ECLI:NL:TVVTPVV:2014:18 Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees Zoetermeer TPVV2014
| ECLI: | ECLI:NL:TVVTPVV:2014:18 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-11-2014 |
| Datum publicatie: | 27-11-2014 |
| Zaaknummer(s): | TPVV2014 |
| Onderwerp: | Diergezondheid |
| Beslissingen: | Geldboete |
| Inhoudsindicatie: | Betreft 2 overtredingen: geen dan wel onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de Vesiculaire varkensziekte (SVD) en op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky (ZvA) in de periode 1 mei 2013 tot en met 31 augustus 2013. Daarnaast hetzelfde met betrekking tot ZvA voor wat betreft de periode 1 januari 2014 tot en met 30 april 2014. In eerdere uitspraken bepaalde het Tuchtgerecht dat de Verordeningen zich weliswaar richten op de UBN-houder, maar dat ook de feitelijke houder ofwel de exploitant onder het bereik van een verordening kan vallen. In het onderhavige geval is niet duidelijk wat de afspraken tussen betrokkenen zijn. Nu geen van de betrokkenen ter zitting verschenen is om een en ander toe te lichten, kan het Tuchtgerecht niet anders dan concluderen dat beide voor een deel verantwoordelijk zijn voor de gang van zaken op het bedrijf. Wordt aan beiden een geldboete van 750 euro opgelegd, eenmaal geheel voorwaardelijk, eenmaal geheel onvoorwaardelijk. |
Zaaknummer :
TPVV 20/2014
Betrokkenen :
[bedrijfsnaam 1]
[adres 1]
en
[bedrijsnaam 2].
[adres 2]
Datum :
24 november 2014
Gang van zaken :
De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD SVD-ZvA 1445, naar aanleiding van een administratieve inspectie op 17 juli 2014 en 30 juli 2014 door een controleur van CoMore met betrekking tot de locatie adres 1], die op naam van [betrokkene 1] geregistreerd is onder [UBN].
Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, als bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.
Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 28 oktober 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.
Betrokkenen zijn behoorlijk en tijdig bij aangetekende brief opgeroepen, maar zijn niet op de zitting verschenen, zodat verstek is verleend. Op 17 oktober 2014 heeft het Tuchtgerecht per e-mail namens betrokkene [betrokkene 1] een verweerschrift ontvangen.
Voorts zijn ter zitting verschenen mevrouw M. Makkinje namens het Productschap Vee en Vlees (PVV) en de heer H.G.M. Grolleman, namens CoMore.
Het Tuchtgerecht heeft op 24 november 2014 uitspraak gedaan.
Verweten gedraging :
Met betrekking tot de varkens bedrijfsmatig gehouden op het [UBN] zijn geen dan wel onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de Vesiculaire varkensziekte (hierna: SVD) en op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky (hierna: ZvA), in de periode 1 mei 2013 tot en met 31 augustus 2013. Daarnaast is voor wat betreft de periode 1 januari 2014 tot en met 30 april 2014 eenzelfde constatering gedaan met betrekking tot ZvA.
Verklaring van betrokkenen :
In het berechtingsrapport heeft betrokkene [betrokkene 1]onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:
“De varkens zijn van varkenshandelaar [betrokkene 2] Ik ben wel de houder van het UBN, maar het bloedtappen wordt door [betrokkene 2] geregeld.(…) De brieven die ik gekregen heb geef ik altijd aan de heer [betrokkene 2].”
In het berechtingsrapport heeft betrokkene [betrokkene 2] onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:
“Van de periode voor het 3e trimester 2013 heb ik geen administratie meer. De bloedmonsters van het eerste trimester van 2014 zijn genomen op 1 mei 2014 (één dag te laat) en de monsters van het tweede trimester zijn genomen op 7 juli 2014. (…) Wij hebben meer dan 30 van dit soort huurstallen en als er brieven over komen kan het soms net te lang duren voordat wij die te zien krijgen. Die brieven moeten dan van de eigenaar van de stal via onze voerder op die stallen bij ons terecht komen. Daar kan dan zomaar een week overheen gaan.”
Het verweerschrift van betrokkene [bedrijfsnaam 1] wordt bij de stukken van de zaak gevoegd. De inhoud hiervan luidt, zakelijk weergegeven, dat de heer [betrokkene 1] nogmaals verklaart dat de stallen zijn verhuurd aan varkenshandelaar [bedrijfsnaam 2] en dat deze dus verantwoordelijk is voor het tijdig nemen van de benodigde bloedmonsters. Verder verklaart de heer [betrokkene 1] dat de brieven van 2 augustus 2013 en van 11 april 2014 direct na ontvangst klaargelegd zijn voor de voerder van [bedrijfsnaam 2], die deze brieven ook heeft meegenomen voor verdere afwikkeling.
Bewijs en verwijtbaarheid :
In eerdere uitspraken, bepaalde het Tuchtgerecht al, dat de Verordeningen zich weliswaar richten op de UBN-houder, maar dat ook de feitelijke houder ofwel de exploitant onder het bereik van een verordening kan vallen. De UBN-houder blijft onder alle omstandigheden ook verantwoordelijk voor de juiste naleving van de Verordening monitoring vesiculaire varkensziekte (PVV) 2009 (hierna: Verordening SVD) en van de Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky bij varkens (PVV) 2008 (hierna: Verordening ZvA).
In het onderhavige geval is niet duidelijk wat de afspraken tussen betrokkenen zijn. Nu geen van de betrokkenen ter zitting verschenen is om een en ander toe te lichten, kan het Tuchtgerecht niet anders dan concluderen dat beide voor een deel verantwoordelijk zijn voor de gang van zaken op het bedrijf dat geregistreerd is onder [UBN].
Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van hetgeen ter zitting is komen vast te staan dat op het bedrijf dat geregistreerd is onder [UBN], de volgende gedragingen hebben plaatsgevonden:
Het nalaten van bloedmonstername ten behoeve van onderzoek naar SVD en ZvA, in de periode 1 mei 2013 tot en met 31 augustus 2013 en het nalaten van bloedmonstername ten behoeve van onderzoek naar ZvA in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 april 2014.
Het Tuchtgerecht is van oordeel dat voor wat betreft het jaar 2013 er in de praktijk sprake is van één keer geen bloed afnemen, waarbij de bloedmonsters voor verschillende controles worden gebruikt en dat er in dit geval dus sprake is van één overtreding, geen twee. Sinds 2014 wordt niet meer gecontroleerd op SVD en wordt betrokkenen dus alleen het niet-onderzoeken ten behoeve van ZvA verweten.
Dit levert op:
Eenmaal overtreding van artikel 2 lid 1 en 2 van de Verordening SVD en van artikel 3 lid 1 van de Verordening ZvA jo. artikel 1 van het Besluit monitoring ZvA bij varkens (PVV) 2008, alsmede eenmaal overtreding van artikel 3 lid 1 van de Verordening ZvA jo. artikel 1 van het Besluit monitoring ZvA bij varkens (PVV) 2008.
Motivering van tuchtrechtelijke maatregel :
Vanaf september 2009 is door het PVV nauwgezet de hand gehouden aan de monitoringsplicht voor SVD en ZvA. Vanaf begin 2010 is het PVV handhavend gaan optreden. Voor zowel SVD als de ZvA gold dat de fase van de verplichte vaccinatie is gevolgd door de status van officieel ziekte-vrij zijn.
Dit heeft geleid tot een verbod op het houden van varkens die niet vrij zijn van SVD of drager zijn van het ZvA-virus, danwel gevaccineerd zijn tegen deze ziekten. Voor het buitenland dient Nederland zichtbaar te kunnen maken dat het de status van ziekte-vrij zijn, verdient. Zonder monitoring kan de officiële ziekte-vrij status niet worden verkregen en behouden. De verboden zijn daarom ondersteund door een verplichting tot monitoring naar de aanwezigheid van voormelde dierziekten.
Het doel van de regelingen is, dat er - om de gezondheidstoestand van de varkens goed in beeld te krijgen - gespreid over het jaar driemaal gemonitord moet worden.
De exportbelangen voor de Nederlandse varkenshouderij en de daarvan afgeleide belangen voor de binnenlandse markt zijn dermate groot dat correcte naleving van de monitoringsplicht plaats dient te vinden, aldus valt op te maken uit de toelichting van de onderhavige Verordening.
In de praktijk bestaat hier en daar het misverstand dat het aantal bloedmonsters kan worden ingehaald (van een vorige periode) of vooruitgeschoven (naar een volgende periode) door extra bloedmonsters in eenzelfde periode te nemen. Het Tuchtgerecht benadrukt dat dit niet mogelijk is - simpelweg omdat het niet beantwoordt aan de verplichting om een gespreid beeld over het hele jaar te verkrijgen. Er dienen in iedere periode afzonderlijk voldoende bloedmonsters te worden genomen en geanalyseerd.
In verband met de (voorgenomen) opheffing van het PVV en overname van taken door het ministerie van Economische Zaken is bepaald dat de monitoring naar SVD op varkenshouderijen niet wordt aangemerkt als een publieke taak. Als gevolg daarvan is de monitoringstaak terzake SVD op varkenshouderijen met ingang van 1 januari 2014 geëindigd. De Verordening bestrijding ZvA bij varkens (PVV) 2008 blijft onverminderd van kracht.
Gelet op de door het Tuchtgerecht ontwikkelde richtsnoeren voor het opleggen van tuchtrechtelijke maatregelen, wordt de overtreding van de Verordeningen terzake SVD en ZvA als “zeer ernstig”, categorie A, aangemerkt. Dit betekent dat het Tuchtgerecht voor de periode waarin op beide Verordeningen werd gehandhaafd, in beginsel een boete van € 1.000 per geconstateerde overtreding wordt opgelegd. Voor de periode ná 1 januari 2014 wordt alleen nog de naleving van de Verordening ZvA gehandhaafd, waarvoor in beginsel een boete van € 500 per geconstateerde overtreding wordt opgelegd.
Op het bedrijf van betrokkenen, met UBN 288516 zijn, zo is ter zitting vast komen te staan, twee overtredingen begaan: één in 2013 van twee afzonderlijke verordeningen en één in 2014 van de Verordening ZvA.
Beide betrokkenen zijn niet op de zitting gekomen om te verduidelijken hoe de onderlinge afspraken zijn. Betrokkene [betrokkene 1] legt in zijn schriftelijke verklaring de verantwoordelijkheid bij de heer [betrokkene 2]. Betrokkene [betrokkene 2] heeft niet expliciet aangegeven zich verantwoordelijk te voelen, maar in de verklaring van betrokkene [betrokkene 2] is naar het oordeel van het Tuchtgerecht wel te lezen dat hij de verantwoordelijkheid op zich neemt. Daarnaast blijft betrokkene [betrokkene 1] echter, als UBN-houder, ook verantwoordelijk voor de gang van zaken op zijn bedrijf.
Betrokkene [betrokkene 2] heeft aangevoerd van de periode voor het 3e trimester 2013 geen administratie meer te hebben. Het Tuchtgerecht oordeelt dat van een ondernemer die een groot aantal varkenslocaties in exploitatie heeft, zoals in casu het geval is, verwacht mag worden dat hij een uiterst zorgvuldige administratie voert en extra inspanningen pleegt om een adequaat overzicht te bewaren. Niet is gebleken dat de ondernemer voldoende zorgvuldig heeft gehandeld.
Door betrokkene [betrokkene 2] is aangevoerd dat het soms een tijd kan duren voordat brieven van de UBN-houder via de voerder bij hem terecht komen. Betrokkene [betrokkene 1] heeft in zijn verweer uitdrukkelijk verklaard brieven altijd direct voor de heer [betrokkene 2] klaar te leggen. Het Tuchtgerecht tekent daarnaast aan dat – ook zonder herinneringsbrieven van het Productschap – betrokkene de regels dient te kennen en verantwoordelijk is voor de juiste gang van zaken ten aanzien van de varkens op zijn bedrijf. Het verweer wordt verworpen.
Aan betrokkenen zal een geldboete van de hierna nader te bepalen omvang worden opgelegd.
Bij het bepalen van de hoogte van de boete houdt het Tuchtgerecht rekening met de grootte van het bedrijf, een D-bedrijf met ca. 250 vleesvarkens.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete tekent het Tuchtgerecht ten aanzien van betrokkene [betrokkene 2]aan dat aan betrokkene in 2012 in een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Deze eerdere veroordeling is voor het Tuchtgerecht aanleiding de geldboete geheel onvoorwaardelijk op te leggen.
Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht dat aan betrokkenen - gelet op artikel 5 van de Verordening SVD en artikel 10 lid 2 van de Verordening ZvA - de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:
Beslissing :
1. Ten aanzien van [betrokkene 1]:
Een geldboete van € 750 (zegge: zevenhonderd vijftig euro), geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
2. Ten aanzien van [betrokkene 2]:
Een geldboete van € 750 (zegge: zevenhonderd vijftig euro), geheel onvoorwaardelijk.
Ten aanzien van 1. geldt de voorwaarde dat binnen de proeftijd door betrokkene geen enkele bepaling inzake dierziekten mag worden overtreden. Wordt aan de voorwaarde niet voldaan dan kan de Minister van Economische Zaken (als rechtsopvolger van het Productschap) aan het Tuchtgerecht verzoeken om de voorwaardelijke boete alsnog ten uitvoer te leggen. De proeftijd gaat onmiddellijk in nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt.
Toepasselijke artikelen :
Naast de reeds vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Vee en Vlees.
Samenstelling van het Tuchtgerecht :
De uitspraak is gedaan door mr. drs. J.Y.B. Jansen, voorzitter, en de heren mr. H.J. van Heusden en B.G.J. Gussinklo, leden, in aanwezigheid van drs. A.M.P. Regout, secretaris.