ECLI:NL:TPETPVE:2013:22 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren Zoetermeer TPPE3513

ECLI: ECLI:NL:TPETPVE:2013:22
Datum uitspraak: 15-10-2013
Datum publicatie: 21-10-2013
Zaaknummer(s): TPPE3513
Onderwerp: Dierenwelzijn
Beslissingen: Geldboete
Inhoudsindicatie: Op het bedrijf van betrokkene werden 15.842 vleeskuikenouderdieren gehouden op een vloeroppervlakte van omgerekend 1.230 cm2 per dier in plaats van ten minste 1.300 cm2. Betrokkene kreeg teveel dieren geleverd door de opfokorganisatie; hij wil dit in de toekomst voorkomen door het risico voor teveel leveren daar laten waar het thuishoort: bij de opfokorganisatie.

Zaaknummer:

TPPE 35/2013

Betrokkene:

Maatschap [bedrijfsnaam]

[adres]

Datum:

15 oktober 2013

Gang van zaken:

De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD WEL 1316, naar aanleiding van een inspectie door een controleur van CoMore op 22 februari 2013 op de onderneming die wordt uitgeoefend op het bedrijf aan de [adres] en die op naam van Maatschap [bedrijfsnaam] is geregistreerd onder [UBN].

Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 10 september 2013 behandeld op zijn openbare terechtzitting, gehouden te Amersfoort.

Ter terechtzitting is verschenen de heer [betrokkene], geboren [1961] te [geboorteplaats], wonende [adres] (hierna: betrokkene).

Ter zitting zijn verder verschenen de heer mr. R.B.R. Henke namens het Productschap Pluimvee en Eieren (PPE), en de heer H.G.M. Grolleman namens CoMore.

Het Tuchtgerecht heeft op 15 oktober 2013 uitspraak gedaan.

Behandeling van de zaak

Voorafgaand aan de behandeling van de zaak ter zitting geeft de vertegenwoordiger van het Productschap, na overleg met de vertegenwoordiger van CoMore, aan dat er een kennelijke verschrijving op pagina 2 van het berechtingsrapport staat. Betrokkene wordt daar verweten in de stallen 1 en 3 niet voldoende ruimte te hebben gehad; in stal 1 hadden de dieren echter 1.323 cm² per vleeskuikenouderdier beschikbaar. Dat is boven de norm van 1.300 cm². Het is stal 2 waarin niet aan de norm was voldaan. De vertegenwoordiger van het productschap geeft aan dat daarmee de zaak echter niet goed is aangebracht en verzoekt het Tuchtgerecht om op basis hiervan de schriftelijke verklaring zodanig te wijzigen, dat alleen de overtreding in stal 3 verweten wordt.

Aangezien de wijziging in het voordeel van betrokkene uitvalt en deze tevens aangeeft geen bezwaar te hebben, wordt de schriftelijke verklaring in deze zin gewijzigd.

Verweten gedraging:

Op een leeftijd van 22 weken werden in stal 3 van het bedrijf van betrokkene 15.842 vleeskuikenouderdieren gehouden op een vloeroppervlakte van omgerekend 1.230 cm2 per vleeskuikenouderdier. Artikel 4, onder a. van de Verordening welzijnsnormen vleeskuikenouderdieren 2003 schrijft voor dat per vleeskuikenouderdier een vloeroppervlakte van ten minste 1.300 cm2 beschikbaar is.

Verklaring van betrokkene:

In het berechtingsrapport is onder meer de volgende verklaring van betrokkene opgenomen, zakelijk weergegeven:

“Er zijn teveel dieren geleverd doordat er weinig uitval is geweest tijdens de opfok terwijl er in het verleden juist telkens te weinig dieren geleverd werden door tegenvallende opfok. (…) Er zouden dus (…) 1.180 gezonde hennen in de eerste week afgemaakt moeten worden (…). Voor de volgende levering heb ik doorgegeven dat er niet meer dan het maximaal te houden dieren geleverd mogen worden.”

Ter terechtzitting heeft betrokkene onder meer nog verklaard, zakelijk weergegeven:

“Ik heb niet veel toe te voegen aan mijn eerdere verklaring. Je staat met je rug tegen de muur en laat de dieren komen. Nu heb ik echt gezegd dat ik er niet meer dan 37.000 wil hebben. Dus dan moet de opfokorganisatie daar beter op aan kunnen sturen. Ik probeer het vanaf nu ook bij de opfokorganisatie neer te leggen dat ik niet meer verplicht ben teveel dieren af te nemen.

Wat betreft de peildatum op 22 weken: op die datum zouden de dieren volwassen moeten zijn, maar dat is niet zo. Dat is pas bij 30 weken.”

Bewijs en verwijtbaarheid:

Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van de inhoud van het berechtingsrapport en de daarin opgenomen verklaring van betrokkene, ter zitting vast is komen te staan dat op het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is bij het Productschap Pluimvee en Eieren onder [UBN], de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:

Het niet beschikbaar hebben van het minimum vloeroppervlak van 1.300 cm2 per dier in stal 3.

Dit levert op:

Overtreding van artikel 4 aanhef en onder a. van de Verordening welzijnsnormen vleeskuikenouderdieren 2003.

Motivering van de tuchtrechtelijke maatregel:

Bij de vorming van zijn oordeel neemt het Tuchtgerecht nota van de verklaring van de betrokkene blijkende uit het berechtingsrapport onder nummer CBD WEL1316 en van de verklaring van betrokkene ter terechtzitting.

Op grond van het bovenstaande overweegt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, het volgende:

De verordening stelt minimumeisen aan de huisvesting van vleeskuikenouderdieren, zodat het welzijn van de dieren wordt gewaarborgd. Daarmee komt de sector tegemoet aan maatschappelijke en politieke opvattingen over de minimale standaard voor pluimvee in de reproductiesector. De minimumeisen met betrekking tot de huisvesting zijn opgesteld conform de normen die door de Dierenbescherming en de Nederlandse Organisatie van Pluimveehouders (NOP) in hun gezamenlijke brief van 28 september 2000 aan de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zijn geadviseerd. Artikel 4 aanhef en onder a. van de verordening schrijft voor dat per dier 1.300 cm2 beschikbaar moet zijn, waarbij de peildatum is gesteld op een leeftijd van 22 weken.

Ter zitting is door betrokkene aangevoerd dat de peildatum van 22 weken naar achteren verlegd zou moeten worden. Het tuchtgerecht oordeelt dat betrokkene dit onderwerp bij het Productschap kan aankaarten, waar de regels door de branche worden opgesteld.

Betrokkene heeft tevens het verweer gevoerd dat hij meer dieren heeft moeten plaatsen dan toegestaan is, omdat de dieren nu eenmaal door de opfokorganisatie geleverd werden. Tevens heeft hij aangevoerd dat hij voortaan aan de opfokorganisatie laat weten niet verplicht te zijn meer dieren dan besteld af te nemen. Het Productschap heeft ter zitting nog aan betrokkene in overweging gegeven deze weg inderdaad te volgen en het risico voor teveel leveren daar te laten waar het thuishoort: bij de opfokorganisatie. In een clausule kunnen ondernemers dit punt ondervangen. Het Tuchtgerecht benadrukt dat de ondernemer te allen tijde verantwoordelijk is voor de gang van zaken op het bedrijf, ook waar het gaat erom gaat een teveel aan dieren al dan niet te accepteren.

In het berechtingsrapport wordt geconstateerd, dat in stal 3 op de genoemde peildatum van 22 weken gemiddeld per vleeskuikenouderdier 1.230 cm2 beschikbaar was. Dit betekent concreet dat de pluimveehouder teveel dieren hield in stal 3. De minimum-oppervlaktegrens is aldus overschreden met 70 cm2. Dat is een overschrijding van de norm met 5,7%.

Het Tuchtgerecht oordeelt dat door de overschrijding van de norm het welzijn van alle dieren – en dus niet alleen van het teveel aan dieren in stal 3 – is geschaad. In stal 3 waren in totaal 15.824 dieren geplaatst en dientengevolge hadden alle in die stal aanwezige dieren te weinig ruimte. Al deze dieren hebben geleden onder het tekort aan vloeroppervlak. De overtreding wordt aangemerkt als zeer ernstig.

Naast het sanctioneren van de overtreding van de welzijnsnorm beoogt het Tuchtgerecht het economisch voordeel door middel van het opleggen van een geldboete weg te nemen.

-        Ten aanzien van het economisch voordeel stelt het Tuchtgerecht dat betrokkene mogelijk economisch voordeel heeft gehad, doordat meer dieren werden gehouden dan de norm toeliet.

Het Tuchtgerecht beoogt dit economisch voordeel door middel van het opleggen van een geldboete weg te nemen. Het Tuchtgerecht gaat bij het bepalen van het economisch voordeel uit van het totaal aantal dieren dat werd gehouden op het gehele bedrijf afgezet tegen het maximale aantal dieren dat op het bedrijf gehouden mag worden.

Afgezet tegen het totale vloeroppervlak op het bedrijf mogen op het totale bedrijf 40.300 gehouden worden. Ten tijde van de controle bevonden zich in de stallen 1, 2 en 3 in totaal 41.233 dieren, dwz. 933 dieren teveel.

Voor het bepalen van het teveel aan dieren houdt het Tuchtgerecht rekening met het feit dat het teveel aan dieren in stal 2 niet meer ten laste wordt gelegd. Dat betrof 230 dieren teveel. Het economisch voordeel wordt aldus berekend , alles in aanmerking nemend, over een teveel van (afgerond) 700 dieren op het bedrijf.

Het Tuchtgerecht  hanteert daarbij een geobjectiveerd winstbedrag van

€ 2,- per dier. Het Tuchtgerecht wijkt hiermee af van eerdere vergelijkbare zaken, waarbij een geobjectiveerd winstbedrag van € 3,- per dier werd gehanteerd. Gelet op de gewijzigde economische omstandigheden en gehoor gevend aan de oproep om rekening te houden met het feit dat ondernemers in de sector moeite hebben het hoofd boven water te houden, verlaagt het Tuchtgerecht het geobjectiveerde winstbedrag van € 3,-  naar € 2,-.

Bij het bepalen van de prijs per dier heeft het Tuchtgerecht zich gebaseerd op een publicatie van KWIN-Veehouderij (Kwantitatieve informatie voor de Veehouderij) van Livestock Research te Wageningen. Van de daar genoemde zgn. ‘voerwinst’ is een percentage arbeids-, onroerendgoed- en overige kosten afgetrokken om te komen tot een geschatte reële winst per dier.

-        Ten aanzien van de overtreding van de welzijnsnorm telt het feit dat het welzijn van alle dieren in stal 3 in het gedrang is gekomen. Dat is een zeer ernstig feit en het

         Tuchtgerecht legt ook hiervoor een geldboete op.

Het Tuchtgerecht heeft voor het overige ter zitting de indruk gekregen dat betrokkene in de regel een zorgvuldige bedrijfsvoering heeft en dat maatregelen zijn genomen om herhaling in de toekomst te voorkomen. Daarom legt het Tuchtgerecht de boete deels voorwaardelijk op. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete is voorts rekening gehouden met het feit dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd.

Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, dat betrokkene – gelet op artikel 8, eerste en tweede lid, van de Verordening welzijnsnormen vleeskuikenouderdieren 2003 – de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:

Beslissing:

Een geldboete van € 1.900 (zegge: eenduizend negenhonderd euro), waarvan € 250 (zegge: tweehonderd vijftig euro) voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Indien binnen deze periode van twee jaar niet door betrokkene aan de voorwaarde wordt voldaan, wordt – nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt – het voorwaardelijke deel van de boete alsnog ten uitvoer gelegd. De voorwaarde is, dat geen enkele bepaling van de Verordening welzijnsnormen vleeskuikenouderdieren 2003 of een andere bepaling over dierenwelzijn in de pluimveehouderij mag worden overtreden.

Toepasselijke artikelen:

Naast de reeds vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Pluimvee en Eieren.

Samenstelling van het Tuchtgerecht:

De uitspraak is gedaan door mevrouw mr. W.N. Everts, voorzitter en de heren mr. drs.

H. Lommers en ing. J. Bazuin, leden, in aanwezigheid van mevrouw drs. A.M.P. Regout, secretaris.