ECLI:NL:TVVTPVV:2014:14 Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees Zoetermeer TPVV1614

ECLI: ECLI:NL:TVVTPVV:2014:14
Datum uitspraak: 24-11-2014
Datum publicatie: 27-11-2014
Zaaknummer(s): TPVV1614
Onderwerp: Diergezondheid
Beslissingen: Geldboete
Inhoudsindicatie: Uitspraak nadat eerder een tussenuitspraak was gewezen, waarbij de zaak werd aangehouden. Het betreft in totaal minstens 18 overtredingen van de artikelen 9 jo. 13, 15 en 19 van de VVL, Verordening varkensleveringen (PVV) 2007. De overtredingen vonden plaats tussen maart 2013 en maart 2014.   Het Tuchtgerecht oordeelt dat betrokkene verantwoordelijk is voor het goed naleven van de regels op het bedrijf. Daarbij zijn risico’s genomen met betrekking tot de verspreiding van besmettelijke dierziekten. Daarvoor wordt aan betrokkene een geldboete van € 2.000,- opgelegd. Er is sprake van bijzondere omstandigheden. Gelet op alle omstandigheden legt het Tuchtgerecht de boete geheel voorwaardelijk op.

Zaaknummer :

TPVV 16/2014

Betrokkene :

Maatschap [bedrijfsnaam]

[adres]

Datum :

24 november 2014

Gang van zaken :

De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD VVL 1411, naar aanleiding van een inspectie op 21 februari 2014 door twee controleurs van CoMore op het bedrijf van betrokkene, dat op naam van Maatschap [bedrijfsnaam] is geregistreerd aan de [adres], en dat deze uitoefent op vijf locaties te [diverse plaatsnamen] met [UBN 1 t/m 5].

Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, als bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 15 mei 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.

Ter zitting zijn verschenen mevrouw [betrokkene 1], geboren [1988], maat in de maatschap, de heer [betrokkene 2], en de heer [naam adviseur] van fokkerijorganisatie [naam organisatie], sinds september 2013 als adviseur door betrokkene ingeschakeld.

Voorts zijn ter zitting verschenen de heer mr. R.B.R. Henke en mevrouw ir. M. van Lent, beide namens het Productschap Vee en Vlees (PVV) en de heer H.G.M. Grolleman, namens CoMore.

Het Tuchtgerecht heeft op 28 mei 2014 een tussenuitspraak gedaan.

In de tussenuitspraak heeft het Tuchtgerecht geoordeeld - gezien de omstandigheden van de zaak, de onmacht van betrokkene en de wil de zaken serieus aan te pakken, gecombineerd met de onduidelijkheid rondom het verkrijgen van de juiste status - de overtredingen te bezien als één complex, en niet elke overtreding apart te zullen bestraffen.

Tevens heeft het Tuchtgerecht geoordeeld dat er nog geen duidelijkheid was over de stand van zaken rondom de verbouwingen en rondom de status van de locaties, en dat zowel betrokkene als Productschap tot een oplossing in deze zaak wilde komen.

In de tussenuitspraak kwam het Tuchtgerecht daarom tot de conclusie dat - om tot een goede afweging te kunnen komen - het de uitkomst van geplande gesprekken tussen betrokkene en het Productschap af wilde wachten.

Daartoe is het dossier in handen van de voorzitter van het Productschap Vee en Vlees gesteld, met het verzoek om uiterlijk op 1 september 2014 duidelijkheid te verschaffen over de stand van zaken met betrekking tot het bedrijf van betrokkene. Dat is gebeurd bij brief van het Productschap gedateerd 29 augustus 2014.

Daarna is bij brief van het Tuchtgerecht van 24 september 2014 aan betrokkene drie weken de tijd gegeven om te reageren op de bevindingen van het Productschap. Dat is gebeurd per e-mail van betrokkene, gedateerd 11 oktober 2014.

Het Tuchtgerecht heeft daarna de zaak opnieuw behandeld op de zitting van 28 oktober 2014. De aangeleverde informatie gaf geen aanleiding betrokkene daarvoor opnieuw op te roepen.

Verweten gedraging :

Op 4 locaties, te weten [UBN 1 t/m 4], zijn diverse overtredingen begaan, waaronder het meerdere malen verplaatsen van varkens zonder hieraan voorafgaand een transportaanvraag te doen, het verplaatsen van varkens tussen bedrijven met een B-status, het verplaatsen van varkens van een bedrijf met een D-status naar een bedrijf met een B-status en het meerdere malen wisselen van aanvoeradressen van B-bedrijven.

Het betreft in totaal minstens 18 overtredingen van de artikelen 9 jo. 13, 15 en 19 van de Verordening varkensleveringen (PVV) 2007. De overtredingen vonden plaats tussen maart 2013 en maart 2014.

Behandeling van de zaak :

Ter zitting op 15 mei 2014 is het het Tuchtgerecht gebleken dat er sprake is geweest van een faillissement, gevolgd door ziekte van de heer [betrokkene 2] senior. De twee zoons hebben het bedrijf in 2013 noodgedwongen en onvoorbereid overgenomen. Tevens is ter zitting op 15 mei 2014 gebleken van onduidelijkheden over de status van (een of meerdere locaties) van het bedrijf. Betrokkene heeft een adviseur ingeschakeld, de heer [naam adviseur] van [naam fokkerijorganisatie]. Er hebben diverse gesprekken en mailwisselingen plaatsgevonden tussen betrokkene en het Productschap. Er is van 12 december 2013 tot 28 februari 2014 sprake geweest van een tijdelijke schorsing van de B-status van drie locaties. Er zijn twee bedrijfsbezoeken door controle-instantie CoMore geweest en diverse malen telefonisch en fysiek overleg tussen betrokkene, hun adviseur en hun dierenarts, en het Productschap. In 2014 werden door het Productschap nog steeds overtredingen geconstateerd, wat door betrokkene ter zitting werd weersproken. Betrokkene en diens adviseur gaven ter zitting aan structuur te willen aanbrengen en naar een duidelijke eindsituatie te willen toewerken. Zowel betrokkene als Productschap heeft aangegeven tot een oplossing in deze zaak te willen komen.

Ter zitting op 28 oktober 2014 heeft het Tuchtgerecht zich gebogen over de brief van het Productschap van 29 augustus 2014 en het bijgevoegde gespreksverslag tussen het Productschap en betrokkene en hun adviseur van 25 juni 2014. In de schriftelijke reactie van betrokkene gedateerd 11 oktober 2014 geeft betrokkene aan dat het gespreksverslag wat hun betreft een correcte weergave is van hetgeen besproken is.

Uit genoemd gespreksverslag blijkt dat de status van elk UBN nu duidelijk is, en dat de verbouwingen waarbij een ontheffing nodig is inmiddels allemaal afgerond zijn waardoor geen verplaatsingen van zeugen meer nodig zijn.

Tevens is tussen betrokkene en Productschap afgesproken dat mevrouw [betrokkene 1] in het vervolg zelf alle meldingen zal doen, zowel tussen de eigen bedrijven als naar de slacht en verzamelplaats. Op deze manier kan ze zelf het volledige overzicht houden.

Bewijs en verwijtbaarheid :

Bij de vorming van zijn oordeel ten aanzien van de overtredingen van de Verordening Varkensleveringen in deze zaak, neemt het Tuchtgerecht nota van de verklaring van betrokkene blijkende uit het berechtingsrapport onder nummer CBD VVL 1411, van de verklaringen van betrokkene ter zitting van 15 mei 2014 en van het gestelde in het gespreksverslag tussen het Productschap en betrokkene en diens adviseur van 25 juni 2014 alsmede de aanvullende reactie van het Productschap en betrokkene.

Op grond van het bovenstaande overweegt het Tuchtgerecht Vee en Vlees, Kamer Primaire Sector, het volgende:

Betrokkene heeft varkenshouderijbedrijven met een B-, een C- en een D-status. De aan- en afvoermogelijkheden worden in de artikelen 13, 14 en 15 van de Verordening varkensleveringen (PVV) 2007 geregeld. In artikel 19 wordt de wijze van melding van varkensleveringen geregeld. Uit het berechtingsrapport blijkt dat in de tweede helft van 2013 diverse niet-geoorloofde aan- en afvoeren van varkens hebben plaatsgevonden.

Het Tuchtgerecht oordeelt dat, op grond van hetgeen uit de stukken naar voren komt en ter zitting is komen vast te staan, op 4 locaties, te weten [UBN 1 t/m 4], diverse overtredingen zijn begaan inzake het verplaatsen van varkens.

Zoals reeds aangegeven in de tussenuitspraak beziet het Tuchtgerecht de overtredingen als één complex. Daarbij acht het Tuchtgerecht een sanctie per begane overtreding (allen verschillende malen begaan) van toepassing. Het betreft de volgende overtredingen:

- Verplaatsen zonder transportaanvraag

- Verplaatsen tussen bedrijven met B-status

- Verplaatsen tussen bedrijven van D- naar B-status

- Verwisselen van aanvoeradressen van B-bedrijven.

Dit levert op:

4x keer overtreding van art. 9 van de Verordening varkensleveringen (PVV) 2007 (hierna: de Verordening), gelet op de artikelen 13 t/m 15 en 19 lid 1 van de Verordening.

Motivering van tuchtrechtelijke maatregel :

Om een gezonde Nederlandse varkensstapel te houden, is regulering van de contactstructuur in de Nederlandse varkenshouderij noodzakelijk. Door specifieke regels met betrekking tot de aan- en afvoer van varkens wordt het risico van verspreiding van besmettelijke dierziekten zoveel mogelijk beperkt.

Deze voorschriften zijn door het PVV in de Verordening varkensleveringen (PVV) 2007 neergelegd.

De toegestane contacten zijn afhankelijk gesteld van de veterinaire waarborgen waaraan de varkenshouderijbedrijven zijn onderworpen. De verordening onderscheidt daarbij zes regimes die geduid worden met een A-, B-, C-, D-, E- of F-status. Afhankelijk van de status is het varkenshouderijbedrijf, in afwijking van het algemene aan- en afvoerverbod van varkens, een beperkt aantal aan- en afvoermogelijkheden toegestaan. Naarmate de veterinaire en hygiënische omstandigheden op een bedrijf dat rechtvaardigen, is het aantal contactmogelijkheden groter.

Door varkens aan- of af te voeren in strijd met de voorschriften van de verordening is risico van verspreiding van besmettelijke dierziekten vergroot. Daarmee is een gevaar voor de hele varkenssector in Nederland ontstaan. De overtredingen vonden plaats gedurende een jaar tijd.

Betrokkene heeft aanloopproblemen gehad. Het was complex om te komen tot een goede doorstart. Van de zijde van het Productschap is medegedeeld dat betrokkene openstaat voor adviezen en instructies terzake de naleving van de onderhavige Verordening. Als er in voorkomend geval toch een onregelmatigheid is, neemt het Productschap contact op en verzorgt mevrouw [betrokkene 1] de melding alsnog. Op dit moment loopt het zoals het moet lopen, aldus het Productschap.

Het Tuchtgerecht constateert dat betrokkene de zaak nu serieus heeft opgepakt, met hulp van een adviseur en in samenspraak met het Productschap. Tevens zijn maatregelen getroffen om herhaling van fouten in de toekomst te voorkomen. Daarbij bestaat een “open lijn” naar het Productschap en straks diens rechtsopvolger, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

Het Tuchtgerecht oordeelt dat geen kwade opzet in het spel was. Wel is betrokkene verantwoordelijk voor het goed naleven van de regels op het bedrijf. Daarbij zijn risico’s genomen met betrekking tot de verspreiding van besmettelijke dierziekten. Daarvoor wordt aan betrokkene een geldboete opgelegd.

Er is sprake van bijzondere omstandigheden. Naast complexe opstartproblematiek bij de doorstart gecombineerd met aanvankelijke onervarenheid van betrokkene was tevens sprake van onduidelijkheid over VVL-statussen mede binnen een situatie met verbouwingen. Ook heeft de tijdelijke blokkade van het bedrijf betrokkene financieel en emotioneel hard geraakt. Gelet op alle omstandigheden legt het Tuchtgerecht de boete geheel voorwaardelijk op.

Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht dat betrokkene - gelet op artikel 22 van de Verordening varkensleveringen (PVV) 2007 - de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:

Beslissing :

Een geldboete van € 2.000 (zegge: tweeduizend euro), geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar .

Voorwaarde is dat binnen de proeftijd door betrokkene geen enkele bepaling inzake varkensleveringen mag worden overtreden. Wordt aan de voorwaarde niet voldaan dan kan de Minister van Economische Zaken (als rechtsopvolger van het Productschap) aan het Tuchtgerecht verzoeken om de voorwaardelijke boete alsnog ten uitvoer te leggen. De proeftijd gaat onmiddellijk in nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt.

Samenstelling van het Tuchtgerecht :

De uitspraak is gedaan door mr. drs. J.Y.B. Jansen, voorzitter, en de heren mr. H.J. van Heusden en B.G.J. Gussinklo, leden, in aanwezigheid van drs. A.M.P. Regout, secretaris.