ECLI:NL:TVVTPVV:2014:21 Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees Zoetermeer TPVV2914
| ECLI: | ECLI:NL:TVVTPVV:2014:21 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-11-2014 |
| Datum publicatie: | 27-11-2014 |
| Zaaknummer(s): | TPVV2914 |
| Onderwerp: | Diergezondheid |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Betreft 2 overtredingen: geen dan wel onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de Vesiculaire varkensziekte (SVD) en op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky (ZvA) in de periode 1 mei 2013 tot en met 31 augustus 2013. Daarnaast hetzelfde met betrekking tot ZvA voor wat betreft de periode 1 januari 2014 tot en met 30 april 2014. In deze zaak is sprake van bedrijfsovername, met de bijzondere omstandigheid waarbij de ene broer niet meer in staat was zijn bedrijf te leiden en de andere broer is ingesprongen. De nieuwe eigenaar is echter niet nieuw in de varkenssector en regels worden derhalve voor hem bekend verondersteld. Het Tuchtgerecht heeft geconcludeerd wie in welke periode verantwoordelijk is geweest voor de gang van zaken op het bedrijf. Dat leidt tot het opleggen van twee boetes, deels voorwaardelijk, en een schuldigverklaring zonder strafoplegging. |
Zaaknummer :
TPVV 29/2014
Betrokkenen :
[bedrijfsnaam 1] B.V.
[adres 1]
en
[bedrijfsnaam 2] cv
[adres 2]
Datum :
24 november 2014
Gang van zaken :
De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD SVD-ZvA 1441, naar aanleiding van een administratieve inspectie op 10 juli 2014 door een controleur van CoMore met betrekking tot de locatie [adres 2], die op naam van [bedrijfsnaam 1] B.V. geregistreerd is onder [UBN].
Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, als bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.
Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 28 oktober 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.
Betrokkenen zijn behoorlijk en tijdig bij aangetekende brief opgeroepen, maar zijn niet op de zitting verschenen, zodat verstek is verleend. Op 20 oktober is een schriftelijk verweerschrift per e-mail ontvangen van de heer [betrokkene 1], geboren [1971], woonachtig [adres 1].
Voorts zijn ter zitting verschenen mevrouw M. Makkinje namens het Productschap Vee en Vlees (PVV) en de heer H.G.M. Grolleman, namens CoMore.
Het Tuchtgerecht heeft op 24 november 2014 uitspraak gedaan.
Verweten gedraging :
Met betrekking tot de varkens bedrijfsmatig gehouden op het [UBN] zijn geen dan wel onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de Vesiculaire varkensziekte (hierna: SVD) en op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky (hierna: ZvA), in de periode 1 mei 2013 tot en met 31 augustus 2013. Daarnaast is voor wat betreft de periode 1 januari 2014 tot en met 30 april 2014 eenzelfde constatering gedaan met betrekking tot ZvA.
Verklaring van betrokkenen :
In het berechtingsrapport heeft de heer [betrokkene 1] onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:
“Ik heb het bedrijf overgenomen van mijn broer. Hij is nog wel de eigenaar (..). Ik heb de brieven van het Productschap dan ook niet gezien. (…) er zou op 5 april 2013 bloed getapt zijn en in december 2013 zouden er meer monsters genomen zijn (7 stuks). Wij laten wel vaker (..) extra monsters nemen en dachten dat ze dan wel doorgeschoven werden. Van P2 2013 en P1 2014 kan ik inderdaad geen uitslagen vinden. Het is geen opzet geweest en als ik de brieven gezien had zou ik zeker actie hebben ondernomen.”
In zijn schriftelijk verweer heeft de heer [betrokkene 1] verklaard:
[Volgt verklaring van betrokkene met uitleg van familiesituatie, wie op welk moment in de BV zat en welke van de broers verantwoordelijk is geweest in welke periode. Ook wordt aangegeven dat door deze omstandigheden per abuis in 2 perioden geen bloed is getapt, en hoe het kwam dat de brieven daarover betrokkene nooit hebben bereikt.]
Op aanvullende schriftelijke vragen van het Tuchtgerecht naar aanleiding van zijn verweerschrift, antwoordde de heer [betrokkene 1] onder meer nog, zakelijk weergegeven:
“Formeel ben ik eind 2013 toe getreden tot het bedrijf. En ik heb de bedrijfsleiding pas overgenomen nadat ik de zeugenstapel heb over gekocht. Vanaf medio maart/april 2014 heb ik alle correspondentie ook ontvangen op mijn kantoor adres. Dit is ook de reden dat ik persoonlijk NIET op de hoogte was van het niet tappen (..) omdat die nog gestuurd waren naar het adres van mijn broer. (…) Op mijn eigen bedrijf heb ik ook wel eens vergeten te tappen, maar na een brief van jullie hebben we dit meteen gecorrigeerd.”
Bewijs en verwijtbaarheid :
In het onderhavige geval ziet het Tuchtgerecht zich voor de vraag gesteld wie of welke entiteit in welke periode verantwoordelijk was voor het bloedtappen op het bedrijf, gelegen aan de [adres 2].
De verweten gedragingen hebben betrekking op de periode 2 van 2013 en periode 1 van 2014.
De locatie [adres 2] is op naam van [bedrijfsnaam 1] geregistreerd onder [UBN]. Enig aandeelhouder van [bedrijfsnaam 1] is de heer [betrokkene 2], geboren [1966]. [bedrijfsnaam 1] B.V. is thans gevestigd op het adres [adres 1].
Uit de inschrijving bij de Kamer van Koophandel blijkt dat er sprake is van een commanditaire vennootschap van de beide broers [betrokkene 1 en 2] (geboren 1966 respectievelijk 1971). Deze C.V. is opgericht op 25 november 2013 en is exploitant op de locatie aan de [adres 2]. Hieruit leidt het Tuchtgerecht af dat heer [betrokkene 1] vanaf november 2013 mede verantwoordelijk is voor het bedrijf. Dit is door heer [betrokkene 1] bevestigd.
Het Tuchtgerecht concludeert dat in periode 2 van 2013 [bedrijfsnaam 1] B.V. verantwoordelijk is geweest voor de gang van zaken op het bedrijf dat geregistreerd is onder [UBN].
In periode 1 van 2014 is de exploitant, [bedrijfsnaam 2] cv , verantwoordelijk geweest voor de gang van zaken op het bedrijf. Hierbij gaat het Tuchtgerecht af op de verklaringen van de [betrokkene 1], gestaafd door de feiten zoals blijkend uit de inschrijving van de C.V. bij de Kamer van Koophandel .
Het Tuchtgerecht oordeelt dat, op grond van hetgeen ter zitting en uit nadere verklaringen is komen vast te staan, op het bedrijf dat geregistreerd is onder [UBN], de volgende gedragingen hebben plaatsgevonden:
Het nalaten van bloedmonstername ten behoeve van onderzoek naar SVD en ZvA in de periode 1 mei 2013 tot en met 31 augustus 2013, en het nalaten van bloedmonstername ten behoeve van onderzoek naar ZvA in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 april 2014.
Het Tuchtgerecht is van oordeel dat voor wat betreft het jaar 2013 er in de praktijk sprake is van één keer geen bloed afnemen, waarbij de bloedmonsters voor verschillende controles worden gebruikt en dat er in dit geval dus sprake is van één overtreding, geen twee. Sinds 2014 wordt niet meer gecontroleerd op SVD en wordt betrokkenen dus alleen het niet-onderzoeken ten behoeve van ZvA verweten.
Dit levert op:
Eenmaal overtreding van artikel 2 lid 1 en 2 van de Verordening SVD en van artikel 3 lid 1 van de Verordening ZvA jo. artikel 1 van het Besluit monitoring ZvA bij varkens (PVV) 2008, alsmede eenmaal overtreding van artikel 3 lid 1 van de Verordening ZvA jo. artikel 1 van het Besluit monitoring ZvA bij varkens (PVV) 2008.
Motivering van tuchtrechtelijke maatregel :
Vanaf september 2009 is door het PVV nauwgezet de hand gehouden aan de monitoringsplicht voor SVD en ZvA. Vanaf begin 2010 is het PVV handhavend gaan optreden. Voor zowel SVD als de ZvA gold dat de fase van de verplichte vaccinatie is gevolgd door de status van officieel ziekte-vrij zijn.
Dit heeft geleid tot een verbod op het houden van varkens die niet vrij zijn van SVD of drager zijn van het ZvA-virus, danwel gevaccineerd zijn tegen deze ziekten. Voor het buitenland dient Nederland zichtbaar te kunnen maken dat het de status van ziekte-vrij zijn, verdient. Zonder monitoring kan de officiële ziekte-vrij status niet worden verkregen en behouden. De verboden zijn daarom ondersteund door een verplichting tot monitoring naar de aanwezigheid van voormelde dierziekten.
Het doel van de regelingen is, dat er - om de gezondheidstoestand van de varkens goed in beeld te krijgen - gespreid over het jaar driemaal gemonitord moet worden.
De exportbelangen voor de Nederlandse varkenshouderij en de daarvan afgeleide belangen voor de binnenlandse markt zijn dermate groot dat correcte naleving van de monitoringsplicht plaats dient te vinden, aldus valt op te maken uit de toelichting van de onderhavige Verordening.
In de praktijk bestaat hier en daar het misverstand dat het aantal bloedmonsters kan worden ingehaald (van een vorige periode) of vooruitgeschoven (naar een volgende periode) door extra bloedmonsters in eenzelfde periode te nemen. Het Tuchtgerecht benadrukt dat dit niet mogelijk is - simpelweg omdat het niet beantwoordt aan de verplichting om een gespreid beeld over het hele jaar te verkrijgen. Er dienen in iedere periode afzonderlijk voldoende bloedmonsters te worden genomen en geanalyseerd.
In verband met de (voorgenomen) opheffing van het PVV en overname van taken door het ministerie van Economische Zaken is bepaald dat de monitoring naar SVD op varkenshouderijen niet wordt aangemerkt als een publieke taak. Als gevolg daarvan is de monitoringstaak terzake SVD op varkenshouderijen met ingang van 1 januari 2014 geëindigd. De Verordening bestrijding ZvA bij varkens (PVV) 2008 blijft onverminderd van kracht.
Gelet op de door het Tuchtgerecht ontwikkelde richtsnoeren voor het opleggen van tuchtrechtelijke maatregelen, wordt de overtreding van de Verordeningen terzake SVD en ZvA als “zeer ernstig”, categorie A, aangemerkt. Dit betekent dat het Tuchtgerecht voor de periode waarin op beide Verordeningen werd gehandhaafd, in beginsel een boete van € 1.000 per geconstateerde overtreding wordt opgelegd. Voor de periode ná 1 januari 2014 wordt alleen nog de naleving van de Verordening ZvA gehandhaafd, waarvoor in beginsel een boete van € 500 per geconstateerde overtreding wordt opgelegd.
Op het bedrijf met [UBN] zijn, zo is ter zitting vast komen te staan, twee overtredingen begaan: één in 2013 van twee afzonderlijke verordeningen en één in 2014 van de Verordening ZvA.
Het Tuchtgerecht oordeelt dat betrokkene [betrokkene 1] B.V., verantwoordelijk was in periode 2 uit 2013.
In periode 1 van 2014 is [bedrijfsnaam 1] B.V. als UBN-houder weliswaar verantwoordelijk gebleven maar het Tuchtgerecht oordeelt dat [bedrijfsnaam 2] cv feitelijk exploitant van de locatie was en dus de partij was die in die periode voor het tappen had moeten zorgen.
De heer [betrokkene 1] heeft namens [bedrijfsnaam 2] cv verklaard dat hij persoonlijk de correspondentie over het nemen van bloedmonsters nooit heeft ontvangen, omdat die nog gestuurd werd naar het adres van zijn broer. Nu de cv op naam van beide broers staat en de heer [betrokkene 1] verantwoordelijk was voor de gang van zaken op het bedrijf, wordt dit verweer verworpen. Overigens oordeelt het Tuchtgerecht dat het nemen van voldoende bloedmonsters de verantwoordelijkheid van de ondernemer is, waarbij de brieven van het Productschap slechts ter herinnering worden gestuurd. Ook zonder deze brieven zijn betrokkenen verantwoordelijk voor het kennen van de regels en de toepassing daarvan op het eigen bedrijf. De heer [betrokkene 1] is niet nieuw in de varkenssector, gelet op het feit dat hij ook eigen varkenshouderijbedrijven heeft. De regels worden derhalve voor hem bekend verondersteld.
Aan betrokkenen zal een geldboete van de hierna nader te bepalen omvang worden opgelegd.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete wordt rekening gehouden met het feit dat aan geen van beide betrokkenen eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd, met de grootte van het bedrijf (een B-bedrijf met ca. 325 zeugen) en met de bijzondere omstandigheden waarbij de ene broer niet meer in staat was zijn bedrijf te leiden en de andere broer is ingesprongen. Al deze omstandigheden in aanmerking nemende legt het Tuchtgerecht de geldboete deels voorwaardelijk op.
Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht dat aan betrokkenen - gelet op artikel 5 van de Verordening SVD en artikel 10 lid 2 van de Verordening ZvA - de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:
Beslissing :
1. Ten aanzien van [bedrijfsnaam 1] B.V. , betreffende periode 2 van 2013:
Een geldboete van € 500 (zegge: vijfhonderd euro), waarvan € 250 (zegge: tweehonderd vijftig euro) voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
2. Ten aanzien van [bedrijfsnaam 1] B.V. , betreffende periode 1 van 2014:
Schuldigverklaring zonder strafoplegging.
Ten aanzien van [bedrijfsnaam 2] cv, betreffende periode 1 van 2014:
Een geldboete van € 250 (zegge: tweehonderd vijftig euro), waarvan € 125 (zegge: eenhonderd vijfentwintig euro) voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar .
Voorwaarde is dat binnen de proeftijd door elk der betrokkenen geen enkele bepaling inzake dierziekten mag worden overtreden. Wordt aan de voorwaarde niet voldaan dan kan de Minister van Economische Zaken (als rechtsopvolger van het Productschap) aan het Tuchtgerecht verzoeken om de voorwaardelijke boete alsnog ten uitvoer te leggen. De proeftijd gaat onmiddellijk in nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt.
Toepasselijke artikelen :
Naast de reeds vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Vee en Vlees.
Samenstelling van het Tuchtgerecht :
De uitspraak is gedaan door mr. drs. J.Y.B. Jansen, voorzitter, en de heren mr. H.J. van Heusden en B.G.J. Gussinklo, leden, in aanwezigheid van drs. A.M.P. Regout, secretaris.