ECLI:NL:TVVTPVV:2014:10 Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees Zoetermeer TPVV1014

ECLI: ECLI:NL:TVVTPVV:2014:10
Datum uitspraak: 24-11-2014
Datum publicatie: 27-11-2014
Zaaknummer(s): TPVV1014
Onderwerp: Diergezondheid
Beslissingen: Geldboete
Inhoudsindicatie: In 2 van de drie perioden van 2013 zijn geen of onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de vesiculaire varkensziekte (SVD) en op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky (ZvA). Ter zitting is van de zijde van het Productschap nog vermeld dat het voorheen gedoogd werd om tot 10 dagen na het verlopen van het trimester nog bloed te tappen. Na 2013 mocht dit niet meer. Er wordt een geldboete van € 1.000 opgelegd. Het Tuchtgerecht heeft rekening gehouden met de door betrokkene getroffen maatregelen om herhaling in de toekomst te voorkomen en is daarnaast van oordeel dat het hier duidelijk een incident betreft. Betrokkene streeft een hoge gezondheidsstatus op zijn bedrijf na en monitort dat ook bovengemiddeld. Dit alles in aanmerking genomen legt het Tuchtgerecht een groot deel van de boete voorwaardelijk op.

Zaaknummer :

TPVV 10/2014

Betrokkene :

[bedrijfsnaam]

[adres]

Datum :

24 november 2014

Gang van zaken :

De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD SVD-ZvA 1412, naar aanleiding van een administratieve inspectie op 27 februari 2014 en 5 maart 2014 door een controleur van CoMore met betrekking tot de locatie [adres] , die op naam van [bedrijfsnaam] geregistreerd is onder [UBN].

Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, als bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 28 oktober 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.

Ter zitting is verschenen d e heer [betrokkene], geboren [1977] te [geboorteplaats], (hierna: betrokkene).

Voorts zijn ter zitting verschenen mevrouw M. Makkinje namens het Productschap Vee en Vlees (PVV) en de heer H.G.M. Grolleman, namens CoMore.

Het Tuchtgerecht heeft op 24 november 2014 uitspraak gedaan.

Verweten gedraging :

Met betrekking tot de varkens bedrijfsmatig gehouden op het [UBN] zijn geen dan wel onvoldoende bloedmonsters genomen en onderzocht ter controle op de aanwezigheid van de Vesiculaire varkensziekte (hierna: SVD) en op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky (hierna: ZvA), in de periode 1 januari 2013 tot en met 31 april 2013 en in de periode 1 september 2013 tot en met 31 december 2013.

Verklaring van betrokkene :

In het berechtingsrapport heeft betrokkene onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

“Het is fout gegaan met het nemen van bloedmonsters bij de zeugen. Op het andere UBN (vleesvarkens) is het wel goed gegaan. Daar wordt aan de slachtlijn getapt. Wij laten bij de zeugen drie keer per jaar uitgebreid bloedmonsters nemen voor diverse onderzoeken. De dierenarts komt zo dadelijk op het bedrijf en dan zal ik met hem de zaak bespreken. Ik zal er voor zorgen dat gelijk met de andere bloedmonsters er ook monsters voor SVD en ZvA-onderzoeken worden genomen.”

Ter zitting heeft betrokkene twee verklaringen overlegd en in zijn geheel voorgelezen.

De strekking van de eigen verklaring van betrokkene is, zakelijk weergegeven: dat hij zich van zijn fouten bewust is en het systeem van bloed monitoren belangrijk vindt voor de Nederlandse varkenshouderij. Op het bedrijf wordt ook standaard monitoringsonderzoek gedaan op andere ziektes en loopt men voorop met vermindering van het antibioticagebruik. De fout ontstond toen in 2013 de varkens naar een andere slachterij gingen waar geen bloed werd getapt. Na ontdekking van de fout is op 1 mei alsnog getapt, 1 dag te laat. Het bloed wordt voortaan zelf getapt om fouten via de slachtlijn te voorkomen. Het wordt niet meer aan derden overgelaten. Het bloed wordt tegenwoordig tevens bij elk bedrijfsbezoek (iedere maand; twee keer vaker dan wettelijk verplicht) doorgenomen om te kijken of er iets niet compleet Is.

De strekking van de verklaring van de dierenarts van betrokkene is, zakelijk weergegeven: omdat het bedrijf van betrokkene zowel zeugen als vleesvarkens houdt, heeft men gedacht dat de uitslagen van de vleesvarkens ook voor het zeugenbedrijf van toepassing waren. Op 1 mei heeft men geprobeerd in te halen. Het spijt de dierenarts zeer dat e.e.a. aan hun aandacht is ontschoten en belooft beterschap.

Bewijs en verwijtbaarheid :

Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van hetgeen ter zitting is komen vast te staan dat op het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is onder [UBN], de volgende gedragingen hebben plaatsgevonden:

Het nalaten van bloedmonstername ten behoeve van onderzoek naar SVD en ZvA, in de periode

1 januari 2013 tot en met 31 april 2013 en in de periode 1 september 2013 tot en met 31 december 2013.

Het Tuchtgerecht is van oordeel dat er in de praktijk sprake is van twee keer geen bloed afnemen, waarbij de bloedmonsters voor verschillende controles worden gebruikt en dat er in dit geval dus sprake is van twee overtredingen, geen vier.

Dit levert op:

Tweemaal overtreding van artikel 2 lid 1 en 2 van de Verordening SVD en van artikel 3 lid 1 van de Verordening ZvA jo. artikel 1 van het Besluit monitoring ZvA bij varkens (PVV) 2008.

Motivering van tuchtrechtelijke maatregel :

Vanaf september 2009 is door het PVV nauwgezet de hand gehouden aan de monitoringsplicht voor SVD en ZvA. Vanaf begin 2010 is het PVV handhavend gaan optreden. Voor zowel SVD als de ZvA gold dat de fase van de verplichte vaccinatie is gevolgd door de status van officieel ziekte-vrij zijn.

Dit heeft geleid tot een verbod op het houden van varkens die niet vrij zijn van SVD of drager zijn van het ZvA-virus, danwel gevaccineerd zijn tegen deze ziekten. Voor het buitenland dient Nederland zichtbaar te kunnen maken dat het de status van ziekte-vrij zijn, verdient. Zonder monitoring kan de officiële ziekte-vrij status niet worden verkregen en behouden. De verboden zijn daarom ondersteund door een verplichting tot monitoring naar de aanwezigheid van voormelde dierziekten.

Het doel van de regelingen is, dat er - om de gezondheidstoestand van de varkens goed in beeld te krijgen - gespreid over het jaar driemaal gemonitord moet worden.

De exportbelangen voor de Nederlandse varkenshouderij en de daarvan afgeleide belangen voor de binnenlandse markt zijn dermate groot dat correcte naleving van de monitoringsplicht plaats dient te vinden, aldus valt op te maken uit de toelichting van de onderhavige Verordening.

In de praktijk bestaat hier en daar het misverstand dat het aantal bloedmonsters kan worden ingehaald (van een vorige periode) of vooruitgeschoven (naar een volgende periode) door extra bloedmonsters in eenzelfde periode te nemen. Het Tuchtgerecht benadrukt dat dit niet mogelijk is - simpelweg omdat het niet beantwoordt aan de verplichting om een gespreid beeld over het hele jaar te verkrijgen. Er dienen in iedere periode afzonderlijk voldoende bloedmonsters te worden genomen en geanalyseerd.

Gelet op de door het Tuchtgerecht ontwikkelde richtsnoeren voor het opleggen van tuchtrechtelijke maatregelen, wordt de overtreding van de Verordeningen terzake SVD en ZvA als “zeer ernstig”, categorie A, aangemerkt. Dit betekent dat het Tuchtgerecht In beginsel een boete van € 1.000 per geconstateerde overtreding wordt opgelegd.

Op het bedrijf van betrokkene, met UBN 1643844 zijn, zo is ter zitting vast komen te staan, twee overtredingen begaan van twee afzonderlijke verordeningen.

Ter zitting is van de zijde van het Productschap nog vermeld dat het voorheen gedoogd werd om tot 10 dagen na het verlopen van het trimester nog bloed te tappen. Na 2013 mocht dit niet meer. Het Productschap stuurt nu een brief vóór het verstrijken van de periode, zodat nog tijdig het bloedonderzoek kan worden laten uitgevoerd. Dit is nu aan betrokkene bekend, zo is tijdens de zitting gebleken. 

Aan betrokkene zal een geldboete van de hierna nader te bepalen omvang worden opgelegd.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete wordt rekening gehouden met het feit dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Ook heeft het Tuchtgerecht ter zitting de indruk gekregen dat betrokkene in het algemeen een consciëntieuze bedrijfsvoering heeft en dat hij maatregelen heeft getroffen om herhaling in de toekomst te voorkomen. Het Tuchtgerecht is van oordeel dat het hier duidelijk een incident betreft. Betrokkene streeft een hoge gezondheidsstatus op zijn bedrijf na en monitort dat ook bovengemiddeld. Dit alles in aanmerking genomen legt het Tuchtgerecht een groot deel van de de geldboete voorwaardelijk op.

Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht dat aan betrokkene - gelet op artikel 5 van de Verordening SVD en artikel 10 lid 2 van de Verordening ZvA - de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:

Beslissing :

Een geldboete van € 1.000 (zegge: eenduizend euro), waarvan € 750 (zegge: zevenhonderd vijftig euro) voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar .

Voorwaarde is dat binnen de proeftijd door betrokkene geen enkele bepaling inzake dierziekten mag worden overtreden. Wordt aan de voorwaarde niet voldaan dan kan de Minister van Economische Zaken (als rechtsopvolger van het Productschap) aan het Tuchtgerecht verzoeken om de voorwaardelijke boete alsnog ten uitvoer te leggen. De proeftijd gaat onmiddellijk in nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt.

Toepasselijke artikelen :

Naast de reeds vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Vee en Vlees.

Samenstelling van het Tuchtgerecht :

De uitspraak is gedaan door mr. drs. J.Y.B. Jansen, voorzitter, en de heren mr. H.J. van Heusden en B.G.J. Gussinklo, leden, in aanwezigheid van drs. A.M.P. Regout, secretaris.