ECLI:NL:TPETPVE:2014:10 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren Zoetermeer TPPE1814

ECLI: ECLI:NL:TPETPVE:2014:10
Datum uitspraak: 18-03-2014
Datum publicatie: 18-03-2014
Zaaknummer(s): TPPE1814
Onderwerp: Dierenwelzijn
Beslissingen: Geldboete
Inhoudsindicatie: Op een leeftijd van 22 weken werden in stal 2 van het bedrijf van betrokkene 14.660 vleeskuikenouderdieren gehouden met een per dier beschikbaar vloeroppervlakte van 1.188 cm2. Per dier dient een vloeroppervlakte van ten minste 1.300 cm2 beschikbaar te zijn. Naast het sanctioneren van de overtreding van de welzijnsnorm beoogt het Tuchtgerecht het economisch voordeel door middel van het opleggen van een geldboete weg te nemen. Gelet op een eerdere veroordeling door het Tuchtgerecht en een door het College van Beroep opgelegde geldboete wordt de geldboete in deze zaak onvoorwaardelijk opgelegd.

Zaaknummer:

TPPE 18/2014

Betrokkene:

[bedrijfsnaam]

[adres]

Datum:

18 maart 2014

Gang van zaken:

De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD WEL1362, naar aanleiding van een inspectie door een controleur van CoMore op 16 april 2013 op de onderneming die wordt uitgeoefend op het bedrijf aan [adres], dat op naam van [bedrijfsnaam] is geregistreerd onder [UBN].

Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 18 maart 2014 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.

Ter zitting is verschenen de heer [betrokkene], geboren op [1982] te [geboorteplaats], wonende aan [adres] (hierna: betrokkene).

Voorts zijn ter zitting verschenen de heer mr. R.B.R. Henke namens het PPE, en de heer H.G.M. Grolleman namens CoMore.

Het Tuchtgerecht heeft op 18 maart 2014 uitspraak gedaan.

Verweten gedraging:

Op een leeftijd van 22 weken werden in stal 2 van het bedrijf van betrokkene 14.660 vleeskuikenouderdieren gehouden met een per dier beschikbaar vloeroppervlakte van 1.188 cm2.

Artikel 4, onder a. van de Verordening welzijnsnormen vleeskuikenouderdieren 2003 schrijft voor dat per vleeskuikenouderdier een vloeroppervlakte van ten minste 1.300 cm2 beschikbaar is.

Verklaring van betrokkene:

In het berechtingsrapport is onder meer de volgende verklaring van betrokkene opgenomen, zakelijk weergegeven:

“Er zijn door de opfokorganisatie 2% meer dieren geleverd dan dat er zijn besteld. Ik zal in de toekomst minder dieren bestellen om dit soort overtredingen te voorkomen.”

Tijdens de zitting heeft betrokkene nog onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

“Ik ben inderdaad eerder bij het Tuchtgerecht geweest. Dat was mijn eerste koppel. Voordat ik de regelgeving goed doorhad, was ik een paar ronden verder. De opfokker stelt dat hij een marge van 3% aanhoudt. Nu had hij weinig uitval; dat is aan ons geleverd. Soms levert de opfokker ook te weinig.

Wij gaan wel minder dieren bestellen, en we gaan voortaan opnemen dat, als ze teveel leveren, we dan minder gaan betalen voor de teveel geleverde dieren. Hoe anderen dat oplossen weet ik niet. Ik bestel nu al 500 dieren minder dan voorheen, ik begrijp inmiddels ook dat het anders niet werkt. In de andere stallen zaten we precies aan de norm.”

Bewijs:

Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van de inhoud van het berechtingsrapport en de daarin opgenomen verklaring van betrokkene, ter zitting vast is komen te staan dat op het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is bij het Productschap Pluimvee en Eieren onder [UBN], de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:

Het niet beschikbaar hebben van het minimum vloeroppervlak per dier in stal 2.

Dit levert op:

Overtreding van artikel 4 aanhef en onder a. van de Verordening welzijnsnormen vleeskuikenouderdieren 2003.

Verwijtbaarheid:

Ten aanzien van de verklaring van betrokkene overweegt het Tuchtgerecht als volgt:

Betrokkene heeft aangevoerd dat er door de opfokorganisatie 2% meer dieren zijn geleverd dan er besteld waren. Het Tuchtgerecht oordeelt dat de ondernemer verantwoordelijk is voor de juiste naleving van de regelgeving op zijn bedrijf. Door teveel dieren te bestellen neemt betrokkene het risico dat bij een geringe uitval de welzijnsnormen zullen worden overschreden. Dat risico komt voor zijn rekening.

Het Tuchtgerecht gaat bij het bepalen van het economisch voordeel uit van het totaal aantal dieren dat werd gehouden op het gehele bedrijf afgezet tegen het maximale aantal dieren dat op het bedrijf gehouden mag worden. Mocht het immers zo zijn dat in de ene stal te weinig vloeroppervlakte is, maar in de andere stal teveel, dan is geen sprake van economisch voordeel, maar van een foute verdeling. In deze zaak oordeelt het Tuchtgerecht dat, gezien de aantallen dieren in stal 1, op het totale bedrijf teveel dieren waren.

Vast is komen te staan dat betrokkene een maximum van 25.900 dieren mag houden. Stal 1, aldus verklaarde betrokkene ter zitting, en bevestigd door de vertegenwoordiger van CoMore, zat precies vol. Het geconstateerde aantal door de controleur van 14.660 dieren in stal 2 betekent, waar in stal 2 een aantal van 13.400 is toegestaan, dat er 1.260 dieren teveel werden gehouden op het bedrijf.

Motivering van de tuchtrechtelijke maatregel:

Bij de vorming van zijn oordeel neemt het Tuchtgerecht nota van de verklaring van de betrokkene blijkende uit het berechtingsrapport onder nummer CBD WEL1362 en van de verklaring van betrokkene ter zitting.

Op grond van het bovenstaande overweegt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, het volgende:

De verordening stelt minimumeisen aan de huisvesting van vleeskuikenouderdieren, zodat het welzijn van de dieren wordt gewaarborgd. Daarmee komt de sector tegemoet aan maatschappelijke en politieke opvattingen over de minimale standaard voor pluimvee in de reproductiesector. De minimumeisen met betrekking tot de huisvesting zijn opgesteld conform de normen die door de Dierenbescherming en de Nederlandse Organisatie van Pluimveehouders (NOP) in hun gezamenlijke brief van 28 september 2000 aan de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zijn geadviseerd. De verordening, in werking getreden in 2003, kent voor wat betreft de eisen aan vloeroppervlak een overgangstermijn tot 1 juni 2008.

Op 2 oktober 2008 zijn houders van vleeskuikenouderdieren door het PPE per brief op de inhoud van de Verordening welzijnsnormen vleeskuikenouderdieren 2003 gewezen.

Artikel 4 aanhef en onder a. van de verordening schrijft voor dat per dier 1.300 cm2 beschikbaar moet zijn. Uit het berechtingsrapport en de nadere informatie blijkt dat in stal 2 gemiddeld per vleeskuikenouderdier 1.188 cm2 beschikbaar was. De minimum-oppervlaktegrens is aldus overschreden met 112 cm2 per dier. Dit betekent concreet dat de pluimveehouder teveel dieren hield op de beschikbare ruimte in de stal wat een overschrijding van 9,4% van de norm is.

Blijkens een reeks recente uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft het College geoordeeld – zo ook in de beroepszaak van betrokkene – dat het hier naar het oordeel van het College niet een zeer ernstige overtreding, maar een ernstige overtreding betrof.

Het Tuchtgerecht hecht eraan, de systematiek van beboeting nader te verduidelijken. In zaken waarbij sprake is van minder dan 10% overschrijding van de norm, kwalificeert het Tuchtgerecht dit als een ernstige overtreding en legt een boete op van 500 euro. In zaken waarbij sprake is van meer dan 10% overschrijding van de norm, kwalificeert het Tuchtgerecht dit als een zeer ernstige overtreding en legt een boete op van 750 euro. In alle gevallen houdt het daarbij vervolgens rekening met variabelen als bedrijfsgrootte, wel of geen recidive en bijzondere omstandigheden. In de vorige zaak tegen betrokkene was sprake van 13% overschrijding, een zeer ernstige overtreding. Daarop was een boete van 750 euro van toepassing. In het voorliggend geval is sprake van 9,4% overschrijding; een ernstige overtreding waarop een boete van 500 euro van toepassing is.

Naast het sanctioneren van de overtreding van de welzijnsnorm beoogt het Tuchtgerecht het economisch voordeel door middel van het opleggen van een geldboete weg te nemen.

-    Ten aanzien van het economisch voordeel stelt het Tuchtgerecht dat betrokkene mogelijk economisch voordeel heeft gehad, aangezien meer dieren werden gehouden dan de norm toeliet. Het Tuchtgerecht beoogt het economisch voordeel door middel van het opleggen van een geldboete weg te nemen. Het Tuchtgerecht gaat bij het bepalen van het economisch voordeel uit van het totaal aantal dieren dat werd gehouden op het gehele bedrijf afgezet tegen het maximale aantal dieren dat op het bedrijf gehouden mag worden.

Het Tuchtgerecht gaat er in deze zaak bij de vaststelling van de geldboete van uit dat op het totale bedrijf (afgerond) in totaal 1.260 dieren boven de norm werden gehouden, waarbij als norm wordt gehanteerd € 2,- per dier.

-    Ten aanzien van de overtreding van de welzijnsnorm telt het feit dat het welzijn van alle dieren in stal 2 in het geding is gekomen. Dat is een ernstig feit en het Tuchtgerecht legt hiervoor een geldboete op.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete is rekening gehouden met het feit dat  betrokkene een bedrijf heeft van kleinere omvang. Gelet op de eerdere veroordeling, in zaak TPPE 11/2012 wordt de maatregel geheel onvoorwaardelijk opgelegd.

In dezelfde eerdere tuchtzaak is door het College van Beroep voor het bedrijfsleven in beroep uitspraak gedaan op 12 december 2013. Daarbij is een geldboete opgelegd, deels voorwaardelijk. De proeftijd van twee jaar, voor het voorwaardelijke deel van die uitspraak, gaat in de dag na 12 december 2013; de verweten gedraging in de onderhavige zaak dateert van voor die tijd. Derhalve wordt geen tenuitvoerlegging opgelegd van het voorwaardelijke deel van die boete.

Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, dat betrokkene – gelet op artikel 8, eerste en tweede lid, van de Verordening welzijnsnormen vleeskuikenouderdieren 2003 – de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:

Beslissing:

Een geldboete van € 2.900 (zegge: tweeduizend negenhonderd euro) onvoorwaardelijk.

Toepasselijke artikelen:

Naast de reeds vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Pluimvee en Eieren.

Samenstelling van het Tuchtgerecht:

De uitspraak is gedaan door de heer mr. L.F.A. Husson, voorzitter, en mevrouw mr. W.N. Everts en de heer drs. T.S. de Vries, leden, in aanwezigheid van mevrouw drs. A.M.P. Regout, secretaris.