ECLI:NL:TVVTPVV:2014:12 Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees Zoetermeer TPVV1214
| ECLI: | ECLI:NL:TVVTPVV:2014:12 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-06-2014 |
| Datum publicatie: | 15-07-2014 |
| Zaaknummer(s): | TPVV1214 |
| Onderwerp: | Diergezondheid |
| Beslissingen: | Geldboete |
| Inhoudsindicatie: | In 2 van de drie perioden van 2013 zijn geen of onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de vesiculaire varkensziekte (SVD) en op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky (ZvA). Verschillende verweren van betrokkene houden geen stand. Zoals het verweer dat er in een bepaalde periode geen varkens op de locatie aanwezig waren, dat hij op een andere locatie wel bloed had laten afnemen en dat de dierenarts geen aansturingsbrieven van de GD had gekregen.Het Tuchtgerecht gaat ervan uit dat er geen opzet in het spel was (zoals betrokkene ook aanvoerde) maar oordeelt dat betrokkene desondanks verantwoordelijk is voor de gang van zaken op zijn bedrijf. Er wordt een geldboete opgelegd, deels voorwaardelijk. |
Zaaknummer :
TPVV 12/2014
Betrokkene :
Vennootschap Onder Firma:
[bedrijfsnaam]
[adres]
Datum :
25 juni 2014
Gang van zaken :
De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD SVD-ZvA 1414, naar aanleiding van een administratieve inspectie op 5 en 18 maart 2014 door een controleur van CoMore met betrekking tot de locatie [adres locatie], die op naam van [bedrijfsnaam] geregistreerd is onder [UBN].
Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, als bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.
Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 15 mei 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.
Ter zitting is verschenen de heer [naam gemachtigde], als vertegenwoordiger van [bedrijfsnaam] en als zodanig gemachtigd door [betrokkene]. De schriftelijke machtiging wordt bij de stukken van de zaak gevoegd.
Voorts zijn ter zitting verschenen mevrouw ir. M. van Lent en de heer mr. R.B.R. Henke, beide namens het Productschap Vee en Vlees (PVV) en de heer H.G.M. Grolleman, namens CoMore.
Het Tuchtgerecht heeft op 25 juni 2014 uitspraak gedaan.
Verweten gedraging :
Geen of onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de vesiculaire varkensziekte en op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky, in de periode 1 mei 2013 tot en met 31 augustus 2013 en de periode 1 september 2013 tot en met 31 december 2013.
Verklaring van betrokkene :
In het berechtingsrapport heeft betrokkene onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:
“Het tappen van bloed wordt verzorgd door mijn dierenarts (..). Volgens [hem] zijn er recentelijk voldoende bloedmonsters genomen (..). Of er vorig jaar ook voldoende is getapt zou ik niet weten. Dan kunt u het beste zelf telefonisch contact met (…) DAP [naam DAP] opnemen.”
In het berechtingsrapport heeft DAP [naam dierenartspraktijk] onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:
“In het tweede en derde trimester van 2013 zijn er geen bloedmonsters (SVD en ZvA) genomen op het bedrijf (..). De reden hiervan is dat ik geen aansturingsbrieven (…) van de GD heb ontvangen.”
Ter zitting heeft de gemachtigde van betrokkene onder meer nog verklaard, zakelijk weergegeven:
“De stal stond een tijdje leeg, de bedoeling was om te stoppen met het houden van varkens. Daarna is besloten om toch door te gaan met het houden van varkens.”
Ter zitting heeft de gemachtigde twee brieven overlegd, een van de dierenarts en een van betrokkene, waarvan de strekking is: dat er geen aansturingsbrieven van de GD zijn ontvangen waardoor er geen bloedmonsters zijn genomen; dat er gedurende 1 maand (november 2013) geen dieren aanwezig zijn geweest; dat er in november 2013 verkeerde informatie vanuit het PVV is gegeven; dat er in januari 2014 om in te halen extra bloedmonsters zijn genomen; dat er op de andere locatie van het bedrijf wel bloed is getapt en er dus wel de intentie is aan de wetgeving te voldoen; concluderend: dat er geen kwade opzet in het spel is.
Bewijs en verwijtbaarheid :
Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van hetgeen ter zitting is komen vast te staan dat op het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is onder [UBN], de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:
Het nalaten van bloedmonstername ten behoeve van onderzoek naar vesiculaire varkensziekte en de Ziekte van Aujeszky, in de periode 1 mei 2013 tot en met 31 augustus 2013 en de periode 1 september 2013 tot en met 31 december 2013.
Uit de schriftelijke verklaring blijkt, dat het Productschap van mening is dat er sprake is van vier overtredingen, tweemaal van de Verordening monitoring vesiculaire varkensziekte (PVV) 2009 (hierna: de Verordening SVD) en tweemaal van de Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky bij varkens (PVV) 2008 (hierna: de Verordening ZvA).
Het Tuchtgerecht is echter van oordeel dat er in de praktijk sprake is van twee keer geen bloed afnemen, waarbij de bloedmonsters voor verschillende controles worden gebruikt en dat er in dit geval dus sprake is van twee overtredingen, geen vier.
Dit levert op:
Tweemaal overtreding van artikel 2 lid 1 en 2 van de Verordening SVD en van artikel 3 lid 1 van de Verordening ZvA jo. artikel 1 van het Besluit monitoring Ziekte van Aujeszky bij varkens (PVV) 2008.
Motivering van tuchtrechtelijke maatregel :
Vanaf september 2009 wordt door het PVV nauwgezet de hand gehouden aan de monitoringsplicht voor vesiculaire varkensziekte (SVD) en de Ziekte van Aujeszky (ZvA).
In diverse publicaties van het PVV alsmede in de vakbladen is diverse malen aangegeven dat het PVV prioriteit zal geven aan de controle op de naleving van de desbetreffende verordeningen. Vanaf begin 2010 is het PVV handhavend gaan optreden.
Voor zowel SVD als de ZvA geldt dat de fase van de verplichte vaccinatie is gevolgd door de status van officieel ziekte-vrij zijn. Thans geldt een verbod op het houden van varkens die niet vrij zijn van SVD of drager zijn van het ZvA-virus, danwel gevaccineerd zijn tegen deze ziekten. Voor het buitenland dient Nederland zichtbaar te kunnen maken dat het de status van ziekte-vrij zijn, verdient. Zonder monitoring kan de officiële ziekte-vrij status niet worden verkregen en behouden.
De verboden worden daarom ondersteund door een verplichting tot monitoring naar de aanwezigheid van voormelde dierziekten.
De exportbelangen voor de Nederlandse varkenshouderij en de daarvan afgeleide belangen voor de binnenlandse markt zijn dermate groot dat correcte naleving van de monitoringsplicht plaats dient te vinden, aldus valt op te maken uit de toelichting van de onderhavige Verordening.
Het doel van de regelingen is, dat er – om de gezondheidstoestand van de varkens goed in beeld te krijgen – gespreid over het jaar driemaal gemonitord moet worden. In de praktijk bestaat hier en daar het misverstand dat het aantal bloedmonsters kan worden ingehaald (van een vorige periode) of vooruitgeschoven (naar een volgende periode) door extra bloedmonsters in eenzelfde periode te nemen. Het Tuchtgerecht benadrukt dat dit niet mogelijk is – simpelweg omdat het niet beantwoordt aan de verplichting om een gespreid beeld over het hele jaar te verkrijgen. Er dienen in iedere periode afzonderlijk voldoende bloedmonsters te worden genomen en geanalyseerd.
Het Tuchtgerecht komt op basis van voormelde overwegingen tot het aanmerken van de overtreding als “zeer ernstig”, categorie A. Dit betekent dat het Tuchtgerecht in beginsel zal opleggen, een boete van € 1.000 per geconstateerde overtreding. Op het bedrijf van betrokkene, met [UBN] zijn, zo is ter zitting vast komen te staan, twee overtredingen begaan van twee afzonderlijke verordeningen.
Namens betrokkene is als verweer aangevoerd dat betrokkene dacht te zullen stoppen met het houden van varkens, alsmede dat er van 8 november 2013 tot 6 december 2013 geen varkens op de locatie aanwezig waren. Betrokkene is echter niet gestopt; er waren dus dieren op het bedrijf en dus was hij verplicht bloedmonsters te nemen. Eén maand in periode drie van 2013 hebben er geen dieren gezeten, maar de overige twee maanden van die periode waren er wel dieren; hiervoor geldt daarom ook de verplichting tot bloedtappen. Het verweer houdt geen stand.
Door de dierenarts is als verweer aangevoerd, dat hij geen aansturingsbrieven van de GD heeft gekregen. Daarover is ter zitting van de zijde van het Productschap opgemerkt, dat aansturingsbrieven alleen bij pluimvee (AI-monitoring) worden verstuurd; voor varkens gebeurt dat niet. Varkenshouders dienen de planning daarvoor zelf in de gaten te houden.
Voor het verweer dat er op de andere locatie wel bloed afgenomen is, geldt ook dat dit geen stand houdt; de verplichting geldt voor elk afzonderlijk UBN.
Ten aanzien van het verweer dat er geen opzet in het spel was, gaat het Tuchtgerecht daarvan uit, maar oordeelt dat betrokkene desondanks verantwoordelijk is voor de gang van zaken op zijn bedrijf.
Aan betrokkene wordt een geldboete opgelegd. Bij het bepalen van de strafmaat houdt het Tuchtgerecht rekening met de kleine omvang van het bedrijf (met circa 280 vleesvarkens) en met het feit dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. De geldboete wordt deels voorwaardelijk opgelegd.
Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht dat aan betrokkene – gelet op artikel 5 van de Verordening SVD en artikel 10 lid 2 van de Verordening ZvA – de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:
Beslissing :
Een geldboete van € 1.000 (zegge: eenduizend euro), waarvan € 250 (zegge: tweehondervijftig euro) voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar .
Voorwaarde is dat binnen de proeftijd door betrokkene geen enkele bepaling van de Verordening SVD of van de Verordening ZvA mag worden overtreden.
Wordt aan de voorwaarde niet voldaan dan kan het Productschap aan het Tuchtgerecht verzoeken om de voorwaardelijke boete alsnog ten uitvoer te leggen.
De proeftijd gaat onmiddellijk in nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt.
Toepasselijke artikelen :
Naast de reeds vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Vee en Vlees.
Samenstelling van het Tuchtgerecht :
De uitspraak is gedaan door mr. drs. J.Y.B. Jansen, voorzitter, en de heren B.J. Warmelink en mr. H.J. van Heusden, leden, in aanwezigheid van drs. A.M.P. Regout, secretaris.