duitsland, en in het andere kwartaal waren we in de veronderstelling dat bloedtappen bij de slachterij gebeurde. In februari 2014 kwamen we erachter, dat het kennelijk niet gebeurde. Toen hebben we er heel wat ingehaald.”

Bewijs en verwijtbaarheid :

In eerdere uitspraken , bepaalde het Tuchtgerecht al, dat de Verordeningen zich weliswaar richten op de UBN-houder, maar dat ook de feitelijke houder ofwel de exploitant onder het bereik van een verordening kan vallen. De UBN-houder blijft onder alle omstandigheden ook verantwoordelijk voor de juiste naleving van de Verordening monitoring vesiculaire varkensziekte (PVV) 2009 (hierna: Verordening SVD) en van de Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky bij varkens (PVV) 2008 (hierna: Verordening ZvA).

In het onderhavige geval is door de verschillende verklaringen duidelijk geworden dat betrokkene [betrokkene 2] een varkenshouderijbedrijf uitoefent op de locatie aan de [adres 1], dat op naam van VOF [bedrijfsnaam betrokkene 1] geregistreerd is onder [UBN] .

Gelet op de verklaringen van betrokkenen komt het Tuchtgerecht niet toe aan het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel aan de UBN-houder. Daarom zal uitsluitend de zaak tegen de exploitant, in casu [betrokkene 2], inhoudelijk door het Tuchtgerecht worden behandeld.

Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van wat ter zitting is komen vast te staan dat op het bedrijf, dat geregistreerd is onder [UBN] , de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:

Het nalaten van bloedmonstername ten behoeve van onderzoek naar vesiculaire varkensziekte en de Ziekte van Aujeszky, in de periode 1 september 2012 tot en met 31 december 2012, de periode 1 mei 2013 tot en met 30 augustus 2013 en de periode 1 september 2013 tot en met 31 december 2013.

Uit de schriftelijke verklaring blijkt, dat het Productschap van mening is dat er sprake is van zes overtredingen; drie maal van de Verordening monitoring vesiculaire varkensziekte (PVV) 2009 (hierna: de Verordening SVD) evenals drie maal van de Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky bij varkens (PVV) 2008 (hierna: de Verordening ZvA).

Het Tuchtgerecht is echter van oordeel dat er in de praktijk sprake is van drie keer geen bloed afnemen, waarbij de bloedmonsters voor verschillende controles worden gebruikt en dat er in dit geval dus sprake is van drie overtredingen, geen zes.

Dit levert op:

3x overtreding van artikel 2 lid 1 en 2 van de Verordening SVD en van artikel 3 lid 1 van de Verordening ZvA jo. artikel 1 van het Besluit monitoring Ziekte van Aujeszky bij varkens (PVV) 2008.

Motivering van tuchtrechtelijke maatregel :

Vanaf september 2009 wordt door het PVV nauwgezet de hand gehouden aan de monitoringsplicht voor vesiculaire varkensziekte (SVD) en de Ziekte van Aujeszky (ZvA).

In diverse publicaties van het PVV alsmede in de vakbladen is diverse malen aangegeven dat het PVV prioriteit zal geven aan de controle op de naleving van de desbetreffende verordeningen. Vanaf begin 2010 is het PVV handhavend gaan optreden.

Voor zowel SVD als de ZvA geldt dat de fase van de verplichte vaccinatie is gevolgd door de status van officieel ziekte-vrij zijn. Thans geldt een verbod op het houden van varkens die niet vrij zijn van SVD of drager zijn van het ZvA-virus, danwel gevaccineerd zijn tegen deze ziekten. Voor het buitenland dient Nederland zichtbaar te kunnen maken dat het de status van ziekte-vrij zijn, verdient. Zonder monitoring kan de officiële ziekte-vrij status niet worden verkregen en behouden.

De verboden worden daarom ondersteund door een verplichting tot monitoring naar de aanwezigheid van voormelde dierziekten.

De exportbelangen voor de Nederlandse varkenshouderij en de daarvan afgeleide belangen voor de binnenlandse markt zijn dermate groot dat correcte naleving van de monitoringsplicht plaats dient te vinden, aldus valt op te maken uit de toelichting van de onderhavige Verordening.

Het doel van de regelingen is, dat er – om de gezondheidstoestand van de varkens goed in beeld te krijgen – gespreid over het jaar drie maal gemonitord moet worden. In de praktijk bestaat hier en daar het misverstand dat het aantal bloedmonsters kan worden ingehaald (van een vorige periode) of vooruitgeschoven (naar een volgende periode) door extra bloedmonsters in eenzelfde periode te nemen. Het Tuchtgerecht benadrukt dat dit niet mogelijk is – simpelweg omdat het niet beantwoordt aan de verplichting om een gespreid beeld over het hele jaar te verkrijgen. Er dienen in iedere periode afzonderlijk voldoende bloedmonsters te worden genomen en geanalyseerd.

Het Tuchtgerecht komt op basis van voormelde overwegingen tot het aanmerken van de overtreding als “zeer ernstig”, categorie A. Dit betekent dat het Tuchtgerecht in beginsel zal opleggen, een boete van € 1.000 per geconstateerde overtreding. Op het bedrijf van betrokkene, met [UBN] is, zo is ter zitting vast komen te staan, driemaal een overtreding begaan van twee afzonderlijke verordeningen.

Aan betrokkene wordt een geldboete opgelegd. Bij het bepalen van de strafmaat houdt het Tuchtgerecht rekening met de gemiddelde omvang van het bedrijf (met circa 650 vleesvarkens), met het feit dat betrokkene maatregelen heeft genomen om herhaling in de toekomst te voorkomen en met het feit dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Ook heeft het Tuchtgerecht tijdens de zitting de indruk gekregen dat betrokkene een consciëntieuze bedrijfsvoering heeft. Dit alles in overweging nemende legt het Tuchtgerecht de geldboete deels voorwaardelijk op.

Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht dat aan betrokkene – gelet op artikel 5 van de Verordening SVD en artikel 10 lid 2 van de Verordening ZvA – de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:

Beslissing :

1.         Ten aanzien van de Vennootschap Onder Firma: VOF [bedrijfsnaam betrokkene 1]:

            Schuldigverklaring zonder oplegging van een tuchtrechtelijke maatregel.

2.         Ten aanzien van [betrokkene 2]:

Een geldboete van € 3.000 (zegge: drieduizend euro), waarvan € 1.500 (zegge: éénduizend vijfhonderd euro) voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar .

Voorwaarde is dat binnen de proeftijd door betrokkene geen enkele bepaling van de Verordening SVD of van de Verordening ZvA mag worden overtreden.

Wordt aan de voorwaarde niet voldaan dan kan het Productschap aan het Tuchtgerecht verzoeken om de voorwaardelijke boete alsnog ten uitvoer te leggen.

De proeftijd gaat onmiddellijk in nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt.

Toepasselijke artikelen :

Naast de reeds vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Vee en Vlees.

Samenstelling van het Tuchtgerecht :

De tussenuitspraak is gedaan door mr. drs. J.Y.B. Jansen, voorzitter, en de heren B.J. Warmelink en mr. H.J. van Heusden, leden, in aanwezigheid van drs. A.M.P. Regout, secretaris.