ECLI:NL:TPETPVE:2013:50 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren Zoetermeer TPPE5113
| ECLI: | ECLI:NL:TPETPVE:2013:50 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-12-2013 |
| Datum publicatie: | 21-01-2014 |
| Zaaknummer(s): | TPPE5113 |
| Onderwerp: | Dierenwelzijn |
| Beslissingen: | Geldboete |
| Inhoudsindicatie: | Het – voor wat betreft het jaar 2012 – nalaten (voldoende) bloedmonsters te laten nemen van de leghennen en deze vervolgens te laten onderzoeken op de aanwezigheid van het Aviaire influenzavirus (AI). Er wordt een geldboete opgelegd. Het Tuchtgerecht houdt rekening met de omstandigheid dat betrokkene door een brief die het verkeerde UBN betrof in verwarring is gebracht, temeer nu het Productschap ter zitting heeft betoogd dat een fout in de registratie het begin van het probleem is geweest. Ook heeft betrokkene direct na de brief van het Productschap van 11 februari 2011 actie ondernomen. |
Zaaknummer:
TPPE 51/2013
Betrokkene:
Mts. [bedrijfsnaam]
[adres]
Datum:
4 december 2013
Gang van zaken:
De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD AI 1370, naar aanleiding van een telefonische inspectie door een controleur van CoMore op 3 juli 2013 betreffende de onderneming die wordt uitgeoefend op het bedrijf aan de [adres] en die onder de handelsnaam Mts. [bedrijfsnaam] is geregistreerd onder [UBN] en met [Kipnummers PLV] .
Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.
Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 4 december 2013 behandeld op zijn openbare zitting, gehouden te Amersfoort.
Ter zitting is verschenen de heer [naam betrokkene], geboren [1975] te [geboorteplaats] en wonende aan de [adres] (hierna: betrokkene).
Voorts zijn ter zitting verschenen de heer mr. R.B.R. Henke namens het PPE, en de heer H.G.M. Grolleman namens CoMore.
Behandeling van de zaak:
Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van het Productschap aangegeven dat de uitslagen voor wat betreft de opfokleghennen gekoppeld waren aan het verkeerde UBN. Daarom verzoekt het Productschap, ten voordele van de betrokkene, om elke verwijzing naar opfokleghennen te schrappen uit de schriftelijke verklaring en deze aldus te wijzigen dat aan betrokkene slechts een verwijt wordt gemaakt ten aanzien van de leghennen. De voorzitter van het Tuchtgerecht staat de wijziging toe, aangezien die niet ten nadele van de ondernemer is.
Het Tuchtgerecht heeft op 4 december 2013 uitspraak gedaan.
Verweten gedraging:
Het – voor wat betreft het jaar 2012 – nalaten (voldoende) bloedmonsters te laten nemen van de door betrokkenen gehouden leghennen en deze vervolgens te laten onderzoeken op de aanwezigheid van het Aviaire influenzavirus.
Verklaring van betrokkene:
Volgens het berechtingsrapport heeft betrokkene onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:
“In 2011 hebben wij privé een moeilijk jaar gehad. Mijn beide ouders zijn overleden, mijn vader het laatst in november 2011. Wij zijn op een andere locatie met een bedrijf gestopt en hebben in 2012 op onze eigen locatie een stal bijgebouwd. Bij de afvoer van een koppel wordt er bloed getapt voor AI-onderzoek. Het laatste koppel heeft het jaar over gezeten en daardoor niet onderzocht op AI. Na de brief van 6 februari 2013 hebben wij direct bloedmonsters laten nemen voor het onderzoek op AI.”
Ter zitting heeft betrokkene onder meer nog verklaard, zakelijk weergegeven:
“Ik erken dat dat in stal 2 fout is gegaan. Normaal wordt er elk jaar bloed getapt, Alleen had ik nu op 15 december 2011 bloed laten tappen. De stal was op 21 december weer vol gekomen met een nieuwe koppel. Die hebben er het hele jaar gezeten en zijn pas op 15 februari 2013 weer getapt. Toen ik hier een brief over kreeg, dacht ik dat die niet klopte en heb die brief aan de kant gelegd. Toen later de heer Grolleman belde, bleek dat het wel had gemoeten. De correspondentie was dus niet heel erg duidelijk, maar het was dus gewoon wel fout.”
Betrokkene overlegt een foto van zijn drie stallen, die bij de stukken van de zaak wordt gevoegd.
Bewijs en verwijtbaarheid:
Uit het berechtingsrapport blijkt dat in 2012 is nagelaten onderzoek op de aanwezigheid van antistoffen tegen Aviaire influenza uit te laten voeren. Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van de inhoud van het berechtingsrapport en de daarin opgenomen verklaring van betrokkene, ter zitting vast is komen te staan dat in stal 2 op het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is onder [UBN] en met [Kipnummer PLV] de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:
Het nalaten van bloedonderzoek op antistoffen tegen Aviaire influenza in 2012.
Dit levert op:
Een overtreding van artikel 2, lid 1, juncto artikel 3, lid 1 onder h, van de Verordening monitoring Aviaire influenza (PPE) 2005 (hierna: de Verordening).
Motivering van tuchtrechtelijke maatregel(en):
Het Tuchtgerecht overweegt als volgt.
Bij de vorming van zijn oordeel neemt het Tuchtgerecht nota van de verklaring van de betrokkene blijkende uit het berechtingsrapport onder nummer CBD AI 1370 en van de verklaring van betrokkene ter zitting.
Uit de toelichting van de Verordening monitoring Aviaire influenza (PPE) 2005 blijkt het volgende. Aviaire influenza, ook wel klassieke vogelpest, of kippengriep, is een besmettelijke dierziekte die bij de laatste uitbraak in Nederland in 2003 grote schade aan de pluimvee- en eiersector heeft toegebracht.
Preventieve maatregelen om een dergelijke uitbraak te voorkomen zijn van evident belang. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft daartoe, bij artikel 3a, eerste en tweede lid, van de regeling monitoring Aviaire Influenza 2003, medewerking gevorderd van het PPE. Het PPE heeft een monitoringsprogramma opgesteld en de monitoringsplicht verankerd in de Verordening monitoring Aviaire influenza (PPE) 2005. Pluimveehouders in Nederland moeten op regelmatige basis bloedonderzoek laten uitvoeren op de eventuele aanwezigheid van antistoffen tegen Aviaire influenza. Nalaten van dit onderzoek ondermijnt het noodzakelijke inzicht in de gezondheidssituatie van de Nederlandse pluimveestapel en creëert daarmee een potentieel risico voor de Nederlandse pluimveesector. Monitoring Aviaire influenza is daarmee van essentieel belang voor het gezond houden van de Nederlandse pluimveestapel. De voorschriften met betrekking tot bloedonderzoek Aviaire influenza zijn sinds september 2009 onderwerp van tuchtrechtelijke handhaving. Het nalaten van monitoring is een zeer ernstige overtreding.
Ten aanzien van de verklaring van betrokkene overweegt het Tuchtgerecht als volgt.
Betrokkene bestrijdt het nalaten van het bloedonderzoek op de aanwezigheid van antistoffen tegen AI niet.
Betrokkene heeft betoogd dat de brief van het Productschap aan het verkeerde UBN was gericht. Het Tuchtgerecht oordeelt dat ook zonder herinnering van het Productschap betrokkene verantwoordelijk is voor de juiste naleving van de regels op zijn bedrijf. Het verweer wordt verworpen.
Er wordt een geldboete opgelegd.
Het Tuchtgerecht houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de omstandigheid, dat betrokkene door de brief die het verkeerde UBN betrof, in verwarring is gebracht. Temeer nu het Productschap ter zitting heeft betoogd dat een fout in de registratie het begin van het probleem is geweest, alsmede dat de brief aan betrokkene concreter had kunnen zijn. Ook acht het Tuchtgerecht het van belang dat voor stal 1 gedurende het jaar 2012 aantoonbaar drie maal een bloeduitslag van 2012 is geweest. Stal 3 bestond ten tijde van de overtreding nog niet. Ook heeft betrokkene direct na de brief van het Productschap van 11 februari 2011 actie ondernomen en bloedmonsters laten nemen in stal 2.
Bij het bepalen van de strafmaat houdt het Tuchtgerecht tot slot rekening met de grootte van het bedrijf (ten tijde van de overtreding met circa 30.000 leghennen een bedrijf van gemiddelde omvang) en met het feit dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Ook heeft het Tuchtgerecht ter zitting de indruk gekregen dat betrokkene in de regel een consciëntieus ondernemer is.
Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemende, legt het Tuchtgerecht de sanctie geheel voorwaardelijk op.
Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, dat betrokkene - gelet op artikel 8a van de Verordening monitoring Aivaire influenza - de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:
Beslissing:
Een geldboete van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
Indien binnen deze periode van twee jaar niet door betrokkene aan de voorwaarde wordt voldaan, wordt – nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt – het voorwaardelijke deel van de boete alsnog ten uitvoer gelegd. De voorwaarde is, dat geen enkele bepaling van de Verordening monitoring Aviaire influenza (PPE) 2005 of een andere bepaling over dierenwelzijn in de pluimveehouderij mag worden overtreden.
Toepasselijke artikelen:
Naast de reeds vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Pluimvee en Eieren.
Samenstelling van het Tuchtgerecht:
De uitspraak is gedaan door de heer mr. L.F.A. Husson, voorzitter en de heren drs. T.S. de Vries en ing. J. Bazuin, leden, in aanwezigheid van mevrouw drs. A.M.P. Regout, secretaris.