ECLI:NL:TPETPVE:2013:15 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren Zoetermeer TPPE1313

ECLI: ECLI:NL:TPETPVE:2013:15
Datum uitspraak: 24-04-2013
Datum publicatie: 01-05-2013
Zaaknummer(s): TPPE1313
Onderwerp: Dierengezondheid
Beslissingen: Geldboete
Inhoudsindicatie: 7x niet binnen de voorgeschreven termijnen zorg dragen voor een onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella van alle op het bedrijf aanwezige stalkoppels . Als verweer heeft betrokkene verklaard dat hij in de veronderstelling was dat de eerste monstername tussen de 22e en de 30e week genomen moest worden. Het Tuchtgerecht oordeelt dat die termijn nooit aan de orde is geweest en dat het Productschap ruime aandacht heeft besteed aan de bekendmaking van deze regelgeving. Sinds de inwerkingtreding in februari 2008 zijn alle bedrijven individueel geïnformeerd en er is daarna regelmatig, ook recent nog, over gecommuniceerd naar de sector. Voor de 7 overtredingen wordt een geldboete van € 1.750 opgelegd, waarvan € 875 voorwaardelijk, proeftijd twee jaar.

Zaaknummer :

TPPE 13/2013

Betrokkene :

[betrokkene]

[adres]

Datum :

24 april 2013

Gang van zaken :

De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD HYG 1307, naar aanleiding van een inspectie door een controleur van CoMore op 23 januari 2013 op de onderneming die wordt uitgeoefend op het bedrijf aan [adres], dat op naam van [betrokkene] is geregistreerd onder [KIP-nummer PLV].

Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 9 april 2013 behandeld op zijn openbare terechtzitting, gehouden te Amersfoort.

Betrokkene is behoorlijk en tijdig bij aangetekende brief opgeroepen, maar is niet op de zitting verschenen, zodat verstek is verleend. Op 8 april 2013 heeft het Tuchtgerecht van betrokkene een schriftelijk verweer ontvangen.

Voorts zijn ter zitting verschenen de heer mr. R.B.R. Henke en de heer ir. J.N. Schouwenburg, beide namens het PPE, en de heer H.G.M. Grolleman, namens CoMore.

Het Tuchtgerecht heeft op 24 april 2013 uitspraak gedaan.

Verweten gedraging :

Het niet binnen de voorgeschreven termijnen er voor zorg dragen dat een onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella van alle op het bedrijf aanwezige stalkoppels plaatsvindt. Het eerste onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella dient plaats te vinden op een leeftijd van de leghennen van minimaal 22 weken en maximaal 26 weken en vervolgens ten minste één maal per 15 weken. Dit is op het pluimveebedrijf van betrokkene in totaal zeven maal te laat uitgevoerd.

Verklaring van betrokkene :

In het berechtingsrapport is onder meer de volgende verklaring van betrokkene opgenomen, zakelijk weergegeven:

“ Het is juist dat er enkele onderzoeken naar de aanwezigheid van Salmonella bij de leghennen iets te laat zijn uitgevoerd. (…) Betreffende de uitvoering van de eerste onderzoeken was ik van mening dat deze uitgevoerd moesten worden voordat de hennen een leeftijd van 30 weken hadden. Bij de vervolgonderzoeken is de monstername op 24 mei 2012 in stal 1 iets te laat uitgevoerd omdat er anders binnen twee weken twee monsternames hadden moeten plaatsvinden vanwege de ruiming van het koppel in juni 2012. Ik zal ervoor zorgen dat ik vanaf nu de onderzoeken binnen de voorgeschreven termijnen laat doen.”

In het verweerschrift van betrokkene heeft deze onder meer nog verklaard dat hij in de veronderstelling was dat de eerste monstername tussen de 22e en de 30e week genomen moest worden. Ook wijst hij erop dat de bemonstering wel telkens is uitgevoerd, en dat er geen salmonella in de vorige uitslag is aangetoond. Betrokkene stelt ten slotte voor de toekomst beter op te gaan letten en zijn bemonster agenda op 13 weken te zetten zodat dit niet weer gebeurt.

Bewijs en verwijtbaarheid :

Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van de inhoud van het berechtingsrapport en de daarin opgenomen verklaring van betrokkene, ter zitting vast is komen te staan dat op het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is bij het Productschap Pluimvee en Eieren onder [KIP-nummer PLV], de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:

Het niet binnen de voorgeschreven termijnen zorgdragen voor een onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella van alle op het bedrijf aanwezige stalkoppels, zeven maal gepleegd.

Dit levert op:

7 x overtreding van art. 10, eerste lid en artikel 17, tweede lid van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011 en artikel 4, eerste lid, van het Hygiënebesluit leghennenbedrijven (PPE) 2011.

Motivering van de tuchtrechtelijke maatregel :

Bij de vorming van zijn oordeel neemt het Tuchtgerecht nota van de verklaring van de betrokkene blijkende uit het berechtingsrapport onder nummer CBD HYG 1307 en van het schriftelijke verweer van betrokkene.

Op grond van het bovenstaande overweegt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, het volgende:

Voor de pluimveesector is een “Plan van Aanpak” opgesteld om besmettingen van pluimvee met Salmonella en Campylobacter terug te dringen, om de consument een betere bescherming te bieden tegen gezondheidsproblemen die mogelijk door deze besmettingen kunnen worden veroorzaakt. Er is nu een samenstel van maatregelen van kracht op grond van het bij of krachtens bepaalde in de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011. Om het met het Plan van Aanpak beoogde doel te bereiken, is het van het grootste belang dat een ieder zich houdt aan het totale pakket van de geldende maatregelen.

Onderdeel hiervan is de monitoring van de salmonellastatus van het koppel gedurende de legperiode. Het is immers van het grootste belang om, als een salmonellabesmetting zich voordoet, deze zo spoedig mogelijk te constateren. Daarom is een schema afgesproken, vastgelegd in de regelgeving. Hoe meer van dat schema wordt afgeweken, hoe minder zicht er is op de salmonellastatus van de dieren. Tegen die achtergrond bezien heeft het Tuchtgerecht geoordeeld dat hoe langer de periode van overschrijding is, des te ernstiger ook de overtreding is. Dit vertaalt zich in de hoogte van de op te leggen geldboete.

Door de ondernemer is aangevoerd dat de monstername eenmaal te laat was uitgevoerd omdat hij dan de eindtap en de salmonellamonsters gelijktijdig door de dierenarts kon laten nemen. Het Tuchtgerecht merkt op dat de ondernemer te allen tijde verantwoordelijk is voor de juiste naleving van de regelgeving op zijn bedrijf. Het is een ondernemersbeslissing om de onderzoeken op een dag te willen bundelen waarbij hij ervoor dient te zorgen dit conform de regels te doen.

Als verweer heeft betrokkene nog verklaard dat hij in de veronderstelling was dat de eerste monstername tussen de 22e en de 30e week genomen moest worden . Het Tuchtgerecht oordeelt dat die termijn nooit aan de orde is geweest en dat het Productschap ruime aandacht heeft besteed aan de bekendmaking van deze regelgeving. Sinds de inwerkingtreding in februari 2008 zijn alle bedrijven individueel geïnformeerd en er is daarna regelmatig, ook recent nog, over gecommuniceerd naar de sector.

Het Tuchtgerecht komt aldus tot de slotsom dat omtrent betrokkene is vast komen te staan dat in 7 gevallen de onderzoeken naar de aanwezigheid van Salmonella te laat hebben plaatsgevonden. Voor deze 7 overtredingen wordt één tuchtrechtelijke maatregel opgelegd.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete is tevens rekening gehouden met het feit dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd en met het feit dat betrokkene een bedrijf van gemiddelde omvang heeft. V anwege de indruk dat betrokkene voor het overige een conscientieuze bedrijfsvoering heeft en de aangekondigde maatregelen om herhaling in de toekomst te voorkomen , legt het Tuchtgerecht de geldboete deels voorwaardelijk op.

Gelet op het bovenstaande legt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, betrokkene – ingevolge artikel 23, tweede lid, van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011 – de volgende tuchtrechtelijke maatregel op:

Beslissing:

Een geldboete van € 1.750,- (zegge: eenduizend zevenhonderdvijftig euro), waarvan € 875,- (zegge: achthonderd vijfenzeventig euro) voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Indien binnen deze periode door betrokkene niet aan de nader te noemen voorwaarde wordt voldaan, wordt – nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt – het voorwaardelijke deel van de boete alsnog ten uitvoer gelegd. De voorwaarde is, dat geen enkele bepaling van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011 of van enige andere verordening over hygiënevoorschriften met betrekking tot de pluimveehouderij zal worden overtreden.

Toepasselijke artikelen :

Naast de al vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Pluimvee en Eieren.

Samenstelling van het Tuchtgerecht:

De uitspraak is gedaan door mevrouw mr. W.N. Everts, voorzitter en de heren drs. T.S. de Vries en mr. drs. H. Lommers, leden, in aanwezigheid van mevrouw

drs. A.M.P. Regout, secretaris.