ECLI:NL:TPETPVE:2014:24 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren Zoetermeer TPPE4014
| ECLI: | ECLI:NL:TPETPVE:2014:24 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-10-2014 |
| Datum publicatie: | 07-10-2014 |
| Zaaknummer(s): | TPPE4014 |
| Onderwerp: | Hygiënevoorschriften |
| Beslissingen: | Geldboete |
| Inhoudsindicatie: | Betreft 3x niet of te laat uitvoeren van het verplichte periodieke Salmonellaonderzoek. Betrokkene beroept zich onder meer op het feit dat hij nieuw is in de legsector en nog niet goed op de hoogte van de regelgeving. Het Tuchtrecht oordeelde dat dit argument eerder in het nadeel van betrokkene spreekt dan in zijn voordeel. Nieuw zijn in een sector betekent juist dat de ondernemer de verantwoordelijkheid heeft om zich grondig te informeren over de in die sector geldende regels. Hij werkt in de voedselketen en het belang voor de voedselveiligheid is groot. Daarnaast is de betrokkene als ondernemer eerder in aanraking geweest met het Tuchtgerecht en heeft het Tuchtgerecht uit de verklaringen in het berechtingsrapport en uit de feiten zoals daarin genoemd, ook niet de indruk gekregen dat betrokkene een consciëntieuze bedrijfsvoering heeft. Onderzoeken worden niet zorgvuldig ingepland en ook heeft het Tuchtgerecht in de verklaringen van betrokkene geen voornemen voor maatregelen gezien om herhaling in de toekomst te voorkomen, noch is hij ter zitting verschenen om uitleg te geven over de achtergrond van de overtredingen en/of zijn bedrijfsvoering. Dit alles in aanmerking genomen legt het Tuchtgerecht een onvoorwaardelijke geldboete op van € 1.800. |
Zaaknummer :
TPPE 40/2014
Betrokkenen :
[bedrijfsnaam 1]
[adres 1]
en
Maatschap [bedrijfsnaam 2]
[adres 2]
Datum :
7 oktober 2014
Gang van zaken :
De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD HYG 1430, naar aanleiding van een administratieve inspectie door een controleur van CoMore op 6 juli, 7 juli, 17 juli en 25 juli 2014. Deze inspectie had betrekking op de onderneming die wordt uitgeoefend aan [adres 2] en die op naam van [bedrijfsnaam 1] is geregistreerd onder [UBN] ([Kipnummer PLV]).
Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.
Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 9 september 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.
Betrokkenen zijn behoorlijk en tijdig bij aangetekende brief opgeroepen, maar zijn niet op de zitting verschenen, zodat verstek is verleend.
Voorts zijn ter zitting verschenen de heer mr. R.B.R. Henke namens het PPE, en de heer H.G.M. Grolleman namens CoMore.
De schriftelijke verklaring richt zich mede tot Maatschap [bedrijfsnaam 2, betrokkene 2]. Zoals blijkt uit pagina 1 en 4 van het berechtingsrapport hebben zowel de heer [betrokkene 2] van Maatschap [bedrijfsnaam 2] als de heer [betrokkene 1] van [bedrijfsnaam 1] aan de controleur van CoMore verklaard, dat het bedrijf, dat geregistreerd is onder [UBN] ([Kipnummer PLV]), per 1 april 2013 eigendom is van de heer [betrokkene 1] van [bedrijfsnaam 1]. De heer [betrokkene 1] heeft blijkens het rapport verklaard dat hij daarvóór (sinds begin november 2012) het bedrijf al had gehuurd. Hij verklaart: “Het zijn mijn dieren en het zijn mijn stallen”. De heer [betrokkene 1] heeft ook verklaard dat de tenaamstelling, ondanks aansporingen die hij daartoe kreeg, nog steeds niet is aangepast.
Desgevraagd heeft het Productschap ter zitting verklaard: “Gelet op de formeel-juridische onduidelijkheid heb ik veiligheidshalve zowel [bedrijfsnaam 1] als Maatschap [bedrijfsnaam 2] opgenomen in de Schriftelijke Verklaring.”
Nu geen van beide partijen ter zitting aanwezig was om nadere toelichting te geven, oordeelt het Tuchtgerecht dat, gelet op de eensluidende verklaringen van beide betrokkenen in het berechtingsrapport, Maatschap [bedrijfsnaam 2] niet betrokken is geweest bij de verweten gedraging en geen verantwoordelijkheid draagt voor de bedrijfsvoering van [bedrijfsnaam 1]. Maatschap [bedrijfsnaam 2] zal dan ook worden vrijgesproken als hierna te melden.
Het Tuchtgerecht heeft op 7 oktober 2014 uitspraak gedaan.
Verweten gedraging :
Met betrekking tot de in de stallen 2 en 3 opgezette koppels leghennen met geboortedatum 9 juli 2012 is het verplichte periodieke Salmonellaonderzoek uitgevoerd op 9 september 2013, te weten 34 weken en zes dagen na het voorgaande onderzoek.
Met betrekking tot het in stal 3 opgezette koppel leghennen met geboortedatum 9 juli 2012 is het verplichte periodieke Salmonellaonderzoek uitgevoerd op 12 juni 2014, te weten 25 weken en twee dagen na het voorgaande onderzoek.
Met betrekking tot het in stal 2 opgezette koppel leghennen met de geboortedata 3 september 2013 en 13 september 2013 is het verplichte eerste Salmonellaonderzoek uitgevoerd op 18 juli 2014, toen de leghennen al een leeftijd van 45 weken en twee dagen, respectievelijk 43 weken en 6 dagen hadden bereikt.
Het eerste onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella van alle op het bedrijf aanwezige stalkoppels dient plaats te vinden op de leeftijd (van de leghennen) van minimaal 22 weken en maximaal 26 weken, en vervolgens ten minste éénmaal per 15 weken.
Verklaring van betrokkene :
In het berechtingsrapport is onder meer de volgende verklaring van betrokkene [bedrijfsnaam 1] opgenomen, zakelijk weergegeven:
“(…) Beide stallen worden altijd gelijk bemonsterd. Ik heb ook een uitslag van een Salmonellaonderzoek van de hennen die, voor aankomst op 30 januari 2014, op het opfokbedrijf zijn onderzocht op 13 januari 2014. (…) Het zijn mijn dieren en het zijn mijn stallen. (…) Ik ben nieuw in de legsector en ik was niet goed op de hoogte van de regelgeving. Een vertegenwoordiger maakte mij attent op het feit dat er vaker onderzoeken (…) moesten plaatsvinden. Er zijn door mij ook monsters genomen in april 2014 maar daar zijn geen uitslagen van te vinden ook niet op het laboratorium.”
Bewijs en verwijtbaarheid :
Ter zitting is geconstateerd dat enkele onderzoeken door betrokkene [bedrijfsnaam 1] op dezelfde datum zijn gedaan. Het Tuchtgerecht oordeelt dat de beide overtredingen die voortvloeien uit de te late monstername op 9 september 2013, hoewel die betrekking hebben op verschillende koppels en in 2 stallen plaatsvinden, bezien worden als één feitencomplex. Hetzelfde geldt voor de beide overtredingen die voortvloeien uit de te late monstername op 18 juli 2014. Deze hebben betrekking op verschillende koppels die in één stal geplaatst zijn. Daarbij kunnen, zo heeft de vertegenwoordiger van het Productschap aangegeven, op een gegeven moment de leeftijden niet meer worden onderscheiden. De dieren zitten samen in een stal welke een epidemiologische eenheid wordt. Ook deze beide overtredingen worden door het Tuchtgerecht gezien als één feitencomplex.
Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van de inhoud van het berechtingsrapport en de daarin opgenomen verklaring van betrokkene, ter zitting vast is komen te staan dat op het bedrijf van betrokkene [bedrijfsnaam 1], dat geregistreerd is bij het Productschap Pluimvee en Eieren onder [UBN] ([Kipnummer PLV]), de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:
Het niet binnen de voorgeschreven termijnen zorgdragen voor het onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella van alle op het bedrijf aanwezige stalkoppels, 3 maal gepleegd.
Dit levert op:
3x overtreding van artikel 10, eerste lid, van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011 jo. artikel 4, eerste lid, van het Hygiënebesluit leghennenbedrijven (PPE) 2011.
Motivering van de tuchtrechtelijke maatregel :
Bij de vorming van zijn oordeel neemt het Tuchtgerecht nota van de verklaringen van de betrokkenen blijkende uit het berechtingsrapport onder nummer CBD HYG 1430.
Op grond van het bovenstaande overweegt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, het volgende:
Voor de pluimveesector is een “Plan van Aanpak” opgesteld om besmettingen van pluimvee met Salmonella en Campylobacter terug te dringen, om de consument een betere bescherming te bieden tegen gezondheidsproblemen die mogelijk door deze besmettingen kunnen worden veroorzaakt. Er is nu een samenstel van maatregelen van kracht op grond van het bij of krachtens bepaalde in de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011. Om het met het Plan van Aanpak beoogde doel te bereiken, is het van het grootste belang dat een ieder zich houdt aan het totale pakket van de geldende maatregelen.
Onderdeel hiervan is de monitoring van de salmonellastatus van het koppel gedurende de legperiode. Het is immers van het grootste belang om, als een salmonellabesmetting zich voordoet, deze zo spoedig mogelijk te constateren. Daarom is een schema afgesproken, vastgelegd in de regelgeving. Hoe meer van dat schema wordt afgeweken, hoe minder zicht er is op de salmonellastatus van de dieren. Tegen die achtergrond bezien heeft het Tuchtgerecht geoordeeld dat hoe langer de periode van overschrijding is, des te ernstiger ook de overtreding is. Dit vertaalt zich in de hoogte van de op te leggen geldboete.
Ondernemers in de sector zijn soms van mening dat een kleine overschrijding van de termijn niet zo belangrijk is. Het Tuchtgerecht benadrukt dat het uitgangspunt van de regeling is, dat de eerste monstername plaatsvindt op een leeftijd van 24 weken. Er is vervolgens in de regeling zelf voor de ondernemer een marge ingebouwd van 2 weken tijd voor en 2 weken tijd na dit ijkpunt van 24 weken om uitvoering te geven aan de monstername. Kortom: de ondernemer heeft hiervoor 4 weken de tijd. Vindt de monstername daarvoor of daarna plaats, dan is de ondernemer in gebreke.
Het Tuchtgerecht constateert dat als gevolg van de te laat uitgevoerde onderzoeken op het bedrijf van betrokkene [bedrijfsnaam 1], betrokkene in overtreding was.
Betrokkene beroept zich op het feit dat hij nieuw is in de legsector. Los van het feit dat blijkens de gegevens van de Kamer van Koophandel betrokkene eerder al een pluimveeservicebedrijf was, oordeelt het Tuchtgerecht dat dit argument eerder in het nadeel van betrokkene spreekt dan in zijn voordeel. Nieuw zijn in een sector betekent juist dat de ondernemer de verantwoordelijkheid heeft om zich grondig te informeren over de in die sector geldende regels. Hij werkt in de voedselketen en het belang voor de voedselveiligheid is groot. Een strakke planning en zaken goed op de kalender zetten is extra belangrijk. Het verweer wordt verworpen.
Betrokkene voert ook aan dat er een uitslag is van een Salmonellaonderzoek op het opfokbedrijf, een aantal weken voor de opzet op zijn bedrijf. Deze omstandigheid doet echter niet af aan de geconstateerde overtreding. De regeling is er immers op gericht om het bedrijf van betrokkene te controleren op salmonella. Het verweer wordt verworpen.
Betrokkene beroept zich ook op monsters die genomen zouden zijn in april 2014 maar waar geen uitslagen van te vinden zijn, ook niet in het laboratorium. Nu betrokkene niet ter zitting is verschenen om zijn bewering met feiten te staven, zal het Tuchtgerecht hiermee ook geen rekening houden.
Blijkens het berechtingsrapport heeft betrokkene aan de controleur van CoMore laten weten dat stal 2 ook op 12 juni 2014 (gelijk met stal 3) is bemonsterd, maar dat stal 2 niet op de formulieren staat vermeld. Bijlage IV laat een uitslag zien waar handmatig een 2 aan is toegevoegd. Nu betrokkene niet ter zitting is verschenen om nadere toelichting te geven, kan het Tuchtgerecht hiermee ook geen rekening houden. Overigens oordeelt het Tuchtgerecht dat – ook indien op genoemde datum een onderzoek had plaatsgevonden – de eerste monstername bij beide koppels veel te laat zou hebben plaatsgevonden, ruim 14 weken resp. bijna 13 weken te laat, waarvoor een vergelijkbaar hoge strafmaat op zijn plaats zou zijn.
Het Tuchtgerecht oordeelt dat ter zitting is gebleken dat de handelwijze van betrokkene het voor hem ondoorzichtig maakt wanneer hij monsternamen moet doen. Er is niet slechts sprake van een eenmalige fout en het betreft ook grote overtredingen. Ondernemer loopt daarbij groot risico op vervolgovertredingen.
Voor alle overtredingen tezamen wordt één tuchtrechtelijke maatregel opgelegd.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete houdt het Tuchtgerecht rekening met het feit dat [bedrijfsnaam 1] met circa 12.000 leghennen een bedrijf van kleinere omvang is.
Betrokkene [betrokkene 1] van [bedrijfsnaam 1] is als ondernemer eerder in aanraking geweest met het Tuchtgerecht. Hij is dus geen onbekende van het Tuchtgerecht. Voor het overige heeft het Tuchtgerecht uit de verklaringen in het berechtingsrapport en uit de feiten zoals daarin genoemd, niet de indruk gekregen dat betrokkene een consciëntieuze bedrijfsvoering heeft. Onderzoeken worden niet zorgvuldig ingepland. Het Tuchtgerecht heeft in de verklaringen van betrokkene geen voornemen voor maatregelen gezien om herhaling in de toekomst te voorkomen, noch is hij ter zitting verschenen om uitleg te geven over de achtergrond van de overtredingen en/of zijn bedrijfsvoering. Dit alles in aanmerking genomen legt het Tuchtgerecht de geldboete onvoorwaardelijk op.
Gelet op het bovenstaande legt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, betrokkenen – ingevolge artikel 23, tweede lid, van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011 – de volgende tuchtrechtelijke maatregel op:
Beslissing :
1. Ten aanzien van [bedrijfsnaam 1]:
Een geldboete van € 1.800 (zegge: eenduizend achthonderd euro), onvoorwaardelijk .
2. Ten aanzien van de Maatschap [bedrijfsnaam 2]:
Vrijspraak.
Toepasselijke artikelen :
Naast de al vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Pluimvee en Eieren.
Samenstelling van het Tuchtgerecht :
De uitspraak is gedaan door mevrouw mr. W.N. Everts, voorzitter, en de heren drs. T.S. de Vries en ing. J. Bazuin, leden, in aanwezigheid van mevrouw drs. A.M.P. Regout, secretaris.
W.N. Everts A.M.P. Regout
voorzitter secretaris