ECLI:NL:TPETPVE:2014:21 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren Zoetermeer TPPE3614
| ECLI: | ECLI:NL:TPETPVE:2014:21 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-10-2014 |
| Datum publicatie: | 07-10-2014 |
| Zaaknummer(s): | TPPE3614 |
| Onderwerp: | Dierengezondheid |
| Beslissingen: | Geldboete |
| Inhoudsindicatie: | Met betrekking tot 3 koppels vleeskuikens met als geboortedatum 17 juli 2012, respectievelijk 27 maart 2013 en 4 september 2013 zijn geen dan wel onvoldoende bloedonderzoeken op het effect van vaccinaties tegen NCD uitgevoerd. Het Tuchtgerecht overweegt dat de ondernemer verantwoordelijk blijft voor het tijdig doen van onderzoek, ook indien het Productschap zijn aanmelding niet (tijdig) verwerkt zou hebben. Ook kan betrokkene zich niet beroepen op mogelijk niet juist handelen door zijn dierenarts of op het feit dat de GD geen waarschuwingsbrieven meer stuurt. Het Tuchtgerecht oordeelt dat de ondernemer zelf verantwoordelijk blijft voor de gang van zaken op zijn bedrijf. Het Tuchtgerecht houdt bij het bepalen van de op te leggen maatregel rekening met het feit dat betrokkene in 2005 en 2009 al eerder met het Tuchtgerecht in aanraking is gekomen. |
Zaaknummer :
TPPE 36/2014
Betrokkene :
[bedrijfsnaam]
[adres]
Datum :
7 oktober 2014
Gang van zaken :
De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD NCD-1420, naar aanleiding van een administratieve inspectie door een controleur van CoMore op 1, 2 en 8 mei 2014, ten aanzien van de onderneming die onder de naam [bedrijfsnaam] wordt uitgeoefend aan de [adres] en die geregistreerd is onder [UBN].
Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.
Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 9 september 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.
Betrokkene is behoorlijk en tijdig bij aangetekende brief opgeroepen, maar is niet op de zitting verschenen. Betrokkene was eerder opgeroepen om te verschijnen op de zitting van het Tuchtgerecht van 24 juni 2014. Uit opgave van het secretariaat van het Tuchtgerecht blijkt, dat het aangetekende stuk waarbij betrokkene werd opgeroepen voor de zitting van 9 september 2014, niet is afgehaald en op 17 september 2014 door PostNL is terugbezorgd. Uit verkregen informatie van PostNL blijkt, dat het stuk op 26 augustus 2014 is aangeboden op het KvK-inschrijvingsadres van betrokkene: [adres].
Uit een telefoonnotitie van de secretaris van het Tuchtgerecht blijkt, dat de heer [betrokkene] op donderdag 19 juni 2014 telefonisch uitstel heeft gevraagd van het verschijnen op de zitting van 24 juni. Dit verzoek is gehonoreerd en door de secretaris van het Tuchtgerecht mondeling aan betrokkene medegedeeld. Daarbij heeft de secretaris direct de nieuwe zittingsdatum van 9 september 2014 aan betrokkene laten weten.
Het Tuchtgerecht oordeelt als volgt: de heer [betrokkene] heeft de eerste oproeping ontvangen, af te leiden uit het feit dat hij uitstel heeft aangevraagd. De tweede oproeping is wederom per aangetekende post verstuurd. Uit door het Tuchtgerecht verricht onderzoek is gebleken dat het bedrijf van betrokkene op de datum van postbezorging nog steeds op het bewuste adres stond ingeschreven. Daarmee komt het Tuchtgerecht tot de conclusie dat de tweede oproeping op de juiste wijze gedaan is. Dat betrokkene ervoor kiest – ondanks herhaaldelijk aanbieden – een poststuk niet op te halen, hoewel daartoe bericht op zijn adres is achtergelaten, komt voor zijn rekening. Nu hij tevens naar aanleiding van het telefoongesprek met de secretaris al rekening had kunnen houden met de datum van 9 september, gaat het Tuchtgerecht ervan uit dat betrokkene om hem moverende redenen ervan heeft afgezien om ter zitting te verschijnen, zodat verstek kan worden verleend en de zaak buiten zijn aanwezigheid is behandeld.
Voorts zijn ter zitting verschenen de heer mr. R.B.R. Henke namens het PPE, en de heer
H.G.M. Grolleman namens CoMore.
Het Tuchtgerecht heeft op 7 oktober 2014 uitspraak gedaan.
De behandeling ter zitting :
Desgevraagd geeft de vertegenwoordiger van CoMore aan, dat in het berechtingsrapport een kennelijke verschrijving heeft plaatsgevonden. Hij verklaart ter zitting dat op pagina 3 van het berechtingsrapport twee maal over 2014 wordt gesproken, waar 2013 bedoeld is. Dat betreft contactmomenten van dhr Grolleman. Het Tuchtgerecht verstaat de melding zoals gedaan en neemt hier nota van.
Verweten gedraging :
Met betrekking tot drie koppels vleeskuikens met als geboortedatum 17 juli 2012, respectievelijk 27 maart 2013 en 4 september 2013 zijn geen dan wel onvoldoende bloedonderzoeken op het effect van vaccinaties tegen NCD uitgevoerd.
Verklaring van betrokkene :
Volgens het berechtingsrapport heeft betrokkene onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:
“Ik ben er zelf niet altijd bij als de dierenarts komt (…). Ik ben ongeveer drie maanden geleden in discussie geweest met het Productschap over het aanmelden van de koppels vleeskuikens. Ik doe niets via internet. Ik heb de koppels altijd per fax aangemeld. Daar is bij het Productschap niets mee gedaan. De faxen zijn op een stapel komen te liggen en niet verwerkt in de databank. Ik (…) zorg ervoor dat ik van elk faxbericht een verzendbevestiging heb.”
Volgens het berechtingsrapport heeft de dierenarts van betrokkene onder meer nog verklaard, zakelijk weergegeven:
“(..) de aansturing door middel van brieven gaat nu goed. Het aanmelden van de koppels is in het verleden blijkbaar niet helemaal goed gegaan. Van de drie koppels met [die] geboortedata (…) kan ik niet achterhalen waar het fout is gegaan. Er zijn geen uitslagen en dat is een feit. Ik heb niet altijd de originele inzendformulieren kunnen gebruiken omdat deze niet toegezonden waren.”
Volgens het berechtingsrapport heeft een vertegenwoordiger van het GS PVE onder meer nog verklaard, zakelijk weergegeven:
“Halverwege het jaar 2012 is er overgeschakeld naar het melden van koppels vleeskuikens op stalniveau in Kip 2.0 (het nieuwe Kipsysteem). Veel broederijen hebben toen besloten het aanmelden van de koppels vleeskuikens niet meer voor de pluimveehouders te verzorgen. Ik zie dat tot en met oktober 2012 broederij Haanstra B.V. de aanmelding nog verzorgde. In juli en augustus is via broederij Haanstra B.V. aandacht gevraagd voor een correcte melding van koppels vleeskuikens door de heer [betrokkene] in de databank. (…) Eind 2013 hebben wij de heer [betrokkene] op het aanmelden van de koppels vleeskuikens aangesproken. Daarna is er pas iets gebeurd. Het loopt nu wel goed.
Er zijn geen inzendformulieren en herinneringsbrieven gestuurd aan betrokkene en aan de DA omdat de 3 koppels niet waren aangemeld.
Bewijs en verwijtbaarheid :
Het Tuchtgerecht oordeelt dat, op grond van de inhoud van het berechtingsrapport en de daarin opgenomen verklaringen van betrokkene, diens dierenarts en het GS van het Productschap, ter zitting vast is komen te staan dat op het bedrijf van betrokkene de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:
Het geen dan wel onvoldoende bloedonderzoek uitvoeren naar het effect van vaccinatie tegen de ziekte NCD, drie maal gepleegd.
Dit levert op:
Drie maal overtreding van artikel 2, lid 2, van de Verordening vaccinatie Newcastle Disease (hierna: Verordening NCD) juncto artikel 3, lid 1 van het Besluit bloedonderzoek Newcastle Disease (PPE) 2006 (hierna: Besluit NCD).
Motivering van tuchtrechtelijke maatregel(en) :
Bij de vorming van zijn oordeel neemt het Tuchtgerecht nota van de diverse verklaringen blijkende uit het berechtingsrapport onder nummer CBD NCD-1420 en van het besprokene ter zitting. Het Tuchtgerecht overweegt als volgt.
Newcastle Disease (NCD), ook wel pseudo-vogelpest genoemd, is een voor pluimvee zeer besmettelijke ziekte die wordt veroorzaakt door een paramyxovirus. De laatste uitbraak in Nederland dateert van 1992. In het buitenland wordt NCD nog regelmatig vastgesteld. In de moderne pluimveehouderij in Nederland wordt NCD bij pluimvee preventief bestreden door toepassing van daartoe ontwikkelde vaccins. Het preventief vaccineren voorkomt dat de exportpositie van de Nederlandse pluimveesector gevaar loopt vanwege uitbraak van deze ziekte.
De ondernemer is voorts verplicht om via bloedonderzoek aan de hand van de Hemagglutinatieremmingstest (HAR) te laten controleren of de uitgevoerde vaccinaties hebben geleid tot een voldoende hoge weerstand tegen NCD. Deze monitoring is een essentieel onderdeel van het beheersbeleid NCD van het Productschap Pluimvee en Eieren.
Overtredingen van deze regels worden aangemerkt als een ernstige overtreding.
Betrokkene heeft een bedrijf met 1 stal met in totaal circa 40.000 vleeskuikens.
Ten aanzien van de verklaring van betrokkene overweegt het Tuchtgerecht als volgt. Het zijn 3 overtredingen. Als ondernemer blijft hij verantwoordelijk voor het tijdig doen van onderzoek, ook indien het Productschap zijn aanmelding niet (tijdig) verwerkt zou hebben.
De GD stuurt geen waarschuwingsbrieven meer. Eerder was er een systeem waarbij zowel de dierenarts als de ondernemer werden gewaarschuwd. Maar de verplichting rust in de eerste plaats op de ondernemer, of een koppel nu is aangemeld of niet, om NCD-onderzoek te doen. Het verweer wordt verworpen.
Ook kan betrokkene zich niet beroepen op mogelijk niet juist handelen door zijn dierenarts. Het Tuchtgerecht oordeelt dat de ondernemer altijd zelf verantwoordelijk blijft voor de gang van zaken op zijn bedrijf.
Het Tuchtgerecht houdt bij het bepalen van de op te leggen maatregel rekening met de grootte van het bedrijf, met 40.000 vleeskuikens een bedrijf van gemiddelde omvang, en met het feit dat betrokkene in 2005 en 2009 al eerder met het Tuchtgerecht in aanraking is gekomen. Dit leidt ertoe dat het Tuchtgerecht een relatief gering deel van de geldboete voorwaardelijk oplegt.
Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, dat betrokkene – gelet op artikel 11, eerste en tweede lid, van de Verordening NCD – de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:
Beslissing :
Een geldboete van € 2.250,- (zegge: tweeduizend tweehonderd vijftig euro), waarvan € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar .
Voorwaarde is dat binnen de proeftijd door betrokkene geen enkele bepaling van de Verordening NCD of het Besluit NCD dan wel enige verordening houdende bepalingen omtrent hygiënevoorschriften met betrekking tot de pluimveehouderij mag worden overtreden. Wordt aan de voorwaarde niet voldaan dan kan het Productschap aan het Tuchtgerecht verzoeken om de voorwaardelijke boete alsnog ten uitvoer te leggen. De proeftijd gaat onmiddellijk in nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt.
Toepasselijke artikelen :
Naast de reeds vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Pluimvee en Eieren.
Samenstelling van het Tuchtgerecht :
De uitspraak is gedaan door mevrouw mr. W.N. Everts, voorzitter, en de heren drs. T.S. de Vries en ing. J. Bazuin, leden, in aanwezigheid van mevrouw drs. A.M.P. Regout, secretaris.