ECLI:NL:TVVTPVV:2014:16 Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees Zoetermeer TPVV1814

ECLI: ECLI:NL:TVVTPVV:2014:16
Datum uitspraak: 24-11-2014
Datum publicatie: 27-11-2014
Zaaknummer(s): TPVV1814
Onderwerp: Diergezondheid
Beslissingen: Geldboete
Inhoudsindicatie:     Betreft 2 overtredingen: geen dan wel onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de Vesiculaire varkensziekte (SVD) en op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky (ZvA) in de periode 1 september 2013 tot en met 31 december 2013. Daarnaast hetzelfde met betrekking tot ZvA voor wat betreft de periode 1 januari 2014 tot en met 30 april 2014.   In verband met de (voorgenomen) opheffing van het PVV en overname van taken door het ministerie van Economische Zaken is bepaald dat de monitoring naar SVD op varkenshouderijen niet wordt aangemerkt als een publieke taak. Als gevolg daarvan is de monitoringstaak terzake SVD op varkenshouderijen met ingang van 1 januari 2014 geëindigd. De Verordening bestrijding ZvA bij varkens (PVV) 2008 blijft onverminderd van kracht. In deze zaak wordt een geldboete opgelegd, geheel voorwaardelijk.  

Zaaknummer :

TPVV 18/2014

Betrokkene :

Maatschap [bedrijfsnaam]

[adres]

Datum :

24 november 2014

Gang van zaken :

De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD SVD-ZvA 1442, naar aanleiding van een administratieve inspectie op 10 juli 2014 door een controleur van CoMore met betrekking tot de locatie [adres], die op naam van Maatschap [bedrijfsnaam] geregistreerd is onder [UBN].

Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, als bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 28 oktober 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.

Ter zitting is verschenen de heer [betrokkene 1], geboren [1964] te [geboorteplaats 1] en mevrouw [betrokkene 2], geboren [1968] te [geboorteplaats 2](hierna: betrokkene).

Voorts zijn ter zitting verschenen mevrouw M. Makkinje namens het Productschap Vee en Vlees (PVV) en de heer H.G.M. Grolleman, namens CoMore.

Het Tuchtgerecht heeft op 24 november 2014 uitspraak gedaan.

Verweten gedraging :

Met betrekking tot de varkens bedrijfsmatig gehouden op het [UBN] zijn geen dan wel onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de Vesiculaire varkensziekte (hierna: SVD) en op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky (hierna: ZvA), in de periode 1 september 2013 tot en met 31 december 2013. Daarnaast is voor wat betreft de periode 1 januari 2014 tot en met 30 april 2014 eenzelfde constatering gedaan met betrekking tot ZvA.

Verklaring van betrokkene :

In het berechtingsrapport heeft betrokkene onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

“Ik wist zeker dat er bloed getapt was maar naar nu blijkt is dat uitsluitend geweest voor de vruchtbaarheidsonderzoeken. Toen ik de brieven van het Productschap kreeg heb ik geen actie ondernomen omdat ik ervan overtuigd was dat er bloed getapt was. (…) Ik heb telefonisch contact gehad met de dierenartsenpraktijk en het lijkt erop dat het bloedtappen voor SVD en ZVA vergeten is. Ik zal de dierenarts vragen bloedmonsters te nemen.”

In het berechtingsrapport heeft dierenarts [naam dierenarts] van DAP [naam] onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

“Ik heb zojuist 9 bloedmonsters genomen op het bedrijf van de heer [betrokkene 1]. We hebben tevens het bloedtappen aan de slachtlijn geregeld met de slachterij en de GD. Het is geen opzet geweest en we gaan er vanuit dat het bloedtappen nu goed geregeld is.”

Ter zitting heeft betrokkene onder meer nog verklaard, zakelijk weergegeven:

“Ik weet dat ik er zelf voor verantwoordelijk ben. Wij hadden onderzoeken door elkaar gehaald. Direct na het telefoontje van de heer Grolleman hebben we de dierenarts gebeld. Ik hou er namelijk helemaal niet van als zoiets fout gaat. Wij hebben verder het besluit moeten nemen te stoppen met het bedrijf. Financieel gaat het niet meer. De marges zijn te klein geworden. Als we door zouden willen zouden we nog meer moeten investeren. Privé hebben we veel zorgen. Onze dochter heeft een ongeval gehad. Het gaat nog steeds niet goed met haar. Mijn schoonmoeder is door een verkeersongeval om het leven gekomen. We hebben het bedrijf niet kunnen verkopen. Wij hopen dat we er kunnen blijven wonen.”

Bewijs en verwijtbaarheid :

Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van hetgeen ter zitting is komen vast te staan dat op het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is onder [UBN], de volgende gedragingen hebben plaatsgevonden:

Het nalaten van bloedmonstername ten behoeve van onderzoek naar SVD en ZvA, in de periode van 1 september 2013 tot en met 31 december 2013 en het nalaten van bloedmonstername ten behoeve van onderzoek naar ZvA in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 april 2014.

Het Tuchtgerecht is van oordeel dat voor wat betreft het jaar 2013 er in de praktijk sprake is van één keer geen bloed afnemen, waarbij de bloedmonsters voor verschillende controles worden gebruikt en dat er in dit geval dus sprake is van één overtreding, geen twee. Sinds 2014 wordt niet meer gecontroleerd op SVD en wordt betrokkene dus alleen het niet-onderzoeken ten behoeve van ZvA verweten.

Dit levert op:

Eenmaal overtreding van artikel 2 lid 1 en 2 van de Verordening SVD en van artikel 3 lid 1 van de Verordening ZvA jo. artikel 1 van het Besluit monitoring ZvA bij varkens (PVV) 2008, alsmede eenmaal overtreding van artikel 3 lid 1 van de Verordening ZvA jo. artikel 1 van het Besluit monitoring ZvA bij varkens (PVV) 2008.

Motivering van tuchtrechtelijke maatregel :

Vanaf september 2009 is door het PVV nauwgezet de hand gehouden aan de monitoringsplicht voor SVD en ZvA. Vanaf begin 2010 is het PVV handhavend gaan optreden. Voor zowel SVD als de ZvA gold dat de fase van de verplichte vaccinatie is gevolgd door de status van officieel ziekte-vrij zijn.

Dit heeft geleid tot een verbod op het houden van varkens die niet vrij zijn van SVD of drager zijn van het ZvA-virus, danwel gevaccineerd zijn tegen deze ziekten. Voor het buitenland dient Nederland zichtbaar te kunnen maken dat het de status van ziekte-vrij zijn, verdient. Zonder monitoring kan de officiële ziekte-vrij status niet worden verkregen en behouden. De verboden zijn daarom ondersteund door een verplichting tot monitoring naar de aanwezigheid van voormelde dierziekten.

Het doel van de regelingen is, dat er - om de gezondheidstoestand van de varkens goed in beeld te krijgen - gespreid over het jaar driemaal gemonitord moet worden.

De exportbelangen voor de Nederlandse varkenshouderij en de daarvan afgeleide belangen voor de binnenlandse markt zijn dermate groot dat correcte naleving van de monitoringsplicht plaats dient te vinden, aldus valt op te maken uit de toelichting van de onderhavige Verordening.

In verband met de (voorgenomen) opheffing van het PVV en overname van taken door het ministerie van Economische Zaken is bepaald dat de monitoring naar SVD op varkenshouderijen niet wordt aangemerkt als een publieke taak. Als gevolg daarvan is de monitoringstaak terzake SVD op varkenshouderijen met ingang van 1 januari 2014 geëindigd. De Verordening bestrijding ZvA bij varkens (PVV) 2008 blijft onverminderd van kracht.

Gelet op de door het Tuchtgerecht ontwikkelde richtsnoeren voor het opleggen van tuchtrechtelijke maatregelen, wordt de overtreding van de Verordeningen terzake SVD en ZvA als “zeer ernstig”, categorie A, aangemerkt. Dit betekent dat het Tuchtgerecht voor de periode waarin op beide Verordeningen werd gehandhaafd, in beginsel een boete van € 1.000 per geconstateerde overtreding wordt opgelegd. Voor de periode ná 1 januari 2014 wordt alleen nog de naleving van de Verordening ZvA gehandhaafd, waarvoor in beginsel een boete van € 500 per geconstateerde overtreding wordt opgelegd.

Op het bedrijf van betrokkene, met [UBN] zijn, zo is ter zitting vast komen te staan, twee overtredingen begaan: één in 2013 van twee afzonderlijke verordeningen en één in 2014 van de Verordening ZvA.

Aan betrokkene zal een geldboete van de hierna nader te bepalen omvang worden opgelegd.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete wordt rekening gehouden met het feit dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd en met het feit dat betrokkene (met circa 330 zeugen) een bedrijf van kleine omvang heeft. Tevens houdt het Tuchtgerecht rekening met de bijzondere omstandigheden van persoonlijke aard, die ertoe hebben geleid het bedrijf op korte termijn te beëindigen. Dit alles in aanmerking genomen legt het Tuchtgerecht de geldboete geheel voorwaardelijk op.

Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht dat aan betrokkene - gelet op artikel 5 van de Verordening SVD en artikel 10 lid 2 van de Verordening ZvA - de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:

Beslissing :

Een geldboete van € 750 (zegge: zevenhonderd vijftig euro), geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar .

Voorwaarde is dat binnen de proeftijd door betrokkene geen enkele bepaling inzake dierziekten mag worden overtreden. Wordt aan de voorwaarde niet voldaan dan kan de Minister van Economische Zaken (als rechtsopvolger van het Productschap) aan het Tuchtgerecht verzoeken om de voorwaardelijke boete alsnog ten uitvoer te leggen. De proeftijd gaat onmiddellijk in nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt.

Toepasselijke artikelen :

Naast de reeds vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Vee en Vlees.

Samenstelling van het Tuchtgerecht :

De uitspraak is gedaan door mr. drs. J.Y.B. Jansen, voorzitter, en de heren mr. H.J. van Heusden en B.G.J. Gussinklo, leden, in aanwezigheid van drs. A.M.P. Regout, secretaris.