ECLI:NL:TPETPVE:2014:22 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren Zoetermeer TPPE3714

ECLI: ECLI:NL:TPETPVE:2014:22
Datum uitspraak: 31-07-2014
Datum publicatie: 31-07-2014
Zaaknummer(s): TPPE3714
Onderwerp: Hygiënevoorschriften
Beslissingen: Geldboete
Inhoudsindicatie: Betreft het niet binnen de voorgeschreven termijnen zorgdragen voor het onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella van alle op het bedrijf aanwezige stalkoppels, eenmaal gepleegd, 1 5 weken en 3 dagen te laat. Voor de overtreding wordt een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd. Betrokkene dacht dat hij, na het toevoegen van een tweede stal aan zijn bedrijf, op basis van het toegestuurde overzicht, kon volstaan met het bemonsteren van het oudste koppel. Het Tuchtgerecht heeft begrip voor de nieuwe situatie, waarbij betrokkene gebonden was aan andere regelgeving, alsmede voor de ontstane verwarring doordat de tekst van de regelgeving niet optimaal is verwoord in het aan betrokkene toegestuurde overzicht. Beter zou zijn als daar stond “monstername bij ieder koppel”, omdat immers sprake kan zijn van meer stallen op een bedrijf. Het Tuchtgerecht ziet hierin aanleiding om ten gunste van de ondernemer af te wijken van de normbedragen bij het bepalen van de hoogte van de boete.

Zaaknummer :

TPPE 37/2014

Betrokkene :

[bedrijfsnaam]

[adres]

Datum :

31 juli 2014

Gang van zaken :

De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD HYG 1424, naar aanleiding van een administratieve inspectie door een controleur van het CBD op 2 mei 2014. Deze inspectie had betrekking op de onderneming die wordt uitgeoefend aan de [adres] en die op naam van [bedrijfsnaam] is geregistreerd onder [Kipnummer PLV].

Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 24 juni 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.

Ter zitting is verschenen de heer [betrokkene], geboren op [1967] te [geboorteplaats] wonende aan de [adres] (hierna: betrokkene).

Voorts zijn ter zitting verschenen de heer mr. R.B.R. Henke namens het PPE, en de heer

H.G.M. Grolleman namens CoMore.

Van de zijde van het Tuchtgerecht waren ter zitting aanwezig de heer mr. L.F.A. Husson en de heer J. Bazuin. De heer P. Vingerling was onverwacht verhinderd. Met instemming van de aanwezigen ter zitting heeft de behandeling van de zaak plaatsgevonden zonder aanwezigheid van de heer Vingerling.

Het Tuchtgerecht heeft op 31 juli 2014 uitspraak gedaan.

Verweten gedraging :

Met betrekking tot het koppel met geboortedatum 31 augustus 2012 is het voorgeschreven eerste onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella uitgevoerd op 18 juni 2013, te weten op een leeftijd van 41 weken en drie dagen. Het eerste onderzoek dient plaats te vinden op de leeftijd van minimaal 22 weken en maximaal 26 weken.

Verklaring van betrokkene :

In het berechtingsrapport is onder meer de volgende verklaring van betrokkene opgenomen, zakelijk weergegeven:

“Ik wist niet beter dan dat er altijd van het oudste koppel op het bedrijf Salmonellamonsters genomen moesten worden. In het door het PVE gezonden schematische overzicht zag ik dat het anders was. Ik vond de regelgeving voorheen niet al te duidelijk. (…) De eerste onderzoeken van 2013 zijn alleen uitgevoerd op het oudste koppel (…).”

Ter zitting heeft betrokkene onder meer nog verklaard, zakelijk weergegeven:

“In 2012 kregen we er een tweede stal bij. Op het overzicht “Salmonellamonsternames legbedrijf” (bijlage II-3) staat het niet duidelijk. Daar staat in de rechterkolom “Monstername in 1 stal op het bedrijf (stal met het oudste koppel)”. We hebben het toen alleen voor de stal met het oudste koppel gedaan. Toen mij verteld werd dat het per stal was, zijn we dat meteen gaan doen. De fout is alleen gebeurd omdat deze regel in de nieuwe situatie met twee stallen voor ons nog niet duidelijk was. Het gaat ook niet om de kosten, het gaat om 15 euro. Dus ik win er niets bij om het niet te doen.”

Bewijs en verwijtbaarheid :

Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van de inhoud van het berechtingsrapport en de daarin opgenomen verklaring van betrokkene, ter zitting vast is komen te staan dat op het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is bij het Productschap Pluimvee en Eieren onder [Kipnummer PLV], de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:

Het niet binnen de voorgeschreven termijnen zorgdragen voor het onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella van alle op het bedrijf aanwezige stalkoppels, eenmaal gepleegd.

Dit levert op:

Een overtreding van artikel 10, eerste lid, van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011 jo. artikel 4, eerste lid, van het Hygiënebesluit leghennenbedrijven (PPE) 2011.

Motivering van de tuchtrechtelijke maatregel :

Bij de vorming van zijn oordeel neemt het Tuchtgerecht nota van de verklaring van de betrokkene blijkende uit het berechtingsrapport onder nummer CBD HYG 1424 en van de verklaringen ter zitting.

Op grond van het bovenstaande overweegt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, het volgende:

Voor de pluimveesector is een “Plan van Aanpak” opgesteld om besmettingen van pluimvee met Salmonella en Campylobacter terug te dringen, om de consument een betere bescherming te bieden tegen gezondheidsproblemen die mogelijk door deze besmettingen kunnen worden veroorzaakt. Er is nu een samenstel van maatregelen van kracht op grond van het bij of krachtens bepaalde in de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011. Om het met het Plan van Aanpak beoogde doel te bereiken, is het van het grootste belang dat een ieder zich houdt aan het totale pakket van de geldende maatregelen.

Onderdeel hiervan is de monitoring van de salmonellastatus van het koppel gedurende de legperiode. Het is immers van het grootste belang om, als een salmonellabesmetting zich voordoet, deze zo spoedig mogelijk te constateren. Daarom is een schema afgesproken, vastgelegd in de regelgeving. Hoe meer van dat schema wordt afgeweken, hoe minder zicht er is op de salmonellastatus van de dieren. Tegen die achtergrond bezien heeft het Tuchtgerecht geoordeeld dat hoe langer de periode van overschrijding is, des te ernstiger ook de overtreding is. Dit vertaalt zich in de hoogte van de op te leggen geldboete.

Ondernemers in de sector zijn soms van mening dat een kleine overschrijding van de termijn niet zo belangrijk is. Het Tuchtgerecht benadrukt dat het uitgangspunt van de regeling is, dat de eerste monstername plaatsvindt op een leeftijd van 24 weken. Er is vervolgens in de regeling zelf voor de ondernemer een marge ingebouwd van 2 weken tijd voor en 2 weken tijd na dit ijkpunt van 24 weken om uitvoering te geven aan de monstername. Kortom: de ondernemer heeft hiervoor 4 weken de tijd. Vindt de monstername daarvoor of daarna plaats, dan is de ondernemer in gebreke.

Het Tuchtgerecht constateert dat het op het bedrijf van betrokkene eenmaal is voorgekomen dat betrokkene in overtreding was. Het betreft 15 weken en 3 dagen te laat. Voor de overtreding wordt een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd.

Betrokkene heeft als verweer aangevoerd dat hij na het toevoegen van een tweede stal aan zijn bedrijf, op basis van het toegestuurde overzicht dacht te kunnen volstaan met het bemonsteren van het oudste koppel. Het Tuchtgerecht heeft begrip voor de nieuwe situatie, waarbij betrokkene gebonden was aan andere regelgeving, alsmede voor de ontstane verwarring doordat de tekst van de regelgeving niet optimaal is verwoord in het aan betrokkene toegestuurde overzicht. Beter zou zijn als daar stond “monstername bij ieder koppel”, omdat immers sprake kan zijn van meer stallen op een bedrijf. Het Tuchtgerecht ziet hierin aanleiding om ten gunste van de ondernemer af te wijken van de normbedragen bij het bepalen van de hoogte van de boete.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete is daarnaast rekening gehouden met het feit dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Ook heeft het Tuchtgerecht ter zitting de indruk gekregen dat betrokkene in het algemeen een consciëntieuze bedrijfsvoering heeft. Dit alles in aanmerking genomen legt het Tuchtgerecht de geldboete deels voorwaardelijk op.

Gelet op het bovenstaande legt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, betrokkene – ingevolge artikel 23, tweede lid, van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE)

2011 – de volgende tuchtrechtelijke maatregel op:

Beslissing :

Een geldboete van € 750 (zegge: zevenhonderd vijftig euro), waarvan € 375 (zegge: driehonderd vijfenzeventig euro) voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar .

Voorwaarde is dat binnen de proeftijd door betrokkene geen enkele bepaling van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011 of van enige andere verordening over hygiënevoorschriften met betrekking tot de pluimveehouderij mag worden overtreden.

Wordt aan de voorwaarde niet voldaan dan kan het Productschap aan het Tuchtgerecht verzoeken om de voorwaardelijke boete alsnog ten uitvoer te leggen.

De proeftijd gaat onmiddellijk in nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt.

Toepasselijke artikelen :

Naast de al vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Pluimvee en Eieren.

Samenstelling van het Tuchtgerecht :

De uitspraak is gedaan door de heer mr. L.F.A. Husson, voorzitter, en de heren J. Bazuin en

P. Vingerling, leden, in aanwezigheid van mevrouw drs. A.M.P. Regout, secretaris.