ECLI:NL:TVVTPVV:2014:13 Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees Zoetermeer TPVV1314+1414+1514

ECLI: ECLI:NL:TVVTPVV:2014:13
Datum uitspraak: 25-06-2014
Datum publicatie: 15-07-2014
Zaaknummer(s): TPVV1314+1414+1514
Onderwerp: Dierenwelzijn
Beslissingen:
  • Schuldigverklaring zonder strafoplegging
  • Geldboete
Inhoudsindicatie: Gecombineerde uitspraak in 3 zaken. Betreft in totaal 3 maal niet-geoorloofde varkensleveringen: afvoer van twee B-bedrijven naar C-bedrijf en aanvoer op C-bedrijf vanaf twee B-bedrijven. Het betreft de overgangsfase in oktober 2013, waar het C-bedrijf nog niet was overgezet naar de nieuwe huurder en de statuswijziging van datzelfde UBN van C- naar D-bedrijf nog niet was gerealiseerd, terwijl er sprake was van een noodsituatie; de biggen moesten ergens heen. Het Tuchtgerecht heeft bepaald wie verantwoordelijk was voor de juiste naleving van de Verordening varkensleveringen. Aan 2 van de 3 betrokkenen wordt een geheel voorwaardelijke geldboete opgelegd.  

Zaaknummers :

TPVV 13/2014

TPVV 14/2014

TPVV 15/2014

Betrokkenen :

[bedrijfsnaam 1a] B.V.

De heer [betrokkene 1]

[adres 1]

[bedrijfsnaam 1b] B.V.

De heer [betrokkene 1]

[adres 1]

De heer [betrokkene 1]

[adres 1]

[bedrijfsnaam 2]

De heer [betrokkene 2]

[adres 2]

[bedrijfsnaam 3] B.V.

De heer [betrokkene 3]

[adres 3]

Datum :

25 juni 2014

Gang van zaken :

De zaak berust op drie berechtingsrapporten die CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder de nummers CBD VVL 1415, 1416 en 1417, naar aanleiding van telefonische inspecties op 3, 5, 19 en 21 maart 2013 door een controleur van CoMore. De drie zaken hebben betrekking op de volgende bedrijven:

-    in zaak 13/2014: het B-bedrijf aan de [adres 4], dat op naam van [bedrijfsnaam 1a] B.V. geregistreerd is onder [UBN 1];

-    in zaak 14/2014: het B-bedrijf aan de locatie [adres 5], dat op naam van [bedrijfsnaam 1b] B.V. geregistreerd is onder [UBN 2];

-    in zaak 15/2014: het C-bedrijf aan de [adres 2], dat op naam van [bedrijfsnaam 2] geregistreerd is onder [UBN 3].

Het Tuchtgerecht heeft de zaken beoordeeld op basis van drie schriftelijke verklaringen, als bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

Het Tuchtgerecht heeft de drie zaken op 15 mei 2014 gezamenlijk behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.

Ter zitting is verschenen, namens [betrokkene 1], [bedrijfsnaam 1a] B.V.,  [bedrijfsnaam 1b] B.V. en [bedrijfsnaam 2], de heer [gemachtigde], voerleverancier, geboren [1969] te [geboorteplaats gemachtigde], wonende aan de [adres gemachtigde] (hierna: gemachtigde).

Op 14 mei 2014 heeft het Tuchtgerecht namens betrokkene [[bedrijfsnaam 3] B.V. een verweerschrift ontvangen, ingediend door [naam bedrijfsadviseur], bedrijfsadviseur van [naam en adres adviesbureau].

Voorts zijn ter zitting verschenen mevrouw ir. M. van Lent en de heer mr. R.B.R. Henke, beide namens het Productschap Vee en Vlees (PVV) en de heer H.G.M. Grolleman, namens CoMore.

Het Tuchtgerecht heeft op 25 juni 2014 uitspraak gedaan.

Verweten gedraging :

Met betrekking tot het B-bedrijf met [UBN 1]: op 15 en 23 oktober 2013 zijn vleesbiggen afgevoerd naar het C-bedrijf met [UBN 3];

Met betrekking tot het B-bedrijf met [UBN 2]: op 10 oktober 2013 zijn vleesbiggen afgevoerd naar het C-bedrijf met [UBN 3];

Met betrekking tot het C-bedrijf met [UBN 3]: op 10, 15 en 23 oktober 2013 zijn vleesbiggen aangevoerd, afkomstig van de B-bedrijven met [UBN 1] en [UBN 2].

Verklaring van betrokkenen :

In de berechtingsrapporten heeft betrokkene [betrokkene 1], in de zaken TPVV 13/2014, 14/2014 en 15/2014, onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

“Het bedrijf (..) lag al leeg toen de biggen werden aangevoerd De status was alleen nog niet gewijzigd. (..) Het UBN moest nog worden teruggezet naar de heer [betrokkene 2]. De heer [betrokkene 3] had dit UBN enkele jaren in gebruik gehad. Er zijn inderdaad op 15 oktober 2013 en op 23 oktober 2013 van [UBN 1] biggen naar [UBN 3] gegaan. De transportaanvragen worden door de varkenshandelaar gedaan. Ik heb de waarschuwing op de transportdocumenten niet gezien.”

In het berechtingsrapport heeft betrokkene [betrokkene 1], in zaak TPVV 15/2014, onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

“Het [UBN 3] was tot 1 oktober 2013 van [bedrijfsnaam 2] B.V. (…) Er zijn rond 10 oktober 2013 weer biggen in gekomen van de nieuwe huurder van de stal, de heer [betrokkene 1]. (…) Ik heb de transportdocumenten ook niet gezien. Ik weet dat er problemen zijn geweest met het omzetten van de status van het bedrijf van C naar D.”

In het berechtingsrapport heeft betrokkene [betrokkene 1], in zaak TPVV 15/2014, ook nog verklaard, zakelijk weergegeven:

“Er is wel telefonisch contact geweest tussen (…) [naam mengvoerbedrijf BV] (veevoeders) en I&RVL over deze leveringen. Ik heb daar een e-mail bericht d.d. 30 oktober 2013 over ontvangen (…) waarin staat dat de overtredingen geen gevolgen hebben. Blijkbaar is het goed gekomen. Er staan geen waarschuwingen meer op de documenten.”

Ter zitting heeft de gemachtigde van betrokkenen onder meer nog verklaard, zakelijk weergegeven:

“Tot vorig jaar huurde de heer [betrokkene 1] van een bedrijf dat meedeed met de stoppersregeling. Dat bedrijf ging helemaal stoppen, maar wilde nog wel één ronde draaien. Begin oktober bleek echter, dat de gemeente daar geen ontheffing voor gaf. De heer [betrokkene 1] moest nu snel op zoek naar een nieuwe stal voor die ronde. Ik kende het bedrijf van de heer [betrokkene 2]. Op 10 oktober zijn daar de eerste biggen heengegaan. Toen we een balk zagen op de formulieren heeft mijn collega contact opgenomen met het PVV. Het UBN bleek nog op naam van [betrokkene 3] te staan. Die had daar tot 1 oktober gehuurd en had zich niet afgemeld. De heer [betrokkene 2] wist dat niet en wilde het UBN terug op zijn eigen naam hebben. Dat heeft wat vertraging opgelopen en is uiteindelijk op 30 oktober gerealiseerd.”

Het verweerschrift namens betrokkene [bedrijfsnaam 3] B.V. wordt bij de stukken van de zaak gevoegd. De inhoud hiervan luidt, zakelijk weergegeven, dat [bedrijfsnaam 3] B.V. het bedrijf aan de [adres 2], dat geregistreerd is onder [UBN 3], enkele jaren in gebruik heeft gehad van [betrokkene 2]. Hij heeft afgesproken de stal per 1 oktober 2013 leeg op te leveren en heeft dat ook gedaan. [Betrokkene 2] heeft opdracht gegeven om het UBN om te zetten naar de nieuwe huurder. De heer [betrokkene 3] is dus helemaal geen partij in deze zaak, aldus luidt het verweerschrift.

Bewijs en verwijtbaarheid :

Betrokkenen hebben varkenshouderijbedrijven met een B- en een C-status. De aan- en afvoermogelijkheden worden in artikel 13 van de Verordening varkensleveringen (PVV) 2007 geregeld. Uit het berechtingsrapport blijkt dat in oktober 2013 niet-geoorloofde aan- en afvoer van varkens heeft plaatsgevonden.

Het Tuchtgerecht oordeelt dat, op grond van hetgeen uit de stukken naar voren komt en ter zitting is komen vast te staan, op het B-bedrijf met [UBN 1], het B-bedrijf met [UBN 2] en het C-bedrijf met [UBN 3], de volgende gedragingen hebben plaatsgevonden:

Het als B-bedrijf afvoeren van varkens naar een C-bedrijf, dan wel het als C-bedrijf ontvangen van varkens van een B-bedrijf, in totaal driemaal in oktober 2013.

Dit levert op:

3x keer overtreding van art. 9 van de Verordening varkensleveringen (PVV) 2007 (hierna: de Verordening), gelet op de artikelen 13 en 19 lid 1 van de Verordening.

Motivering van tuchtrechtelijke maatregel :

Om een gezonde Nederlandse varkensstapel te houden, is regulering van de contactstructuur in de Nederlandse varkenshouderij noodzakelijk. Door specifieke regels met betrekking tot de aan- en afvoer van varkens wordt het risico van verspreiding van besmettelijke dierziekten zoveel mogelijk beperkt.

Deze voorschriften zijn door het PVV in de Verordening varkensleveringen (PVV) 2007 neergelegd.

De toegestane contacten zijn afhankelijk gesteld van de veterinaire waarborgen waaraan de varkenshouderijbedrijven zijn onderworpen. De verordening onderscheidt daarbij zes regimes die geduid worden met een A-, B-, C-, D-, E- of F-status. Afhankelijk van de status is het varkenshouderijbedrijf, in afwijking van het algemene aan- en afvoerverbod van varkens, een beperkt aantal aan- en afvoermogelijkheden toegestaan. Naarmate de veterinaire en hygiënische omstandigheden op een bedrijf dat rechtvaardigen, is het aantal contactmogelijkheden groter.

Door varkens aan- of af te voeren in strijd met de voorschriften van de verordening is risico van verspreiding van besmettelijke dierziekten vergroot. Daarmee is een gevaar voor de hele varkenssector in Nederland ontstaan.

Op het B-bedrijf met [UBN 1], het B-bedrijf met [UBN 2] en het C-bedrijf met [UBN 3] zijn, zo is ter zitting vast komen te staan, in totaal drie overtredingen begaan. Het betreft de overgangsfase in oktober 2013, waar [UBN 3] nog niet was overgezet naar de nieuwe huurder en de statuswijziging van datzelfde UBN van C- naar D-bedrijf nog niet was gerealiseerd. Het is aan het Tuchtgerecht om te bepalen wie verantwoordelijk was.

Betrokkene [bedrijfsnaam 3] B.V., heeft aangegeven dat de heer [betrokkene 3] geen partij in deze zaak zou zijn. Hij had afgesproken de stal per 1 oktober 2013 leeg op te leveren en heeft dat ook gedaan. Het Tuchtgerecht oordeelt dat, nu er onduidelijkheid is over de afspraak wie het UBN zou overzetten, betrokkene wel verantwoordelijk was. Het Tuchtgerecht komt echter, nu ook door CoMore en het Productschap ter zitting naar voren is gebracht dat betrokkene volgens hen niets valt te verwijten, niet toe aan het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel aan [bedrijfsnaam 3] B.V.

De zaak tegen de UBN-houder ([betrokkene 2]) en de nieuwe huurder ([betrokkene 1]) wordt inhoudelijk door het Tuchtgerecht behandeld. Beide zijn verantwoordelijk voor de juiste naleving van de Verordening varkensleveringen op hun bedrijf.

In het onderhavige geval was bij de heer [betrokkene 1] sprake van een noodsituatie, de biggen moesten ergens heen. Er heeft op 10 oktober een transport plaatsgevonden, terwijl de papieren voor de beschikbaar gevonden locatie [adres 2] nog niet in orde waren. Het Tuchtgerecht oordeelt dat bij geen van de partijen kwade opzet in het spel was. Wel zijn zowel de heer [betrokkene 1] als de heer [ betrokkene 2] verantwoordelijk voor het rijden zonder goede papieren. Daarbij zijn risico’s genomen met betrekking tot de verspreiding van besmettelijke dierziekten. Daarvoor wordt aan beide betrokkenen een geldboete opgelegd. Gezien de omstandigheden van het geval, waarbij ook onduidelijkheid was over de status van het omzetten van het bedrijf met [UBN 3] van C- naar D-bedrijf, legt het Tuchtgerecht de boetes geheel voorwaardelijk op.

Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht dat betrokkenen – gelet op artikel 22 van de Verordening varkensleveringen (PVV) 2007 – de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:

Beslissing :

1.    Ten aanzien van [bedrijfsnaam 3] B.V.:

Schuldigverklaring zonder oplegging van een maatregel.

2.    Ten aanzien van [bedrijfsnaam 2]:

Een geldboete van € 500 (zegge: vijfhonderd euro), geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

3.    Ten aanzien van [bedrijfsnaam 1a] B.V., c.q. [bedrijfsnaam 1b] B.V. , c.q. [betrokkene 1]:

Een geldboete van € 500 (zegge: vijfhonderd euro), geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Ten aanzien van 2. en 3. geldt de voorwaarde, dat binnen de proeftijd door betrokkenen geen enkele bepaling van de Verordening varkensleveringen mag worden overtreden.

Wordt aan de voorwaarde niet voldaan dan kan het Productschap aan het Tuchtgerecht verzoeken om de voorwaardelijke boete alsnog ten uitvoer te leggen.

De proeftijd gaat onmiddellijk in nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt.

Toepasselijke artikelen :

Naast de reeds vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Vee en Vlees.

Samenstelling van het Tuchtgerecht :

De uitspraak is gedaan door mr. drs. J.Y.B. Jansen, voorzitter, en de heren B.J. Warmelink en mr. H.J. van Heusden, leden, in aanwezigheid van drs. A.M.P. Regout, secretaris.