ECLI:NL:TGZRZWO:2013:YG2785 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 081-2012

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2013:YG2785
Datum uitspraak: 22-03-2013
Datum publicatie: 22-03-2013
Zaaknummer(s): 081-2012
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen psychiater inzake het uitbrengen van Pro Justitia-rapportage. Verweerder achtte klager verminderd toerekeningsvatbaar in verband met een waanstoornis. Klager stelt, op basis van een latere Pro Justitia-rapportage in de strafzaak waarin hij werd vervolgd wegens het gooien van een waxinelichthouder naar de gouden koets, dat hij wel toerekeningsvatbaar was en het rapport van verweerder ondeugdelijk. Kennelijk ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 22 maart 2013 naar aanleiding van de op 16 februari 2012 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B,

k l a g e r

-tegen-

C , psychiater, werkzaam te D,

v e r w e e r d e r

1.      HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift met de bijlagen;

– het aanvullende klaagschrift;

– het verweerschrift;

– de repliek;

– de dupliek;

− de desgevraagd door verweerder overgelegde pro justitia-rapportage;

– de nadien door klager ingezonden “reactie op de verweerschriften” met bijlagen.

Partijen hebben afgezien van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

2.      DE FEITEN

Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

In het kader van een tegen klager lopende strafzaak wegens verdenking van stalking in 2007/2008 heeft verweerder op 23 maart 2009 een pro justitia-rapportage uitgebracht. Verweerder concludeert tot verminderde toerekeningsvatbaarheid ten gevolge van een waanstoornis (benadelingstype) bij klager. Deze rapportage wordt hier voor het overige als herhaald en ingelast beschouwd. E, sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, was in 2009 werkzaam als een van de coördinatoren van het Coördinatiepunt MultiProbleemSituaties (MPS) in de regio, bedoeld om zorgwekkende zorgmijders weer toe te leiden naar zorg. Daarnaast nam hij deel aan de 7 x 24-uurs crisisdienst. Op 5 februari 2009 meldde de politie de situatie rond klager aan bij E. Naar aanleiding daarvan heeft E een aanmeldformulier opgesteld. In eerste instantie is afgewacht omdat de politie nog goed contact had met klager, toen dat verloren ging zou E een poging wagen om met klager in contact te komen. In dat kader heeft hij contact opgenomen met klagers vader, maar met klager zelf had hij nog geen contact gehad toen hij op 16 juni 2009 dienst had bij de crisisdienst. Klager is op die datum beoordeeld in het politiebureau door F die als psychiater dienstdeed als achterwacht voor de crisisdienst. E was daar bij en heeft hiervan een crisisverslag opgemaakt. F heeft een geneeskundige verklaring uitgeschreven met het oog op het verkrijgen van een voorlopige machtiging ingevolge de wet BOPZ. Nadat de rechtbank de behandeling van het verzoek eerst had aangehouden, heeft de rechtbank op 1 juli 2009 een voorlopige machtiging afgegeven. Klager werd opgenomen en behandeld binnen het programma ZIB-FPA (Zeer intensieve behandeling - Forensisch psychiatrische behandeling) van een psychiatrisch ziekenhuis. Zijn behandelaars waren de psychiaters G (in opleiding) en H, de verpleegkundige I was behandelcoördinator. Per 16 oktober 2009 werd klager onder de lopende machtiging voorwaardelijk ontslagen en volgde poliklinisch contact. Uit door klager bij zijn laatste brief overgelegde stukken blijkt dat later wederom pro justitia-rapportage is uitgebracht wegens het gooien door klager van een waxinelichtje naar de gouden koets op Prinsjesdag 2010. In die rapportage luidt de conclusie: uitgestelde diagnose en wordt klager volledig toerekeningsvatbaar geacht, mede omdat dit gezien het tijdsverloop van anderhalf jaar sinds het tenlastegelegde moeilijk was te beoordelen.

Klager heeft tegen alle hierboven genoemde beroepsbeoefenaren klachten ingediend bij dit college. Op die klachten wordt onder de nummers 081 t/m 086/2012 gelijktijdig uitspraak gedaan. Verder blijkt uit door klager overgelegde correspondentie dat hij ook klachten heeft ingediend bij het college te Den Haag, aldaar bekend onder de nrs. 2012-037 a t/m f.

3.      HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

De klacht tegen verweerder komt er in de kern op neer dat hij klager ten onrechte verminderd toerekeningsvatbaar heeft geoordeeld, terwijl klager zichzelf volledig toerekeningsvatbaar acht. Klager wijst er in dit verband op dat een andere psychiater hem volledig toerekeningsvatbaar heeft geacht. Voorts heeft hij verweerder alleen toestemming gegeven voor objectieve testonderzoeken, zoals intelligentietesten. Klager uit vele vragen over de rapportage van verweerder.

4.      HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij twee gesprekken heeft gehad met klager van in totaal drie uur. Klager heeft vrijwillig meegewerkt nadat hem was verteld dat het om een psychiatrisch onderzoek ging. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat er sprake was van een waanstoornis (benadelingstype). Het resultaat is besproken met klager, die was het niet eens met die diagnose, hetgeen begrijpelijk is gezien de aard van de stoornis.

5.      DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1               

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Voorts dienen bij de beoordeling van de vraag of een advies van een arts voldoet aan de daaraan te stellen eisen volgens vaste jurisprudentie de volgende criteria in aanmerking te worden genomen:

a.       het rapport zet op inzichtelijke en consistente wijze uiteen op welke gronden de conclusie van het rapport steunt;

b.      de in het rapport uiteengezette gronden vinden aantoonbaar voldoende steun in de feiten, omstandigheden en bevindingen van het rapport;

c.       de gronden rechtvaardigen in redelijkheid de daaruit getrokken conclusies;

d.      de rapportage beperkt zich tot het deskundigheidsgebied van de rapporteur;

e.       de methode van onderzoek teneinde tot beantwoording van de voorgelegde vraagstelling te komen kan leiden tot het beoogde doel dan wel de rapporteur overschrijdt daarbij de grenzen van redelijkheid en billijkheid.

5.3

Het college zal eerst de klacht behandelen dat klager verweerder geen toestemming heeft gegeven voor het onderzoek en dat verweerder onvoldoende uitleg heeft gegeven. Uit de rapportage blijkt dat klager, wellicht tegen heug en meug maar toch, verweerder te woord heeft gestaan. Verweerder heeft immers allerlei informatie uit de mond van klager opgetekend. De weergave daarvan beslaat bijna twee pagina’s van het rapport. Verweerder is psychiater, het gevoerde gesprek lijkt niet op een intelligentietest of vergelijkbaar onderzoek, dus moest het klager duidelijk zijn dat het niet om dergelijk onderzoek ging. Verweerder heeft ook opgeschreven dat hij herhaaldelijk heeft uitgelegd wat de bedoeling was, het feit dat klager dat niet begreep of niet wilde begrijpen kan daaraan niet afdoen. Dat was voldoende voor verweerder om te kunnen rapporteren in het kader van een strafrechtelijk onderzoek, daarvoor was de toestemming van klager niet vereist.

5.4

Zoals gezegd komt de klacht er in de kern op neer dat verweerder klager ten onrechte verminderd toerekeningsvatbaar heeft geoordeeld, terwijl klager zichzelf volledig toerekeningsvatbaar acht. Klager onderbouwt dit met de rapportage van een andere psychiater. Wat betreft de verwijzing door klager naar een andere pro justitia-rapportage geldt ten eerste dat deze in een andere periode ten aanzien van een ander delict is opgesteld en dat reeds daarom het enkele feit, en meer is er niet, dat klager in die rapportage toerekeningsvatbaar wordt geacht van geen betekenis is voor het onderhavige oordeel. Voorts geldt dat bij bovengenoemde toetsingscriteria de getrokken conclusie marginaal wordt getoetst. In het onderhavige geval kon verweerder op basis van de in zijn rapport genoemde bevindingen in redelijkheid tot die conclusie komen. Dit klemt te meer aangezien voor de conclusie met betrekking tot toerekeningsvatbaarheid geen standaard bestaat (zie ook prof. dr. G. Meynen in Medisch Contact 68, nr 5, 31 januari 2013, pag. 271).

5.5

Klager heeft voor het overige allerlei vragen over de rapportage, overigens voornamelijk met betrekking tot de conclusie betrekkingswaan en de verminderde toerekeningsvatbaarheid. Voor zover hierop in het voorgaande niet is ingegaan geldt dat het stellen van vragen wat anders is dan het uiten van concrete, onderbouwde klachten zodat het college daaraan voorbij kan gaan.

5.6

De conclusie is dat de klacht kennelijk ongegrond is en dus dient te worden afgewezen.

6.      DE BESLISSING

Het college wijst de klacht af.

Aldus gedaan in raadkamer door mr. A.L. Smit, voorzitter, en M.H. Braakman en dr. R.J. Verkes, leden-geneeskundigen, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Dijkman, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2013 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Dijkman, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.