ECLI:NL:TPETPVE:2014:19 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren Zoetermeer TPPE3414

ECLI: ECLI:NL:TPETPVE:2014:19
Datum uitspraak: 31-07-2014
Datum publicatie: 31-07-2014
Zaaknummer(s): TPPE3414
Onderwerp: Dierenwelzijn
Beslissingen: Geldboete
Inhoudsindicatie:   Op een leeftijd van 22 weken werden in stal 3 van het bedrijf van betrokkene 14.630 vleeskuikenouderdieren gehouden op een vloeroppervlakte van omgerekend 1.101 cm2 per dier, in plaats van ten minste 1.300 cm2 per dier. Naast het sanctioneren van de overtreding van de welzijnsnorm stelt het Tuchtgerecht stelt vast dat betrokkene mogelijk economisch voordeel heeft gehad. Door middel van het opleggen van een geldboete beoogt het Tuchtgerecht dit voordeel weg te nemen. In dit specifieke geval wordt rekening gehouden met de relatief grote uitval, met name in de eerste weken, waardoor het economisch voordeel is beperkt. Het Tuchtgerecht neemt daarbij in aanmerking, dat niet is gebleken dat de relatief grote uitval in relatie staat tot het overtreden van de norm.    

Zaaknummer :

TPPE 34/2014

Betrokkene :

Maatschap [bedrijfsnaam]

[adres]

Datum :

31 juli 2014

Gang van zaken :

De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD WEL 1405, naar aanleiding van een inspectie door een controleur van het CBD op 14 oktober 2013 op de onderneming die wordt uitgeoefend aan de [adres], die op naam van Maatschap [bedrijfsnaam] is geregistreerd onder [UBN].

Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 24 juni 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.

Ter zitting is verschenen de heer [betrokkene], geboren op [1972] te [geboorteplaats], wonende aan de [adres] (hierna: betrokkene).

Voorts zijn ter zitting verschenen de heer mr. R.B.R. Henke namens het PPE, en de heer H.G.M. Grolleman namens CoMore.

Van de zijde van het Tuchtgerecht waren ter zitting aanwezig de heer mr. L.F.A. Husson en de heer J. Bazuin. De heer P. Vingerling was onverwacht verhinderd. Met instemming van de aanwezigen ter zitting heeft de behandeling van de zaak plaatsgevonden zonder aanwezigheid van de heer Vingerling.

Het Tuchtgerecht heeft op 31 juli 2014 uitspraak gedaan.

Verweten gedraging :

Op een leeftijd van 22 weken werden in stal 3 van het bedrijf van betrokkene 14.630 vleeskuikenouderdieren gehouden op een vloeroppervlakte van omgerekend 1.101 cm2 per dier. Artikel 4, onder a. van de Verordening welzijnsnormen vleeskuikenouderdieren 2003 schrijft voor dat per vleeskuikenouderdier een vloeroppervlakte van ten minste 1.300 cm2 beschikbaar is.

Verklaring van betrokkene :

In het berechtingsrapport is onder meer de volgende verklaring van betrokkene opgenomen, zakelijk weergegeven:

“De verdeling over de drie stallen is niet goed gegaan. In stal 1 en 2 was ruimte beschikbaar voor meer dieren dan dat er nu aanwezig waren. Herstellen was niet meer mogelijk. (…)

Er zijn nu minder dieren opgezet en ze zijn beter verdeeld over de drie stallen.”

Ter zitting heeft betrokkene onder meer nog verklaard, zakelijk weergegeven:

“Het verdelen is niet goed gegaan, omdat mijn zorg is, het stressmoment zo kort mogelijk te houden. Na de verdeling door de chauffeurs wil ik zo snel mogelijk water en voer in de stallen krijgen. Als ik ’s avonds na het opzetten direct geconstateerd had dat er in stal 3 teveel dieren zaten, was het een kleine moeite geweest er een aantal uit te halen en over te zetten. De les voor mij is dat ik met de opzet meer rekening met de juiste aantallen per stal moet houden.

Over de hoge uitval: dat wordt in de sector als normaal gezien, maar wij vinden dat niet normaal. Er zit een mechanisch defect aan de dieren. Je kunt ze er niet voor behandelen. Het is genetisch. De uitval treedt op rond de 26e tot de 33e levensweek. In de productie houden ze het niet vol.

Het Productschap stelt dat er als standaard wordt gestreefd naar een uitval van minder dan 5%. Het gemiddelde wat uitvalt, zit echter voor hennen op 13%. Dat zijn gegevens van de broederij en zo is de realiteit.”

Bewijs en verwijtbaarheid :

Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van de inhoud van het berechtingsrapport en de daarin opgenomen verklaring van betrokkene, ter zitting vast is komen te staan dat op het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is bij het Productschap Pluimvee en Eieren onder [UBN], de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:

Het niet beschikbaar hebben van het minimum vloeroppervlak van 1.300 cm2 per dier in stal 3.

Dit levert op:

Een overtreding van artikel 4 aanhef en onder a. van de Verordening welzijnsnormen vleeskuikenouderdieren 2003 (hierna: de Verordening).

Motivering van de tuchtrechtelijke maatregel :

Bij de vorming van zijn oordeel neemt het Tuchtgerecht nota van de verklaringen van de betrokkene, blijkende uit het berechtingsrapport onder nummer CBD WEL 1405 en van de verklaringen ter zitting.

Op grond van het bovenstaande overweegt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, het volgende:

De Verordening stelt minimumeisen aan de huisvesting van vleeskuikenouderdieren, zodat het welzijn van de dieren wordt gewaarborgd. Daarmee komt de sector tegemoet aan maatschappelijke en politieke opvattingen over de minimale standaard voor pluimvee in de reproductiesector. De minimumeisen met betrekking tot de huisvesting zijn opgesteld conform de normen die door de Dierenbescherming en de Nederlandse Organisatie van Pluimveehouders (NOP) in hun gezamenlijke brief van 28 september 2000 aan de (toenmalige) Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zijn geadviseerd.

Artikel 4 aanhef en onder a. van de Verordening schrijft voor dat per dier 1.300 cm2 beschikbaar moet zijn.

Naast het sanctioneren van de overtreding van de welzijnsnorm beoogt het Tuchtgerecht het economisch voordeel door middel van het opleggen van een geldboete weg te nemen.

-      Ten aanzien van het economisch voordeel stelt het Tuchtgerecht dat betrokkene mogelijk economisch voordeel heeft gehad, aangezien door betrokkene meer dieren werden gehouden dan de norm toeliet. Uit het berechtingsrapport blijkt dat in stal 3 gemiddeld per vleeskuikenouderdier 1.101 cm2 beschikbaar was.

Het Tuchtgerecht beoogt het economisch voordeel door middel van het opleggen van een geldboete weg te nemen. Het Tuchtgerecht gaat bij het bepalen van de hoogte daarvan uit van het totaal aantal dieren dat werd gehouden op het gehele bedrijf afgezet tegen het maximale aantal dieren dat op het bedrijf gehouden mag worden. In casu werden op het bedrijf in de stallen 1, 2 en 3 in totaal 30.842 dieren gehouden, terwijl 29.159 dieren het maximaal toegestane aantal was. Dit komt neer op 1.683 dieren teveel. Het verweer van betrokkene, dat bij een juiste verdeling over de stallen het probleem zich niet had voorgedaan, houdt geen stand.

       Bij een teveel van 1.683 dieren komt het Tuchtgerecht tot een bedrag van (afgerond) 3.300 euro, waarbij als norm wordt gehanteerd € 2,- per dier.

In dit specifieke geval wordt rekening gehouden met de relatief grote uitval, met name in de eerste weken, waardoor het economisch voordeel is beperkt. Mede daarom begroot het Tuchtgerecht het economisch voordeel in dit geval op 1.800 euro. Het neemt daarbij in aanmerking, dat niet is gebleken dat de relatief grote uitval in relatie staat tot het overtreden van de norm.

-      Ten aanzien van de overtreding van de welzijnsnorm telt het feit dat het welzijn van alle dieren in stal 3 in het geding is gekomen. In stal 3 is de minimum-oppervlaktegrens overschreden met 199 cm2 per dier. Dit betekent concreet dat de pluimveehouder teveel dieren hield op de beschikbare ruimte in de stal, wat een overschrijding van de norm met 18,1% is.

In zaken waarbij sprake is van minder dan 10% overschrijding van de norm, kwalificeert het Tuchtgerecht dit als een ernstige overtreding en legt een boete op van 500 euro. In zaken waarbij sprake is van meer dan 10% overschrijding van de norm, kwalificeert het Tuchtgerecht dit als een zeer ernstige overtreding en legt een boete op van 750 euro. In alle gevallen houdt het daarbij vervolgens rekening met variabelen als bedrijfsgrootte, wel of geen recidive en bijzondere omstandigheden. In het voorliggend geval is sprake van 18,1% overschrijding; een zeer ernstige overtreding waarop in beginsel een boete van 750 euro van toepassing is.

Bij het vaststellen van de hoogte van de geldboete houdt het Tuchtgerecht rekening met het feit dat betrokkene een bedrijf van kleinere omvang heeft en met het feit dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Tevens heeft het Tuchtgerecht ter zitting de indruk gekregen dat betrokkene in de regel een zorgvuldige bedrijfsvoering heeft en dat maatregelen zijn genomen om herhaling in de toekomst te voorkomen. Daarom legt het Tuchtgerecht de boete deels voorwaardelijk op.

Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, dat betrokkene – gelet op artikel 8, eerste en tweede lid, van de Verordening – de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:

Beslissing :

Een geldboete van € 2.400 (zegge: tweeduizend vierhonderd euro), waarvan € 300 (zegge: driehonderd euro) voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar .

Voorwaarde is dat binnen de proeftijd door betrokkene geen enkele bepaling van de Verordening welzijnsnormen vleeskuikenouderdieren 2003 of een andere bepaling over dierenwelzijn in de pluimveehouderij mag worden overtreden.

Wordt aan de voorwaarde niet voldaan dan kan het Productschap aan het Tuchtgerecht verzoeken om de voorwaardelijke boete alsnog ten uitvoer te leggen.

De proeftijd gaat onmiddellijk in nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt.

Toepasselijke artikelen :

Naast de al vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Pluimvee en Eieren.

Samenstelling van het Tuchtgerecht :

De uitspraak is gedaan door de heer mr. L.F.A. Husson, voorzitter, en de heren J. Bazuin en

P. Vingerling, leden, in aanwezigheid van mevrouw drs. A.M.P. Regout, secretaris.