ECLI:NL:TPETPVE:2014:18 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren Zoetermeer TPPE3014
| ECLI: | ECLI:NL:TPETPVE:2014:18 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-07-2014 |
| Datum publicatie: | 31-07-2014 |
| Zaaknummer(s): | TPPE3014 |
| Onderwerp: | Hygiënevoorschriften |
| Beslissingen: | Geldboete |
| Inhoudsindicatie: | Nadat op het bedrijf van betrokkene een besmetting met Salmonella Enteritidis was vastgesteld, is dit niet binnen één werkdag gemeld aan de voorzitter van het Productschap, noch aan de slachterij waaraan het betreffende koppel werd geleverd. Betrokkene voert aan dat hij niet levert aan een slachterij maar aan een tussenpersoon. Daaraan heeft hij wel gemeld. In overleg met deze afnemer heeft hij nieuwe monsters genomen. Hoewel het niet mogelijk is om een her-bemonstering uit te voeren, heeft betrokkene naar het oordeel van het Tuchtgerecht hiermee wel zorgvuldig gehandeld. Dat neemt niet weg dat hij – na de eerste positieve uitslag – had moeten melden, niet alleen aan zijn afnemer maar ook aan het Productschap. Voor dit laatste wordt een boete opgelegd, een deel daarvan voorwaardelijk. |
Zaaknummer :
TPPE 30/2014
Betrokkene :
[bedrijfsnaam] B.V.
[adres]
Datum :
31 juli 2014
Gang van zaken :
De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD HYG 1371, naar aanleiding van een administratieve inspectie door een controleur van CoMore op 3 juli 2013 op de onderneming die wordt uitgeoefend op het bedrijf aan [adres], die op naam van [bedrijfsnaam] B.V. is geregistreerd onder [KIP-nummer PLV].
Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.
Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 24 juni 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.
Ter zitting is namens de B.V. verschenen de heer [betrokkene], geboren op [1959] te [geboorteplaats], wonende aan [adres] (hierna: betrokkene).
Voorts zijn ter zitting verschenen de heer mr. R.B.R. Henke namens het PPE, en de heer H.G.M. Grolleman namens CoMore.
Van de zijde van het Tuchtgerecht waren ter zitting aanwezig de heer mr. L.F.A. Husson en de heer J. Bazuin. De heer P. Vingerling was onverwacht verhinderd. Met instemming van de aanwezigen ter zitting heeft de behandeling van de zaak plaatsgevonden zonder aanwezigheid van de heer Vingerling.
Het Tuchtgerecht heeft op 31 juli 2014 uitspraak gedaan.
Verweten gedraging :
Nadat op het bedrijf van betrokkene een besmetting met Salmonella Enteritidis was vastgesteld, is dit niet binnen één werkdag gemeld aan de voorzitter van het Productschap, noch aan de slachterij waaraan het betreffende koppel werd geleverd.
Verklaring van betrokkene :
In het berechtingsrapport is onder meer de volgende verklaring van betrokkene opgenomen, zakelijk weergegeven:
“Ik heb de positieve uitslag Salmonella Enteritidis niet gemeld aan de slachterij en ook niet aan het Productschap, omdat ik twijfelde aan de juistheid van deze uitslag. (…) Er zijn opnieuw monsters genomen op 21 februari 2013 door mijzelf en op 25 februari 2013 door de dierenarts. De monsters zijn onderzocht door ROBA en bleken beiden Salmonella negatief te zijn. We zijn toen (..) tot de conclusie gekomen dat er geen Salmonellabesmetting in stal 2 aanwezig was. (…) Achteraf begrijp ik dat het eerste onderzoek met positieve uitslag bepalend is en dat ik daar naar had moeten handelen. Ik kon het echter niet geloven dat er een Salmonellabesmetting in de stal aanwezig was.”
Ter zitting heeft betrokkene onder meer nog verklaard, zakelijk weergegeven:
“Ik wist niet dat ik moest melden aan het Productschap. En melden aan de slachterij kon ik niet, want ik lever aan De Heus. Zij verkopen de dieren weer aan diverse slachterijen. Wij moeten dus melden aan De Heus en dat heb ik gedaan.
Ik twijfelde aan die eerste uitslag, omdat ik net van dierenarts was gewisseld. Die besteedt de taak uit aan een laboratorium. Daar is naar mijn mening een fout gemaakt. Door zo’n fout is voor mij de schade niet te overzien. We hebben direct twee keer extra bemonsterd en alles was negatief.”
Betrokkene legt een viertal analyserapporten over aan het Tuchtgerecht. Deze worden bij de stukken van de zaak gevoegd. Het betreft tweemaal een rapport van bemonstering met overschoentjes van ROBA Laboratorium (de dato 21-02-2013 en 25-02-2013), alsmede twee uitslagen van monstername bij de slachterij: eenmaal van Silliker (de dato 28-02-2013) en eenmaal van Alcontrol Laboratories (de dato 06-03-2013).
Bewijs en verwijtbaarheid :
Het Tuchtgerecht oordeelt dat de regelgeving spreekt van ‘slachterij’, waarbij de strekking van de regeling is, verdere besmetting te voorkomen. Daar heeft betrokkene aan voldaan, door de besmetting te melden aan zijn voerleverancier De Heus, die vervolgens de verkoop van de kippen aan de slachterij verzorgt. Het TG oordeelt dat betrokkene daarmee aan zijn verplichting heeft voldaan.
Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van de inhoud van het berechtingsrapport en de verklaring van betrokkene, ter zitting vast is komen te staan dat op het bedrijf van betrokkene, geregistreerd bij het Productschap Pluimvee en Eieren onder [KIP-nummer PLV], de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:
Het niet voldoen aan het vereiste om binnen één werkdag melden aan de voorzitter van het Productschap, nadat op het bedrijf van betrokkene een besmetting met Salmonella Enteritidis was vastgesteld.
Dit levert op:
Overtreding van artikel 13, lid 4 van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011 en artikel 5 lid 3 van het Hygiënebesluit vleeskuikenbedrijven (PPE) 2011.
Motivering van tuchtrechtelijke maatregel(en) :
Bij de vorming van zijn oordeel neemt het Tuchtgerecht nota van de verklaring van de betrokkene blijkende uit het berechtingsrapport onder nummer CBD HYG 1371.
Op grond van het bovenstaande overweegt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, het volgende:
Voor de pluimveesector is een “Plan van Aanpak” opgesteld om besmettingen van pluimvee met Salmonella en Campylobacter terug te dringen, om de consument een betere bescherming te bieden tegen gezondheidsproblemen die mogelijk door deze besmettingen kunnen worden veroorzaakt. Er is nu een samenstel van maatregelen van kracht op grond van het bij of krachtens bepaalde in de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011. Om het met het Plan van Aanpak beoogde doel te bereiken, is het van het grootste belang dat een ieder zich houdt aan het totale pakket van de geldende maatregelen.
Betrokkene heeft aangevoerd dat hij niet bekend was met de regel dat hij moest melden aan het Productschap. Het Tuchtgerecht oordeelt dat betrokkene als ondernemer de regelgeving dient te kennen en verantwoordelijk is voor de juiste uitvoering daarvan op zijn bedrijf. Daarmee houdt dit verweer van betrokkene geen stand.
Betrokkene heeft voorts aangevoerd dat hij in overleg met De Heus nieuwe monsters heeft genomen. Hoewel het niet mogelijk is om een her-bemonstering uit te voeren, heeft betrokkene naar het oordeel van het Tuchtgerecht hiermee wel zorgvuldig gehandeld. Dat neemt niet weg dat hij – na de eerste positieve uitslag – had moeten melden, niet alleen aan zijn afnemer maar ook aan het Productschap. Hiervoor wordt een boete opgelegd.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het Tuchtgerecht rekening gehouden met het feit dat betrokkene een zeer groot bedrijf heeft en met het feit dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Daarnaast heeft betrokkene voldaan aan zijn plicht om de afnemer direct te informeren. Dit alles in aanmerking nemende, legt het Tuchtgerecht een deel van de boete voorwaardelijk op.
Gelet op het bovenstaande legt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, betrokkene – ingevolge artikel 23, tweede lid, van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011 – de volgende tuchtrechtelijke maatregel op:
Beslissing :
Een geldboete van € 600 (zegge: zeshonderd euro), waarvan € 300 (zegge: driehonderd euro) voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar .
Voorwaarde is dat binnen de proeftijd door betrokkene geen enkele bepaling van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011 of van enige andere verordening over hygiënevoorschriften met betrekking tot de pluimveehouderij mag worden overtreden.
Wordt aan de voorwaarde niet voldaan dan kan het Productschap aan het Tuchtgerecht verzoeken om de voorwaardelijke boete alsnog ten uitvoer te leggen.
De proeftijd gaat onmiddellijk in nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt.
Toepasselijke artikelen :
Naast de al vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Pluimvee en Eieren.
Samenstelling van het Tuchtgerecht :
De uitspraak is gedaan door de heer mr. L.F.A. Husson, voorzitter, en de heren J. Bazuin en
P. Vingerling, leden, in aanwezigheid van mevrouw drs. A.M.P. Regout, secretaris.