ECLI:NL:TNOKSGR:2013:16 Kamer van toezicht 's-Gravenhage 13-01

ECLI: ECLI:NL:TNOKSGR:2013:16
Datum uitspraak: 16-10-2013
Datum publicatie: 17-10-2013
Zaaknummer(s): 13-01
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   De notarissen wordt kort samengevat het volgende verweten: I      de trage behandeling van de nalatenschap en de belastingaangiften; II    het laten verlopen van de termijnen van belastingaangiften, met als gevolg een boete van de Belastingdienst door de te late aangifte; III   de aangifte (Inkomstenbelasting, Kvhn) werd verzorgd door fiscaal adviesbureau [naam] (hierna te noemen: [adviesbureau]). Dat dit kantoor is ingeschakeld is niet tevoren gecommuniceerd met de erfgenamen, dan wel is hier geen toestemming voor gevraagd; IV   de slechte communicatie. Zo heeft kandidaat-notaris C verzuimd om de opdracht tot het indienen van de belastingaangiften vast te leggen; V     slechte informatieverwerking; VI   slecht dossierbeheer. Een aantal keren is het voorgekomen dat de notarissen stelden een bepaald stuk of bepaalde informatie niet te hebben ontvangen, terwijl klaagster dat stuk dan wel informatie dan al lang had aangeleverd. Het stellen van overbodige vragen was dan niet nodig geweest; VII de excessief hoge declaratie. Ten aanzien van de belastingaangiften zijn zowel de kosten van [ adviesbureau] als van het notariskantoor doorberekend. Ook kwam klaagster er in een later stadium achter dat het uurtarief van kandidaat-notaris B beduidend hoger lag dan het uurtarief van kandidaat-notaris C. Dit was ook niet eerder gecommuniceerd. Verder staat de declaratie niet in verhouding met de (omvang van de, Kvhn) nalatenschap/aanslag Erfbelasting; VIII               niet inhoudelijk ingaan op klachten, namelijk traagheid in de behandeling van de nalatenschap en het verzorgen van de belastingaangiften, slechte communicatie, het blijven volhouden dat er sprake is van “veelvuldig” contact met de betrokkenen; IX   ten onrechte sommatie en aanmaning om te betalen en het ten onrechte inschakelen van een gerechtsdeurwaarder met aanzegging een gerechtelijke procedure te beginnen.  

Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag

Beslissing d.d.16 oktober 2013  inzake de klacht onder nummer 13-01 van:

[klaagster],

hierna ook te noemen: klaagster,

wonende te [plaatsnaam],

tegen

[notaris],

notaris te [vestigingsplaats],

hierna ook te noemen: de notaris,

en

[kandidaat-notaris],

kandidaat-notaris te [vestigingsplaats],

hierna ook te noemen: kandidaat-notaris B,

en

[kandidaat-notaris],

kandidaat-notaris te [vestigingsplaats],

hierna ook te noemen: kandidaat-notaris C

De notaris en beide kandidaat-notarissen gezamenlijk zullen ook aangeduid worden als: de notarissen.

De procedure

De Kamer heeft kennisgenomen van:

·         de klacht, met bijlagen, ingekomen op 12 februari 2013, voorafgegaan door het faxbericht d.d. 28 januari 2013,

·         het antwoord van de notarissen, met bijlagen,

·         de repliek van klaagster, met bijlagen,

·         de dupliek van de notarissen, met bijlagen.

Het procesverloop

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 juli 2013. Daarbij waren aanwezig klaagster en haar zusters [namen] en de notarissen. Van het verhandelde is proces­verbaal opgemaakt.

De feiten

In oktober 2010 heeft mevrouw mr. [M], destijds kandidaat-notaris op het notariskantoor, een bespreking gevoerd met mevrouw [K], de moeder van klaagster, (hierna te noemen: erflaatster) inzake een op te stellen testament. Op 12 oktober 2010 is het testament gepasseerd. Erflaatster heeft daarbij, voor zover thans van belang, haar drie dochters, onder wie klaagster, tot erfgenamen benoemd en haar woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats], gelegateerd aan klaagster.

Op 11 december 2010 is erflaatster overleden.

Op 14 januari 2011 zijn klaagster en haar twee zusters op het notariskantoor geweest voor een bespreking met kandidaat-notaris C. In de aan klaagster toegezonden opdrachtbevestiging is aangekruist, dat klaagster opdracht heeft gegeven tot het opstellen van een verklaring van erfrecht en executele en het opmaken van een akte afgifte legaat en is de voorgedrukte mogelijkheid “Aangifte voor erfbelasting” niet aangekruist.

Bij brief van 10 februari 2011 heeft kandidaat notaris C onder meer aan klaagster geschreven: “In verband met de afwikkeling van de nalatenschap van uw moeder heeft op 14 januari 2011 met u en uw zusters een bespreking plaatsgevonden op ons kantoor. Tijdens die bespreking is opdracht gegeven aan ons kantoor de verklaring van erfrecht en executele op te stellen. Om die verklaring op te kunnen stellen heb ik een aantal gegevens van u nodig.

(…)

Van de gelegenheid maak ik gebruik u er nadrukkelijk op te wijzen dat door het aanvaarden van het executeurschap u zelf aansprakelijk bent voor de voldoening van de aanslag erfbelasting, tenzij de aangifte voor de erfbelasting niet door u is ondertekend. (…)

Tijdens de bespreking hebt u aangegeven de executeursbenoeming te aanvaarden.

(…)

De door ons kantoor te verrichten werkzaamheden bestaan conform uw opdracht vooralsnog uit het opstellen en passeren van de verklaring van erfrecht en executele, het informeren van de erfgenamen en het opstellen van de akte houdende afgifte van het legaat van de woning.

(…)”

In verband met ziekte van kandidaat-notaris C zijn de dossierwerkzaamheden vanaf 27 juli 2011 overgenomen door kandidaat-notaris B.

Bij brief van 29 juli 2011 heeft kandidaat-notaris B aan klaagster onder meer bevestigd dat zij via het notariskantoor de aangiften Inkomstenbelasting 2010 en de Erfbelasting inzake de nalatenschap van haar moeder wenst te verzorgen en verzoekt hij haar om alle op de bijgesloten vragenlijst vermelde gegevens voor zover van toepassing te doen toekomen.

Op 11 april 2012 is de akte afgifte legaat ondertekend en gepasseerd. Daarbij waren klaagster en haar zuster [L] aanwezig.

Bij die gelegenheid heeft klaagster aangegeven de declaratie hoog te vinden. Daarop is besloten de declaratie te verminderen met € 600,00 (exclusief BTW) en is de tijd die gemoeid was met het passeren van de akte niet aan klaagster in rekening gebracht. Een en ander is klaagster bij brief van 24 april 2012 door kandidaat notaris C bericht.

Een deel van de declaratie is betaald, een bedrag van € 2.636,45 niet.

De klachten en het verweer van de notarissen

De notarissen wordt kort samengevat het volgende verweten:

I      de trage behandeling van de nalatenschap en de belastingaangiften;

II    het laten verlopen van de termijnen van belastingaangiften, met als gevolg een boete van de Belastingdienst door de te late aangifte;

III   de aangifte (Inkomstenbelasting, Kvhn) werd verzorgd door fiscaal adviesbureau [naam] (hierna te noemen: [adviesbureau]). Dat dit kantoor is ingeschakeld is niet tevoren gecommuniceerd met de erfgenamen, dan wel is hier geen toestemming voor gevraagd;

IV   de slechte communicatie. Zo heeft kandidaat-notaris C verzuimd om de opdracht tot het indienen van de belastingaangiften vast te leggen;

V     slechte informatieverwerking;

VI   slecht dossierbeheer. Een aantal keren is het voorgekomen dat de notarissen stelden een bepaald stuk of bepaalde informatie niet te hebben ontvangen, terwijl klaagster dat stuk dan wel informatie dan al lang had aangeleverd. Het stellen van overbodige vragen was dan niet nodig geweest;

VII de excessief hoge declaratie. Ten aanzien van de belastingaangiften zijn zowel de kosten van [ adviesbureau] als van het notariskantoor doorberekend. Ook kwam klaagster er in een later stadium achter dat het uurtarief van kandidaat-notaris B beduidend hoger lag dan het uurtarief van kandidaat-notaris C. Dit was ook niet eerder gecommuniceerd. Verder staat de declaratie niet in verhouding met de (omvang van de, Kvhn) nalatenschap/aanslag Erfbelasting;

VIII               niet inhoudelijk ingaan op klachten, namelijk traagheid in de behandeling van de nalatenschap en het verzorgen van de belastingaangiften, slechte communicatie, het blijven volhouden dat er sprake is van “veelvuldig” contact met de betrokkenen;

IX   ten onrechte sommatie en aanmaning om te betalen en het ten onrechte inschakelen van een gerechtsdeurwaarder met aanzegging een gerechtelijke procedure te beginnen.

Klaagster verzoekt de Kamer om de klacht op alle onderdelen gegrond te verklaren, de declaratie ad

€ 4.952,19 kwijt te schelden en de door haar gestelde schadevergoeding van € 2160,- + € 423,- + € 19.734,- toe te wijzen.

De notarissen hebben gemotiveerd verweer gevoerd, dat hierna ­ voor zover nodig ­ zal worden besproken.

De beoordeling van de klacht

Ter beoordeling van de Kamer staat of de notarissen hebben gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 93 van de Wet op het notarisambt (Wna). Een notaris is aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die hij als notaris behoort te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve hij optreedt, alsmede ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. 

De klacht ten aanzien van [kandidaat notaris C]

Desgevraagd heeft klaagster bij de mondelinge behandeling toegelicht dat haar verwijt aan [kandidaat notaris C] zich beperkt tot het volgende. Klaagster stelt dat in het gesprek van 14 januari 2011 ook opdracht is gegeven om de aangiften IB 2010 van haar moeder en de aangifte Erfbelasting betreffende de nalatenschap van haar moeder te verzorgen en zij verwijt [kandidaat notaris C] dat hij dit onderdeel van de opdracht niet in de opdrachtbevestiging heeft vermeld.

De notarissen betwisten dat op 14 januari 2011 opdracht is gegeven om de belastingaangiften te verzorgen.

De Kamer acht niet gebleken dat op 14 januari 2011 opdracht is gegeven de belastingaangiften te verzorgen. In de bij de feiten geciteerde opdrachtbevestiging is de betreffende mogelijkheid niet aangekruist, terwijl ook uit de brief van 10 februari 2011 blijkt, dat in de visie van de notarissen een dergelijke opdracht niet was gegeven. Gesteld noch gebleken is dat klaagster heeft geprotesteerd tegen de inhoud van de opdrachtbevestiging en/of tegen de inhoud van de brief van 10 februari 2011. Indien klaagster van mening was dat een dergelijke opdracht wel was gegeven, had het voor de hand gelegen dat zij daarover meteen aan de bel had getrokken.

Gelet op het voorgaande acht de Kamer de klacht tegen [kandidaat notaris C] ongegrond.

De klachten ten aanzien van notaris [A] en [kandidaat notaris B]

Ad klachtonderdeel I en II

Klaagster heeft gesteld dat zij in juni 2011 alle gegevens met een uitgebreide toelichting voor de belastingaangifte IB 2010 en de erfbelasting heeft doen toekomen aan het notariskantoor. De notarissen hebben dat betwist. Zij hebben voorts aangevoerd dat klaagster, nadat zij in juli 2011 opdracht had gegeven om de belastingaangiften te verzorgen, ondanks diverse herinneringen, niet tijdig en niet volledig de gevraagde gegevens heeft aangeleverd. Bij de afwikkeling van de nalatenschap van de vader van klaagster was een successieaangifte ingediend. Om na te gaan of er sprake was van een overbedelingsschuld aan klaagster en haar zusters heeft [kandidaat-notaris B] op 23 september 2011 per e-mail aan klaagster de stukken van die eerdere successieaangifte opgevraagd. Klaagster heeft in diverse e-mails aangegeven dat zij zou nagaan of deze stukken bewaard waren gebleven en zij zou [kandidaat-notaris B] daarover berichten. [Kandidaat-notaris B] heeft daarna van klaagster niets meer vernomen. Ook op diverse herinneringsmails van hem werd door klaagster niet gereageerd. Pas op 20 februari 2012 heeft klaagster aangegeven dat zij en haar zusters geen onderbedelingsvorderingen hadden. Diezelfde dag is de aangifte erfbelasting naar klaagster verzonden. Na een enkele aanvulling is de door klaagster ondertekende aangifte op 2 maart 2012 ingediend bij de belastingdienst.  

Klaagster heeft naar aanleiding van dit verweer geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou moeten worden afgeleid dat zij voor 20 februari 2012 de voor de aangifte erfbelasting door de notarissen benodigde gegevens heeft verstrekt. Dat brengt mee, dat voldoende is komen vast te staan dat het aan klaagster zelf is te wijten dat de notarissen niet eerder dan kort na 20 februari 2012 de aangifte erfbelasting konden doen. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Ook overigens acht de Kamer onvoldoende gebleken dat de nalatenschap traag is afgewikkeld. De notarissen hebben bij antwoord in chronologische volgorde een overzicht gegeven van wat zij hebben gedaan en of en zo ja hoe en wanneer klaagster daarop heeft gereageerd. Dat overzicht is door klaagster niet weersproken. Uit dat overzicht blijkt naar het oordeel van de Kamer niet dat van een trage afhandeling sprake is geweest. Voor zover er bij de afhandeling vertraging is opgetreden, is dat veeleer te wijten aan het feit dat klaagster niet binnen bekwame tijd reageerde op verzoeken van het notariskantoor.

Deze klachtonderdelen zijn dan ook ongegrond. 

Ad III

De notarissen hebben op 8 september 2011 [adviesbureau] verzocht de aangifte voor de Inkomstenbelasting over 2010 te verzorgen. Gekozen is voor dit kantoor, aldus de notarissen, omdat het zich gespecialiseerd heeft in het verzorgen van aangiften Inkomstenbelasting, het aan het notariskantoor een gereduceerd tarief rekent en het over een Beconnummer beschikt, waardoor de aangiften sneller door de Belastingdienst behandeld worden.

De Kamer is van oordeel dat vast is komen te staan dat [kandidaat-notaris B] het inschakelen van [medewerker adviesbureau] voor de belastingaangifte niet met klaagster heeft besproken. Het was zorgvuldiger geweest indien de kandidaat-notaris dit eerst met klaagster als opdrachtgeefster had besproken, maar de Kamer acht het achterwege laten daarvan niet dermate klachtwaardig dat dit tot een gegrondheid van dit klachtonderdeel zou moeten leiden. De Kamer neemt daarbij het volgende in aanmerking. De notarissen hebben weersproken, dat niet alleen [adviesbureau], maar ook de notarissen zelf kosten in rekening hebben gebracht voor het verzorgen van de belastingaangifte en gesteld dat het inschakelen van [adviesbureau] dus, anders dan klaagster heeft gesuggereerd, tot extra kosten heeft geleid. Dat dubbele kosten in rekening zijn gebracht, zoals klaagster heeft gesteld, acht de kamer niet gebleken. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

Ad IV, V, VI en VIII

Wat betreft het verwijt van klaagster met betrekking tot de slechte communicatie, de slechte informatieverwerking, het slechte dossierbeheer en het niet inhoudelijk ingaan op de klachten hebben de notarissen het volgende aangevoerd. De problemen die zijn ontstaan zijn het gevolg van het niet tijdig geven van de opdracht tot het opstellen van de aangifte, het niet tijdig en niet volledig aanleveren van de gevraagde gegevens en het uitblijven van reacties van klaagster. De notarissen zelf hebben altijd snel gereageerd op telefoontjes en correspondentie van klaagster, meestal nog dezelfde dag.

De Kamer is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de notarissen slecht hebben gecommuniceerd, dan

wel informatie slecht hebben verwerkt dan wel zich hebben schuldig gemaakt aan slecht dossierbeheer of niet inhoudelijk zijn ingegaan op klachten. Hetgeen klaagster daaromtrent heeft gesteld is onvoldoende en voor zover zich problemen hebben voorgedaan in het dossier zijn deze, zoals ook hiervoor al is overwogen, het gevolg van het niet of niet tijdig reageren van klaagster zelf. Deze vier klachtonderdelen zijn derhalve ongegrond.

Ad VII

De notarissen hebben met betrekking tot de declaratie het volgende aangevoerd. Het notariskantoor is gespecialiseerd in het afwikkelen van nalatenschappen. Vanwege de zeer uiteenlopende werkzaamheden wordt er gedeclareerd op uurbasis. De declaratie bedroeg ruim € 4.000,-. Een belangrijk deel van die kosten had voorkomen kunnen worden als klaagster eerder had gereageerd op correspondentie, waarin om informatie of akkoordverklaring is verzocht. In de opdrachtbevestiging is aangegeven dat de werkzaamheden zouden worden verricht op uurbasis tegen een tarief van € 150,- per uur exclusief BTW voor [kandidaat-notaris C]en was voorts vermeld dat de tarieven jaarlijks konden worden aangepast. Toen klaagster op 11 april 2012 de akte tot afgifte legaat ondertekende, maakte zij bezwaar tegen de hoogte van de declaratie. Besloten is toen om de declaratie met € 600,- exclusief BTW te verlagen alsmede om de tijd die gemoeid was met het passeren van de akte tot afgifte legaat niet in rekening te brengen. Dat was uit coulance gelet op het voor [kandidaat-notaris B] geldende (hogere) uurtarief.

De Kamer overweegt als volgt. Op grond van artikel 55 lid 2 Wna kan een geschil over (de hoogte van) een declaratie worden voorgelegd aan de Geschillencommissie voor het Notariaat. Klaagster is dan ook in zoverre  niet-ontvankelijk. Verder was het zorgvuldiger geweest, indien klaagster was gewezen op het feit, dat voor [kandidaat notaris B] een hoger uurtarief gold dan voor [kandidaat notaris C], maar nu de notarissen hun declaratie hebben verminderd met het verschil in uurtarief is de Kamer van oordeel dat dit niet tot een gegrondverklaring van dit klachtonderdeel kan leiden. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

Ad IX

Ten aanzien van dit klachtonderdeel hebben de notarissen het volgende aangevoerd. Op 11 april 2012 is een gematigde declaratie verzonden naar klaagster. Daarvan is een deel betaald en het restant van € 2.636,45 stond (en staat) nog open. Uiteindelijk is op 3 januari 2013 een deurwaarder ingeschakeld, nadat op de brief van 5 september 2012, alsmede op diverse aanmaningen tot voldoening van de declaratie, geen reactie van klaagster is ontvangen. Naar aanleiding van het indienen door klaagster van de onderhavige klachten is aan de deurwaarder opdracht gegeven de inningsprocedure op te schorten. De notarissen betwisten derhalve dat er sprake is van (te grote) voortvarendheid bij het inschakelen van de deurwaarder.

De Kamer oordeelt dat niet is vast komen te staan dat de notarissen ten onrechte hebben aangemaand en een deurwaarder hebben ingeschakeld. Vast staat dat slechts een deel van de declaratie van de notarissen is betaald en dat nog een aanzienlijk bedrag van de declaratie openstaat. Niet valt in te zien waarom een notaris geen incassomaatregelen zou mogen treffen om een declaratie betaald te krijgen. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

De klacht ten aanzien van notaris [A]

De Kamer overweegt verder nog het volgende voor zover de klacht ziet op het handelen of nalaten van notaris  A.

De notaris is als notaris weliswaar verantwoordelijk voor het reilen en zeilen op haar kantoor en het handelen en/of nalaten van haar medewerkers, maar zij is niet bij de afhandeling van deze nalatenschap betrokken geweest. Desgevraagd heeft klaagster bij de mondelinge behandeling gemeld dat zij de klacht mede tegen de notaris heeft gericht, omdat de notaris haar brief met klachten namens de kandidaat notarissen heeft beantwoord. Nu de Kamer de klacht tegen de kandidaat notarissen in al haar onderdelen ongegrond acht is ook de klacht jegens notaris [A] derhalve ongegrond.

De Kamer heeft slechts een tuchtrechtelijke taak en heeft niet de bevoegdheid om te beslissen op de verzoeken van klaagster de declaratie in zijn geheel nietig te verklaren alsmede de verzochte schadevergoedingen toe te wijzen. Zoals eerder overwogen kan klaagster eventuele klachten omtrent de hoogte van de declaratie voorleggen aan de Geschillencommissie en is de burgerlijke rechter bevoegd om te oordelen over een eventuele schadevergoeding.  

De beslissing

De Kamer voornoemd:

verklaart klaagster niet-ontvankelijk voor zover het betreft de klacht over de hoogte van de declaratie;

verklaart de klacht overigens ten aanzien van de notaris en beide kandidaat-notarissen op alle onderdelen ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. M.G.L. den Os-Brand, voorzitter, A.F.L. Geerdes, F. Hoppel, E.S. Voskamp en H.M. Kolster, en in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. F.S. Pietersma-Smit, in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2013.

Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH  Amsterdam, binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief.