ECLI:NL:TPETPVE:2014:16 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren Zoetermeer TPPE2814
| ECLI: | ECLI:NL:TPETPVE:2014:16 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-03-2014 |
| Datum publicatie: | 18-03-2014 |
| Zaaknummer(s): | TPPE2814 |
| Onderwerp: | Hygiënevoorschriften |
| Beslissingen: | Geldboete |
| Inhoudsindicatie: | Nagelaten is om het pluimveebedrijf ten minste één maal in 2012 op eigen kosten te laten controleren door een een erkende controle-instantie (de zgn. Actieplancontrole). De jaarlijkse controle maakt onder meer duidelijk of een ondernemer de verplichte monsternemingen en analyses met betrekking tot Salmonella en Campylobacter uitvoert dan wel laat uitvoeren. Er wordt een voorwaardelijke geldboete opgelegd. |
Zaaknummer:
TPPE 28/2014
Betrokkene:
De Maatschap: [naam Maatschap],
handelend onder de naam [bedrijfsnaam]
[adres]
Datum:
18 maart 2014
Gang van zaken:
De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD HYG 1377, naar aanleiding van een administratieve inspectie door een controleur van CoMore op 16 juli 2013. Deze inspectie had betrekking op de onderneming die wordt uitgeoefend op het bedrijf aan [adres], dat op naam van [bedrijfsnaam] is geregistreerd onder [Kipnummer PLV].
Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.
Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 18 maart 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.
Ter zitting is verschenen de heer [betrokkene], geboren [1983] te [geboorteplaats], wonende aan [adres betrokkene] (hierna: betrokkene).
Voorts zijn ter zitting verschenen de heer mr. R.B.R. Henke namens het PPE, en de heer H.G.M. Grolleman namens CoMore.
Het Tuchtgerecht heeft op 18 maart 2014 uitspraak gedaan.
Verweten gedraging:
Nagelaten is om het pluimveebedrijf ten minste één maal in 2012 op eigen kosten te laten controleren door een een erkende controle-instantie op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011 (hierna: de Verordening).
Verklaring van betrokkene:
In het berechtingsrapport is onder meer de volgende verklaring van betrokkene opgenomen, zakelijk weergegeven:
“Ik zie mijn twee bedrijfslocaties als één bedrijf. Het bedrijf aan de [adres betrokkene] wordt volgens mij meegenomen in de controle van het bedrijf aan [adres].”
Ter zitting heeft betrokkene onder meer nog verklaard, zakelijk weergegeven:
“De Actieplancontrole is wel gedaan, die heb ik zelf gedaan. Daarna is de communicatie niet helemaal goed gegaan. We hebben alles meegenomen en vervolgens is er alleen over [adres] gerapporteerd. Het zijn eigenlijk 2 percelen die in elkaar overlopen. Het zijn 2 UBN-nummers. Het is nu niet meer goed na te gaan dat er op beide locaties is gecontroleerd. Ik vind het een beetje nalatig van de controleur. Hij had dat moeten aangeven. Voortaan doe ik gewoon twee controles. Dat neem ik op met de controleur in april 2014.”
Bewijs en verwijtbaarheid:
Ten aanzien van het verwijt dat betrokkene geen Actieplancontrole heeft laten uitvoeren, oordeelt het Tuchtgerecht dat op grond van de inhoud van het berechtingsrapport met bijlagen en de daarin opgenomen verklaring van betrokkene, ter zitting vast is komen te staan dat op het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is bij het Productschap Pluimvee en Eieren onder [Kipnummer PLV], de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:
Het nalaten in 2012 van een jaarlijkse controle op de naleving van de hygiënevoorschriften door een erkende controle-instantie.
Dit levert op:
Overtreding van artikel 21, lid 1, van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011.
Motivering van de tuchtrechtelijke maatregel:
Bij de vorming van zijn oordeel ten aanzien van het nalaten van de Actieplancontrole neemt het Tuchtgerecht nota van de verklaring van de betrokkene blijkende uit het berechtingsrapport onder nummer CBD HYG 1377 en zijn verklaring ter zitting.
Op grond van het bovenstaande overweegt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, het volgende:
Voor de pluimveesector is een “Plan van Aanpak” opgesteld om besmettingen van pluimvee met Salmonella en Campylobacter terug te dringen, om de consument een betere bescherming te bieden tegen gezondheidsproblemen die mogelijk door deze besmettingen kunnen worden veroorzaakt. Er is nu een samenstel van maatregelen van kracht op grond van het bij of krachtens bepaalde in de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij (PPE) 2007. Om het met het plan van aanpak beoogde doel te bereiken, is het van het grootste belang dat een ieder zich houdt aan het totale pakket van de geldende maatregelen.
De jaarlijkse controle maakt onder meer duidelijk of een ondernemer de verplichte monsternemingen en analyses met betrekking tot Salmonella en Campylobacter uitvoert dan wel laat uitvoeren.
Betrokkene heeft in 2013 betreffende de Verordening hygiënevoorschriften ook reeds te maken gehad met een tuchtprocedure (zaaknummer TPPE 18/2013). Het betrof toen het niet-uitvoeren van Salmonellaonderzoek door een HOSOWO-instantie na de constatering van een Salmonellabesmetting. Bij die uitspraak is aan betrokkene een – deels voorwaardelijke – boete opgelegd. Het voorwaardelijke deel van voornoemde boete zal thans niet ten uitvoer worden gelegd; de voorliggende verweten gedraging betreft het jaar 2012 betreft en dateert dus van vóór de eerdere uitspraak.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete is rekening gehouden met het feit dat betrokkene een bedrijf van zeer kleine omvang heeft en met het feit dat het Tuchtgerecht ter zitting de indruk heeft gekregen dat betrokkene een consciëntieuze bedrijfsvoering heeft.
Gelet op het bovenstaande legt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, betrokkene - ingevolge artikel 23 van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011- de volgende tuchtrechtelijke maatregel op:
Beslissing:
Een geldboete van € 200,- (zegge: tweehonderd euro), waarvan € 100,- voorwaardelijk.
Indien binnen deze periode door betrokkene niet aan de hierna genoemde voorwaarde wordt voldaan, wordt – nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt – het voorwaardelijke deel van de boete alsnog ten uitvoer gelegd. De voorwaarde is, dat geen enkele bepaling van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011 of van enige andere verordening over hygiënevoorschriften met betrekking tot de pluimveehouderij zal worden overtreden.
Toepasselijke artikelen:
Naast de al vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Pluimvee en Eieren.
Samenstelling van het Tuchtgerecht:
De uitspraak is gedaan door de heer mr. L.F.A. Husson, voorzitter, en mevrouw mr. W.N. Everts en de heer drs. T.S. de Vries, leden, in aanwezigheid van mevrouw drs. A.M.P. Regout, secretaris.