ECLI:NL:TVVTPVV:2014:20 Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees Zoetermeer TPVV2714
| ECLI: | ECLI:NL:TVVTPVV:2014:20 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-11-2014 |
| Datum publicatie: | 27-11-2014 |
| Zaaknummer(s): | TPVV2714 |
| Onderwerp: | Diergezondheid |
| Beslissingen: | Geldboete |
| Inhoudsindicatie: | Betreft 2 overtredingen: geen dan wel onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de Vesiculaire varkensziekte (SVD) en op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky (ZvA) in de periode 1 september 2013 tot en met 31 december 2013. Daarnaast hetzelfde met betrekking tot ZvA voor wat betreft de periode 1 januari 2014 tot en met 30 april 2014. In verband met de (voorgenomen) opheffing van het PVV en overname van taken door het ministerie van Economische Zaken is bepaald dat de monitoring naar SVD op varkenshouderijen niet wordt aangemerkt als een publieke taak. Als gevolg daarvan is de monitoringstaak terzake SVD op varkenshouderijen met ingang van 1 januari 2014 geëindigd. De Verordening bestrijding ZvA bij varkens (PVV) 2008 blijft van kracht. Betrokkene was opnieuw gestart, er was sprake van leegstand van een deel van de periode. Door betrokkene is aanvankelijk aangevoerd dat de dierenarts het altijd regelt. Ter zitting erkent hij dat hij verantwoordelijk is. Het Tuchtgerecht benadrukt dat de ondernemer altijd verantwoordelijk blijft voor de juiste gang van zaken op zijn bedrijf, ook indien zaken aan derden worden uitbesteed. In deze zaak wordt een geldboete van 750 euro opgelegd, deels voorwaardelijk. |
Zaaknummer :
TPVV 27/2014
Betrokkene :
Maatschap [bedrijfsnaam]
[adres]
Datum :
24 november 2014
Gang van zaken :
De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD SVD-ZvA 1452, naar aanleiding van een administratieve inspectie op 10 juli 2014 door een controleur van CoMore met betrekking tot de locatie [adres], die op naam van Maatschap [bedrijfsnaam]geregistreerd is onder [UBN].
Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, als bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.
Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 28 oktober 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.
Ter zitting is verschenen d e heer [betrokkene], geboren [1967] te [geboorteplaats] (hierna: betrokkene).
Voorts zijn ter zitting verschenen mevrouw M. Makkinje namens het Productschap Vee en Vlees (PVV) en de heer H.G.M. Grolleman, namens CoMore.
Het Tuchtgerecht heeft op 24 november 2014 uitspraak gedaan.
Verweten gedraging :
Met betrekking tot de varkens bedrijfsmatig gehouden op het [UBN] zijn geen dan wel onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de Vesiculaire varkensziekte (hierna: SVD) en op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky (hierna: ZvA), in de periode 1 september 2013 tot en met 31 december 2013. Daarnaast is voor wat betreft de periode 1 januari 2014 tot en met 30 april 2014 eenzelfde constatering gedaan met betrekking tot ZvA.
Verklaring van betrokkene :
In het berechtingsrapport heeft betrokkene onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:
“Ik heb de brief van 3 december 2013 wel gezien maar toen waren de varkens al weg. De zeugen zijn weg gegaan in september 2013 en de laatste biggen zijn eind oktober 2013 afgevoerd. We zijn druk geweest met het bouwen van een nieuwe stal en eind maart 2014 zijn er weer varkens aangevoerd. Ik dacht dat de dierenartsen het bloedtappen ook bijhielden. Ik kan het niet meer terugdraaien. Het is geen opzet geweest.”
Ter zitting heeft betrokkene onder meer nog verklaard, zakelijk weergegeven:
“Ik ben opnieuw gestart, vandaar de leegstand. Ik heb er ook niet aan gedacht om de leegstand te melden, dat is gewoon een fout van mij. Ik wist het niet. In december 2013 hebben we wel bij de vleesvarkens getapt. Naar aanleiding van de brief van het Productschap heb ik de dierenarts gebeld. Die zei dat er getapt was en dat er niets meer hoefde. Ik ben dus afgegaan op de dierenarts, maar ik erken mijn fout. Intussen zijn we ook overgestapt naar een andere dierenarts. Nu zitten we bij een dierenarts die meerdere varkenshouderijbedrijven bedient en dus meer kennis van zaken heeft”.
Bewijs en verwijtbaarheid :
Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van hetgeen ter zitting is komen vast te staan dat op het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is onder [UBN], de volgende gedragingen hebben plaatsgevonden:
Het nalaten van bloedmonstername ten behoeve van onderzoek naar SVD en ZvA, in de periode van 1 september 2013 tot en met 31 december 2013 en het nalaten van bloedmonstername ten behoeve van onderzoek naar ZvA in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 april 2014.
Het Tuchtgerecht is van oordeel dat voor wat betreft het jaar 2013 er in de praktijk sprake is van één keer geen bloed afnemen, waarbij de bloedmonsters voor verschillende controles worden gebruikt en dat er in dit geval dus sprake is van één overtreding, geen twee. Sinds 2014 wordt niet meer gecontroleerd op SVD en wordt betrokkene dus alleen het niet-onderzoeken ten behoeve van ZvA verweten.
Dit levert op:
Eenmaal overtreding van artikel 2 lid 1 en 2 van de Verordening SVD en van artikel 3 lid 1 van de Verordening ZvA jo. artikel 1 van het Besluit monitoring ZvA bij varkens (PVV) 2008, alsmede eenmaal overtreding van artikel 3 lid 1 van de Verordening ZvA jo. artikel 1 van het Besluit monitoring ZvA bij varkens (PVV) 2008.
Motivering van tuchtrechtelijke maatregel :
Vanaf september 2009 is door het PVV nauwgezet de hand gehouden aan de monitoringsplicht voor SVD en ZvA. Vanaf begin 2010 is het PVV handhavend gaan optreden. Voor zowel SVD als de ZvA gold dat de fase van de verplichte vaccinatie is gevolgd door de status van officieel ziekte-vrij zijn.
Dit heeft geleid tot een verbod op het houden van varkens die niet vrij zijn van SVD of drager zijn van het ZvA-virus, danwel gevaccineerd zijn tegen deze ziekten. Voor het buitenland dient Nederland zichtbaar te kunnen maken dat het de status van ziekte-vrij zijn, verdient. Zonder monitoring kan de officiële ziekte-vrij status niet worden verkregen en behouden. De verboden zijn daarom ondersteund door een verplichting tot monitoring naar de aanwezigheid van voormelde dierziekten.
Het doel van de regelingen is, dat er - om de gezondheidstoestand van de varkens goed in beeld te krijgen - gespreid over het jaar driemaal gemonitord moet worden.
De exportbelangen voor de Nederlandse varkenshouderij en de daarvan afgeleide belangen voor de binnenlandse markt zijn dermate groot dat correcte naleving van de monitoringsplicht plaats dient te vinden, aldus valt op te maken uit de toelichting van de onderhavige Verordening.
In de praktijk bestaat hier en daar het misverstand dat het aantal bloedmonsters kan worden ingehaald (van een vorige periode) of vooruitgeschoven (naar een volgende periode) door extra bloedmonsters in eenzelfde periode te nemen. Het Tuchtgerecht benadrukt dat dit niet mogelijk is - simpelweg omdat het niet beantwoordt aan de verplichting om een gespreid beeld over het hele jaar te verkrijgen. Er dienen in iedere periode afzonderlijk voldoende bloedmonsters te worden genomen en geanalyseerd.
In verband met de (voorgenomen) opheffing van het PVV en overname van taken door het ministerie van Economische Zaken is bepaald dat de monitoring naar SVD op varkenshouderijen niet wordt aangemerkt als een publieke taak. Als gevolg daarvan is de monitoringstaak terzake SVD op varkenshouderijen met ingang van 1 januari 2014 geëindigd. De Verordening bestrijding ZvA bij varkens (PVV) 2008 blijft onverminderd van kracht.
Gelet op de door het Tuchtgerecht ontwikkelde richtsnoeren voor het opleggen van tuchtrechtelijke maatregelen, wordt de overtreding van de Verordeningen terzake SVD en ZvA als “zeer ernstig”, categorie A, aangemerkt. Dit betekent dat het Tuchtgerecht voor de periode waarin op beide Verordeningen werd gehandhaafd, in beginsel een boete van € 1.000 per geconstateerde overtreding wordt opgelegd. Voor de periode ná 1 januari 2014 wordt alleen nog de naleving van de Verordening ZvA gehandhaafd, waarvoor in beginsel een boete van € 500 per geconstateerde overtreding wordt opgelegd.
Op het bedrijf van betrokkene, met [UBN] zijn, zo is ter zitting vast komen te staan, twee overtredingen begaan: één in 2013 van twee afzonderlijke verordeningen en één in 2014 van de Verordening ZvA.
Door betrokkene is aanvankelijk aangevoerd dat de dierenarts het altijd regelt. Ter zitting erkent hij dat hij verantwoordelijk is. Het Tuchtgerecht benadrukt dat de ondernemer altijd verantwoordelijk blijft voor de juiste gang van zaken op zijn bedrijf, ook indien zaken aan derden worden uitbesteed.
Aan betrokkene zal een geldboete van de hierna nader te bepalen omvang worden opgelegd.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete wordt rekening gehouden met het feit dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd en met het feit dat betrokkene (met circa 425 zeugen) een relatief klein bedrijf heeft. Ook heeft het Tuchtgerecht ter zitting de indruk gekregen dat betrokkene in het algemeen een consciëntieuze bedrijfsvoering heeft en dat hij maatregelen heeft getroffen om herhaling in de toekomst te voorkomen, onder meer door de wisseling van dierenarts. Dit alles in aanmerking genomen legt het Tuchtgerecht de geldboete deels voorwaardelijk op.
Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht dat aan betrokkene - gelet op artikel 5 van de Verordening SVD en artikel 10 lid 2 van de Verordening ZvA - de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:
Beslissing :
Een geldboete van € 750 (zegge: zevenhonderd vijftig euro), waarvan € 375 (zegge: driehonderd vijfenzeventig euro) voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar .
Voorwaarde is dat binnen de proeftijd door betrokkene geen enkele bepaling inzake dierziekten mag worden overtreden. Wordt aan de voorwaarde niet voldaan dan kan de Minister van Economische Zaken (als rechtsopvolger van het Productschap) aan het Tuchtgerecht verzoeken om de voorwaardelijke boete alsnog ten uitvoer te leggen. De proeftijd gaat onmiddellijk in nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt.
Toepasselijke artikelen :
Naast de reeds vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Vee en Vlees.
Samenstelling van het Tuchtgerecht:
De uitspraak is gedaan door mr. drs. J.Y.B. Jansen, voorzitter, en de heren mr. H.J. van Heusden en B.G.J. Gussinklo, leden, in aanwezigheid van drs. A.M.P. Regout, secretaris.