ECLI:NL:TVVTPVV:2014:19 Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees Zoetermeer TPVV2514

ECLI: ECLI:NL:TVVTPVV:2014:19
Datum uitspraak: 24-11-2014
Datum publicatie: 27-11-2014
Zaaknummer(s): TPVV2514
Onderwerp: Diergezondheid
Beslissingen: Geldboete
Inhoudsindicatie: Er zijn geen dan wel onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky (ZvA), in de periode 1 januari 2014 tot en met 30 april 2014.   Betrokkene heeft ter zitting op afdoende wijze duidelijk gemaakt dat het een noodsituatie betrof. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete wordt rekening gehouden met het feit dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd en met de bijzondere omstandigheden door betrokkene geschetst. Ook heeft het Tuchtgerecht ter zitting de indruk gekregen dat betrokkene in het algemeen een consciëntieuze bedrijfsvoering heeft en dat hij maatregelen heeft getroffen om herhaling in de toekomst te voorkomen. Dit alles in aanmerking genomen legt het Tuchtgerecht de geldboete geheel voorwaardelijk op.

Zaaknummer :

TPVV 25/2014

Betrokkene :

[bedrijfsnaam]

[adres]

Datum :

24 november 2014

Gang van zaken :

De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD ZvA 1450, naar aanleiding van een administratieve inspectie op 24 juli 2014 door een controleur van CoMore met betrekking tot de locatie [adres] , die op naam van [bedrijfsnaam] geregistreerd is onder [UBN].

Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, als bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 28 oktober 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.

Ter zitting is verschenen de heer [betrokkene], geboren [964] te [geboorteplaats] (hierna: betrokkene).

Voorts zijn ter zitting verschenen mevrouw M. Makkinje namens het Productschap Vee en Vlees (PVV) en de heer H.G.M. Grolleman, namens CoMore.

Het Tuchtgerecht heeft op 24 november 2014 uitspraak gedaan.

Verweten gedraging :

Met betrekking tot de varkens bedrijfsmatig gehouden op het [UBN] zijn geen dan wel onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky (hierna: ZvA), in de periode 1 januari 2014 tot en met 30 april 2014.

Verklaring van betrokkene :

In het berechtingsrapport heeft betrokkene onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

“De bloedmonsters worden altijd aan de slachtlijn (..) genomen. Het is een moeilijk voorjaar geweest. Ik ben er zelf even tussenuit geweest omdat mijn vader een herseninfarct heeft gehad in Spanje. Van begin april tot half mei 2014 ben ik daar druk mee geweest. Ik dacht dat het bloedtappen altijd automatisch ging. Er worden iedere week circa 240 vleesvarkens geslacht. Er hadden dus ook in de eerste drie maanden al bloedmonsters genomen kunnen worden en normaal gesproken zorgt mijn varkenshandelaar daar ook voor. Er zijn eind mei 2014 bloedmonsters genomen voor het tweede trimester van 2014.”

Ter zitting heeft betrokkene onder meer nog verklaard, zakelijk weergegeven:

“ Ik was altijd subfokker van Topigs. Toen werkten we met schema’s. Nu ben ik voor mezelf begonnen en zeiden ze dat het bloedmonsters tappen aan de slachtlijn kon. Dat bleek niet goed te werken. Nu heb ik het weer bij de dierenarts neergelegd. Het is uiteindelijk mijn verantwoording, dat weet ik. Ik kon er dit keer niet op inspringen vanwege de zorgen om mijn vader. Toen ik het bericht hoorde over de gezondheidsproblemen van mijn vader (die op vakantie was in Spanje), ben ik direct afgereisd. De brief van het Productschap d.d. 11 april is tijdens mijn afwezigheid niet goed opgepakt. In de periode dat ik in Spanje was, heeft een zzp’er waar ik wel mee werk, het overgenomen. Die bleek niet zo goed in administratie. Overigens houd ik geen zeugen, maar vleesvarkens.”

Bewijs en verwijtbaarheid :

Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van hetgeen ter zitting is komen vast te staan dat op het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is onder [UBN], de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:

Het nalaten van bloedmonstername ten behoeve van onderzoek naar ZvA, in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 april 2014.

Dit levert op:

Eenmaal overtreding van artikel 3 lid 1 van de Verordening ZvA jo. artikel 1 van het Besluit monitoring ZvA bij varkens (PVV) 2008.

Motivering van tuchtrechtelijke maatregel :

Vanaf september 2009 is door het PVV nauwgezet de hand gehouden aan de monitoringsplicht voor SVD en ZvA. Vanaf begin 2010 is het PVV handhavend gaan optreden. Voor zowel SVD als de ZvA gold dat de fase van de verplichte vaccinatie is gevolgd door de status van officieel ziekte-vrij zijn.

Dit heeft geleid tot een verbod op het houden van varkens die niet vrij zijn van SVD of drager zijn van het ZvA-virus, danwel gevaccineerd zijn tegen deze ziekten. Voor het buitenland dient Nederland zichtbaar te kunnen maken dat het de status van ziekte-vrij zijn, verdient. Zonder monitoring kan de officiële ziekte-vrij status niet worden verkregen en behouden. De verboden zijn daarom ondersteund door een verplichting tot monitoring naar de aanwezigheid van voormelde dierziekten.

Het doel van de regelingen is, dat er - om de gezondheidstoestand van de varkens goed in beeld te krijgen - gespreid over het jaar driemaal gemonitord moet worden.

De exportbelangen voor de Nederlandse varkenshouderij en de daarvan afgeleide belangen voor de binnenlandse markt zijn dermate groot dat correcte naleving van de monitoringsplicht plaats dient te vinden, aldus valt op te maken uit de toelichting van de onderhavige Verordening.

In verband met de (voorgenomen) opheffing van het PVV en overname van taken door het ministerie van Economische Zaken is bepaald dat de monitoring naar SVD op varkenshouderijen niet wordt aangemerkt als een publieke taak. Als gevolg daarvan is de monitoringstaak terzake SVD op varkenshouderijen met ingang van 1 januari 2014 geëindigd. De Verordening bestrijding ZvA bij varkens (PVV) 2008 blijft onverminderd van kracht.

Gelet op de door het Tuchtgerecht ontwikkelde richtsnoeren voor het opleggen van tuchtrechtelijke maatregelen, wordt de overtreding als “zeer ernstig”, categorie A, aangemerkt. Voor de periode ná 1 januari 2014, waarbij alleen nog de naleving van de Verordening ZvA gehandhaafd, wordt in beginsel een boete van € 500 per geconstateerde overtreding opgelegd.

Op het bedrijf van betrokkene, met [UBN] is, zo is ter zitting vast komen te staan, een overtreding begaan van de Verordening ZvA.

Betrokkene heeft ter zitting op afdoende wijze duidelijk gemaakt dat het een noodsituatie betrof, die heeft geleid tot de overtreding. Het Tuchtgerecht oordeelt dat er sprake is van een eenmalige omissie, veroorzaakt door een combinatie van huiselijke omstandigheden en klaarblijkelijk niet adequaat handelen van de ingeschakelde zzp’er.

Aan betrokkene zal een geldboete van de hierna nader te bepalen omvang worden opgelegd.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete wordt rekening gehouden met het feit dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd en met de bijzondere omstandigheden door betrokkene geschetst. Ook heeft het Tuchtgerecht ter zitting de indruk gekregen dat betrokkene in het algemeen een consciëntieuze bedrijfsvoering heeft en dat hij maatregelen heeft getroffen om herhaling in de toekomst te voorkomen. Dit alles in aanmerking genomen legt het Tuchtgerecht de geldboete geheel voorwaardelijk op.

Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht dat aan betrokkene – gelet op artikel 10 lid 2 van de Verordening ZvA – de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:

Beslissing :

Een geldboete van € 750 (zegge: zevenhonderd vijftig euro), geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar .

Voorwaarde is dat binnen de proeftijd door betrokkene geen enkele bepaling inzake dierziekten mag worden overtreden. Wordt aan de voorwaarde niet voldaan dan kan de Minister van Economische Zaken (als rechtsopvolger van het Productschap) aan het Tuchtgerecht verzoeken om de voorwaardelijke boete alsnog ten uitvoer te leggen. De proeftijd gaat onmiddellijk in nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt.

Toepasselijke artikelen :

Naast de reeds vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Vee en Vlees.

Samenstelling van het Tuchtgerecht :

De uitspraak is gedaan door mr. drs. J.Y.B. Jansen, voorzitter, en de heren mr. H.J. van Heusden en B.G.J. Gussinklo, leden, in aanwezigheid van drs. A.M.P. Regout, secretaris.