ECLI:NL:TPETPVE:2014:20 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren Zoetermeer TPPE3514
| ECLI: | ECLI:NL:TPETPVE:2014:20 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-07-2014 |
| Datum publicatie: | 31-07-2014 |
| Zaaknummer(s): | TPPE3514 |
| Onderwerp: | Dierenwelzijn |
| Beslissingen: | Geldboete |
| Inhoudsindicatie: | Op een leeftijd van 22 weken werden in stal 3 van het bedrijf van betrokkene 7.920 vleeskuikenouderdieren gehouden op een vloeroppervlakte van omgerekend 1.256 cm2 per dier. Er dient per dier een vloeroppervlakte van ten minste 1.300 cm2 beschikbaar te zijn. Betrokkene heeft als verweer aangevoerd dat hij 4% meer of minder geleverd kan krijgen door zijn opfokorganisatie. Het Tuchtgerecht oordeelt dat betrokkene altijd zelf verantwoordelijk blijft voor het op juiste wijze naleven van de regelgeving op zijn bedrijf. Hij zal er dus voor dienen te zorgen dat de afspraken met zijn opfokorganisatie niet leiden tot een teveel aan dieren in zijn stallen. Ten aanzien van het economisch voordeel stelt het Tuchtgerecht dat in casu niet is vast komen te staan, dat betrokkene relevant economisch voordeel heeft genoten. |
Zaaknummer :
TPPE 35/2014
Betrokkene :
[bedrijfsnaam]
[adres]
Datum :
31 juli 2014
Gang van zaken :
De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD WEL 1406, naar aanleiding van een inspectie door een controleur van CoMore op 7 januari 2014 op de onderneming die wordt uitgeoefend aan de [adres] en die op naam van [bedrijfsnaam] is geregistreerd onder [UBN].
Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.
Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 24 juni 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.
Betrokkene is behoorlijk en tijdig bij aangetekende brief opgeroepen, maar is niet op de zitting verschenen, zodat verstek is verleend.
Voorts zijn ter zitting verschenen de heer mr. R.B.R. Henke namens het PPE, en de heer
H.G.M. Grolleman namens CoMore.
Van de zijde van het Tuchtgerecht waren ter zitting aanwezig de heer mr. L.F.A. Husson en de heer J. Bazuin. De heer P. Vingerling was onverwacht verhinderd. Met instemming van de aanwezigen ter zitting heeft de behandeling van de zaak plaatsgevonden zonder aanwezigheid van de heer Vingerling.
Het Tuchtgerecht heeft op 31 juli 2014 uitspraak gedaan.
Verweten gedraging :
Op een leeftijd van 22 weken werden in stal 3 van het bedrijf van betrokkene 7.920 vleeskuikenouderdieren gehouden op een vloeroppervlakte van omgerekend 1.256 cm2 per dier. Artikel 4, onder a. van de Verordening welzijnsnormen vleeskuikenouderdieren 2003 schrijft voor dat per vleeskuikenouderdier een vloeroppervlakte van ten minste 1.300 cm2 beschikbaar is.
Verklaring van betrokkene :
In het berechtingsrapport is onder meer de volgende verklaring van betrokkene opgenomen, zakelijk weergegeven:
“Het betrof een proefopzet om het verschil in het effect van een Coli-enting te onderzoeken. De dieren in stal 1 zijn destijds niet geënt tegen Coli, de dieren in stal 2 en 3 zijn destijds wel geënt tegen Coli. (…) Om de resultaten van de proef niet te beïnvloeden zijn de niet-geënte dieren niet vermengd met de wel-geënte dieren.
In het leveringscontract met de opfokorganisatie De Kuikenaer staat bovendien dat er 4% meer of minder dieren geleverd kunnen worden.”
Bewijs en verwijtbaarheid :
Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van de inhoud van het berechtingsrapport en de daarin opgenomen verklaring van betrokkene, ter zitting vast is komen te staan dat op het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is bij het Productschap Pluimvee en Eieren onder [UBN], de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:
Het niet beschikbaar hebben van het minimum vloeroppervlak van 1.300 cm2 per dier in stal 3.
Dit levert op:
Een overtreding van artikel 4 aanhef en onder a. van de Verordening welzijnsnormen vleeskuikenouderdieren 2003 (hierna: de Verordening).
Motivering van de tuchtrechtelijke maatregel :
Bij de vorming van zijn oordeel neemt het Tuchtgerecht nota van de verklaring van de betrokkene blijkende uit het berechtingsrapport onder nummer CBD WEL 1406.
Op grond van het bovenstaande overweegt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, het volgende:
De Verordening stelt minimumeisen aan de huisvesting van vleeskuikenouderdieren, zodat het welzijn van de dieren wordt gewaarborgd. Daarmee komt de sector tegemoet aan maatschappelijke en politieke opvattingen over de minimale standaard voor pluimvee in de reproductiesector. De minimumeisen met betrekking tot de huisvesting zijn opgesteld conform de normen die door de Dierenbescherming en de Nederlandse Organisatie van Pluimveehouders (NOP) in hun gezamenlijke brief van 28 september 2000 aan de (toenmalige) Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zijn geadviseerd.
Artikel 4 aanhef en onder a. van de Verordening schrijft voor dat per dier 1.300 cm2 beschikbaar moet zijn.
Naast het sanctioneren van de overtreding van de welzijnsnorm beoogt het Tuchtgerecht het economisch voordeel door middel van het opleggen van een geldboete weg te nemen.
- Ten aanzien van het economisch voordeel stelt het Tuchtgerecht dat niet is vast komen te staan, dat betrokkene relevant economisch voordeel heeft genoten.
Het Tuchtgerecht beoogt het economisch voordeel door middel van het opleggen van een geldboete weg te nemen. Het Tuchtgerecht gaat bij het bepalen van de hoogte daarvan uit van het totaal aantal dieren dat werd gehouden op het gehele bedrijf afgezet tegen het maximale aantal dieren dat op het bedrijf gehouden mag worden. In casu werden op het bedrijf in de stallen 1, 2 en 3 in totaal 33.420 dieren gehouden, terwijl 33.376 dieren het maximaal toegestane aantal was.
- Ten aanzien van de overtreding van de welzijnsnorm telt het feit dat het welzijn van alle dieren in stal 3 in het geding is gekomen.
Betrokkene heeft als verweer aangevoerd dat hij 4% meer of minder geleverd kan krijgen door zijn opfokorganisatie. Het Tuchtgerecht oordeelt dat betrokkene altijd zelf verantwoordelijk blijft voor het op juiste wijze naleven van de regelgeving op zijn bedrijf. Hij zal er dus voor dienen te zorgen dat de afspraken met zijn opfokorganisatie niet leiden tot een teveel aan dieren in zijn stallen.
In het onderhavige geval is in stal 3 is de minimum-oppervlaktegrens overschreden met 44 cm2 per dier. Dit betekent concreet dat de pluimveehouder teveel dieren hield op de beschikbare ruimte in de stal wat een overschrijding van de norm met 3,5% is.
In zaken waarbij sprake is van minder dan 10% overschrijding van de norm, kwalificeert het Tuchtgerecht dit als een ernstige overtreding en legt een boete op van 500 euro. In zaken waarbij sprake is van meer dan 10% overschrijding van de norm, kwalificeert het Tuchtgerecht dit als een zeer ernstige overtreding en legt een boete op van 750 euro. In het voorliggend geval is sprake van 3,5% overschrijding; een ernstige overtreding waarop in beginsel een boete van 500 euro van toepassing is.
Bij het vaststellen van de hoogte van de geldboete houdt het Tuchtgerecht rekening met het feit dat betrokkene een bedrijf van gemiddelde omvang heeft en met het feit dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Daarom legt het Tuchtgerecht de boete deels voorwaardelijk op.
Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, dat betrokkene – gelet op artikel 8, eerste en tweede lid, van de Verordening welzijnsnormen vleeskuikenouderdieren 2003 – de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:
Beslissing :
Een geldboete van € 500 (zegge: vijfhonderd euro), waarvan € 250 (zegge: tweehonderd vijftig euro) voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar .
Voorwaarde is dat binnen de proeftijd door betrokkene geen enkele bepaling van de Verordening welzijnsnormen vleeskuikenouderdieren 2003 of een andere bepaling over dierenwelzijn in de pluimveehouderij mag worden overtreden.
Wordt aan de voorwaarde niet voldaan dan kan het Productschap aan het Tuchtgerecht verzoeken om de voorwaardelijke boete alsnog ten uitvoer te leggen.
De proeftijd gaat onmiddellijk in nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt.
Toepasselijke artikelen :
Naast de reeds vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Pluimvee en Eieren.
Samenstelling van het Tuchtgerecht :
De uitspraak is gedaan door de heer mr. L.F.A. Husson, voorzitter, en de heren J. Bazuin en
P. Vingerling, leden, in aanwezigheid van mevrouw drs. A.M.P. Regout, secretaris.