ECLI:NL:TPETPVE:2013:31 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren Zoetermeer TPPE1913
| ECLI: | ECLI:NL:TPETPVE:2013:31 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-04-2013 |
| Datum publicatie: | 01-05-2013 |
| Zaaknummer(s): | TPPE1913 |
| Onderwerp: | Hygiënevoorschriften |
| Beslissingen: | Geldboete |
| Inhoudsindicatie: | Nadat een besmetting met Salmonella Infantis was vastgesteld in stal 2 op het bedrijf van betrokkene, is niet aan de eis voldaan een stalonderzoek (in de gereinigde en ontsmette stal) door een erkende HOSOWO-instantie te laten uitvoeren. Betrokkene dacht dat het uitvoeren van een swabonderzoek niet nodig was bij dit type Salmonella. Dit verweer wordt door het Tuchtgerecht verworpen. Het is de verantwoordelijkheid van de ondernemer om zich nauwgezet op de hoogte te stellen van de geldende verplichtingen. |
Zaaknummer :
TPPE 19/2013
Betrokkene :
Maatschap [bedrijfsnaam]
[adres]
Datum :
24 april 2013
Gang van zaken :
De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD HYG 1314, naar aanleiding van een administratieve inspectie door een controleur van CoMore op 7 februari 2013. Deze inspectie had betrekking op de onderneming die wordt uitgeoefend op het bedrijf aan [adres], dat op naam van Maatschap [bedrijfsnaam] is geregistreerd onder [KIP-nummer
PLV].
Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.
Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 9 april 2013 behandeld op zijn openbare terechtzitting, gehouden te Amersfoort.
Ter terechtzitting is verschenen de heer [betrokkene] , geboren [1977] te [geboorteplaats], wonende aan [adres] (hierna: betrokkene).
Voorts zijn ter zitting verschenen de heer mr. R.B.R. Henke en de heer ir. J.N. Schouwenburg, beide namens het PPE, en de heer H.G.M. Grolleman, namens CoMore.
Het Tuchtgerecht heeft op 24 april 2013 uitspraak gedaan.
Verweten gedraging :
Nadat een besmetting met Salmonella Infantis was vastgesteld in stal 2 op het bedrijf van betrokkene, is niet aan de eis voldaan een stalonderzoek (in de gereinigde en ontsmette stal) door een erkende HOSOWO-instantie te laten uitvoeren.
Verklaring van betrokkene :
Blijkende uit het berechtingsrapport onder nummer CBD HYG 1314 heeft betrokkene onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:
“Het is juist dat Salmonella Infantis is geconstateerd in stal 2 (…). Ik heb in geen jaren een salmonellabesmetting op het bedrijf gehad. Ik was van mening dat het alleen bij een Salmonella Enteritidis en Salmonella Typhimurium een verplichting was een stalonderzoek te laten uitvoeren. Ik hoorde tijdens de controle dat dit niet juist was. Het is geen opzet geweest.”
Ter terechtzitting heeft betrokkene onder meer nog verklaard zakelijk weergegeven:
“Ik laat de stallen na de reiniging altijd desinfecteren door een erkend bedrijf. Gelukkig was er later geen besmetting meer .”
Bewijs en verwijtbaarheid :
Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van de inhoud van het berechtingsrapport en de verklaring van betrokkene, ter zitting vast is komen te staan dat op het bedrijf van betrokkene, geregistreerd bij het Productschap Pluimvee en Eieren onder [ KIP-nummer PLV] , de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:
Het niet kunnen aantonen van het laten uitvoeren van Salmonellaonderzoek door een HOSOWO-instantie na reiniging en ontsmetting van de stal, na de constatering van een Salmonellabesmetting.
Dit levert op:
Een overtreding van artikel 14, lid 3 en artikel 17, lid 5, van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011 en artikel 9, lid 1 van het Hygiënebesluit vleeskuikenbedrijven (PPE) 2011.
Motivering van tuchtrechtelijke maatregel(en) :
Bij de vorming van zijn oordeel neemt het Tuchtgerecht nota van de verklaring van de betrokkene blijkende uit het berechtingsrapport onder nummer CBD HYG 1314.
Op grond van het bovenstaande overweegt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, het volgende:
Voor de pluimveesector is een “Plan van Aanpak” opgesteld om besmettingen van pluimvee met Salmonella en Campylobacter terug te dringen, om de consument een betere bescherming te bieden tegen gezondheidsproblemen die mogelijk door deze besmettingen kunnen worden veroorzaakt. Er is nu een samenstel van maatregelen van kracht op grond van het bij of krachtens bepaalde in de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011. Om het met het Plan van Aanpak beoogde doel te bereiken, is het van het grootste belang dat een ieder zich houdt aan het totale pakket van de geldende maatregelen.
Betrokkene dacht dat het uitvoeren van een swabonderzoek niet nodig was bij dit type Salmonella. Dit verweer wordt door het Tuchtgerecht verworpen. Het Tuchtgerecht oordeelt dat de ondernemer te allen tijde verantwoordelijk is voor de juiste naleving van de verordening op zijn bedrijf. Het is de verantwoordelijkheid van de ondernemer om zich nauwgezet op de hoogte te stellen van de geldende verplichtingen. Op de website van het Productschap is deze informatie ook eenvoudig te vinden.
De overtreding wordt aangemerkt als ernstig.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete is tevens rekening gehouden met het feit dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd en met het feit dat betrokkene een bedrijf van gemiddelde omvang bedrijf heeft. Daarnaast heeft het Tuchtgerecht de indruk gekregen dat betrokkene voor het overige een conscientieuze bedrijfsvoering heeft. Daarom legt het Tuchtgerecht de geldboete deels voorwaardelijk op.
Gelet op het bovenstaande legt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, betrokkene – ingevolge artikel 23, tweede lid, van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011 – de volgende tuchtrechtelijke maatregel op:
Beslissing:
Een geldboete van € 750 (zegge: zevenhonderd vijftig euro), waarvan € 375 (zegge: driehonderd vijfenzeventig euro) voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Indien binnen deze periode door betrokkene niet aan de hierna genoemde voorwaarde wordt voldaan, wordt – nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt – het voorwaardelijke deel van de boete alsnog ten uitvoer gelegd. De voorwaarde is, dat geen enkele bepaling van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011 of van enige andere verordening over hygiënevoorschriften met betrekking tot de pluimveehouderij zal worden overtreden.
Toepasselijke artikelen :
Naast de al vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Pluimvee en Eieren.
Samenstelling van het Tuchtgerecht:
De uitspraak is gedaan door mevrouw mr. W.N. Everts, voorzitter en de heren drs. T.S. de Vries en mr. drs. H. Lommers, leden, in aanwezigheid van mevrouw drs. A.M.P. Regout, secretaris.