ECLI:NL:TPETPVE:2014:11 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren Zoetermeer TPPE2014
| ECLI: | ECLI:NL:TPETPVE:2014:11 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-03-2014 |
| Datum publicatie: | 18-03-2014 |
| Zaaknummer(s): | TPPE2014 |
| Onderwerp: | Hygiënevoorschriften |
| Beslissingen: | Geldboete |
| Inhoudsindicatie: | Het eerste onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella dient plaats te vinden op de leeftijd (van de leghennen) van minimaal 22 weken en maximaal 26 weken en vervolgens ten minste éénmaal per 15 weken. Dit is op het pluimveebedrijf van betrokkene driemaal te laat uitgevoerd. Betrokkene merkt op dat hij op zijn bedrijf nooit een besmetting heeft meegemaakt en dat het te laat nemen van de monsters niet met opzet is gebeurd. Het Tuchtgerecht oordeelt dat het tijdig uitvoeren van de onderzoeken onderdeel is van de normale bedrijfsvoering, zeker gezien het feit dat betrokkene een zeer groot bedrijf heeft waarvoor hij al 15 jaar verantwoordelijk is. Een mogelijke salmonellabesmetting moet zo spoedig mogelijk geconstateerd kunnen worden, anders is er te veel risico voor de volksgezondheid. |
Zaaknummer:
TPPE 20/2014
Betrokkene:
[bedrijfsnaam]
[adres]
Datum:
18 maart 2014
Gang van zaken:
De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD HYG 1374, naar aanleiding van een administratieve inspectie door een controleur van het CBD op 10 juli 2013. Deze inspectie had betrekking op de onderneming die wordt uitgeoefend op het bedrijf aan [adres], dat op naam van [bedrijfsnaam] is geregistreerd onder [Kipnummer PLV].
Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.
Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 18 maart 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.
Ter zitting is verschenen de heer [betrokkene], geboren [1960] te [geboorteplaats], wonende aan [adres] (hierna: betrokkene).
Voorts zijn ter zitting verschenen de heer mr. R.B.R. Henke namens het PPE, en de heer
H.G.M. Grolleman namens CoMore.
Het Tuchtgerecht heeft op 18 maart 2014 uitspraak gedaan.
Verweten gedraging:
Het eerste onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella van alle op het bedrijf aanwezige stalkoppels dient plaats te vinden op de leeftijd (van de leghennen) van minimaal 22 weken en maximaal 26 weken en vervolgens ten minste éénmaal per 15 weken. Dit is op het pluimveebedrijf van betrokkene driemaal te laat uitgevoerd.
Verklaring van betrokkene:
In het berechtingsrapport is onder meer de volgende verklaring van betrokkene opgenomen, zakelijk weergegeven:
“Stal 1 en stal 2 hebben in een verbouwing gezeten, waardoor ik vanwege de drukte de salmonellaonderzoeken niet helemaal tijdig heb uitgevoerd. Daarnaast had ik blijkbaar één keer een lege envelop ingezonden (zonder overschoentjes). Ik heb de monsters toen opnieuw genomen en ben ermee naar ROBA gereden. Ik heb onderweg nog een bekeuring opgelopen vanwege te hard rijden. (…) Het is geen opzet geweest en ik heb de monsternames nu weer op schema.”
Ter zitting heeft betrokkene onder meer nog verklaard, zakelijk weergegeven:
“Ik hou altijd alles goed in de gaten, maar ik wist niet zo goed dat die 15 weken ook precies 15 weken moesten zijn. Eerst dacht ik ook dat de eerste keer 28 weken was, maar dat is dus 26. Het staat nu goed in de agenda in de computer. Ik weet ook dat ik, als er een besmetting is, ik meteen de eierhandel moet bellen. Over de onderzoeken wil ik nog opmerken dat er de laatste keer niets aankwam bij ROBA. Wij hadden het wel ingestuurd, maar er kwam een lege envelop bij hun aan, die was aan de onderkant losgescheurd. Ik belde over de uitslag en zo kwam ik daarachter.”
Bewijs en verwijtbaarheid:
Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van de inhoud van het berechtingsrapport en de daarin opgenomen verklaring van betrokkene, ter zitting vast is komen te staan dat op het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is bij het Productschap Pluimvee en Eieren onder [Kipnummer PLV], de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:
Het niet binnen de voorgeschreven termijnen zorgdragen voor het onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella van alle op het bedrijf aanwezige stalkoppels, driemaal gepleegd.
Dit levert op:
3x overtreding van artikel 10, eerste lid, van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011 jo. artikel 4, eerste lid, van het Hygiënebesluit leghennenbedrijven (PPE) 2011.
Motivering van de tuchtrechtelijke maatregel:
Bij de vorming van zijn oordeel neemt het Tuchtgerecht nota van de verklaringen van de betrokkene, blijkende uit het berechtingsrapport onder nummer CBD HYG 1374 en ter zitting.
Op grond van het bovenstaande overweegt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, het volgende:
Voor de pluimveesector is een “Plan van Aanpak” opgesteld om besmettingen van pluimvee met Salmonella en Campylobacter terug te dringen, om de consument een betere bescherming te bieden tegen gezondheidsproblemen die mogelijk door deze besmettingen kunnen worden veroorzaakt. Er is nu een samenstel van maatregelen van kracht op grond van het bij of krachtens bepaalde in de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011. Om het met het Plan van Aanpak beoogde doel te bereiken, is het van het grootste belang dat een ieder zich houdt aan het totale pakket van de geldende maatregelen.
Onderdeel hiervan is de monitoring van de salmonellastatus van het koppel gedurende de legperiode. Het is immers van het grootste belang om, als een salmonellabesmetting zich voordoet, deze zo spoedig mogelijk te constateren. Daarom is een schema afgesproken, vastgelegd in de regelgeving. Hoe meer van dat schema wordt afgeweken, hoe minder zicht er is op de salmonellastatus van de dieren. Tegen die achtergrond bezien heeft het Tuchtgerecht geoordeeld dat hoe langer de periode van overschrijding is, des te ernstiger ook de overtreding is. Dit vertaalt zich in de hoogte van de op te leggen geldboete.
Ondernemers in de sector zijn soms van mening dat een kleine overschrijding van de termijn niet zo belangrijk is. Het Tuchtgerecht benadrukt dat het uitgangspunt van de regeling is, dat de eerste monstername plaatsvindt op een leeftijd van 24 weken. Er is vervolgens in de regeling zelf voor de ondernemer een marge ingebouwd van 2 weken tijd voor en 2 weken tijd na dit ijkpunt van 24 weken om uitvoering te geven aan de monstername. Kortom: de ondernemer heeft hiervoor 4 weken de tijd. Vindt de monstername daarvoor of daarna plaats, dan is de ondernemer in gebreke.
Betrokkene merkt op dat hij op zijn bedrijf gelukkig nooit een besmetting heeft meegemaakt en dat het te laat nemen van de monsters niet met opzet is gebeurd. Het Tuchtgerecht oordeelt dat het tijdig uitvoeren van de onderzoeken onderdeel is van de normale bedrijfsvoering, zeker gezien het feit dat betrokkene een zeer groot bedrijf heeft waarvoor hij al 15 jaar verantwoordelijk is. Een mogelijke salmonellabesmetting moet zo spoedig mogelijk geconstateerd kunnen worden, anders is er te veel risico voor de volksgezondheid.
Het Tuchtgerecht constateert dat het aan [adres] driemaal is voorgekomen dat betrokkene in overtreding was. Het betreft tweemaal 2 weken te laat en eenmaal 5 dagen te laat. Voor de overtredingen wordt een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete is rekening gehouden met het feit dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd en met het feit dat betrokkene een bedrijf van zeer grote omvang heeft. Het Tuchtgerecht legt de geldboete deels voorwaardelijk op.
Gelet op het bovenstaande legt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, betrokkene – ingevolge artikel 23, tweede lid, van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE)
2011 – de volgende tuchtrechtelijke maatregel op:
Beslissing:
Een geldboete van € 900 (zegge: negenhonderd euro), waarvan € 300 (zegge: driehonderd euro) voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
Indien binnen deze periode door betrokkene niet aan de nader te noemen voorwaarde wordt voldaan, wordt – nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt – het voorwaardelijke deel van de boete alsnog ten uitvoer gelegd. De voorwaarde is, dat geen enkele bepaling van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011 of van enige andere verordening over hygiënevoorschriften met betrekking tot de pluimveehouderij zal worden overtreden.
Toepasselijke artikelen:
Naast de al vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Pluimvee en Eieren.
Samenstelling van het Tuchtgerecht:
De uitspraak is gedaan door de heer mr. L.F.A. Husson, voorzitter, en mevrouw mr. W.N. Everts en de heer drs. T.S. de Vries, leden, in aanwezigheid van mevrouw drs. A.M.P. Regout, secretaris.