ECLI:NL:TGZRZWO:2013:37 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 112/2013

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2013:37
Datum uitspraak: 18-10-2013
Datum publicatie: 18-10-2013
Zaaknummer(s): 112/2013
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:   Dat radioloog ten tijde van handelen waarover wordt geklaagd, in opleiding en onder supervisie werkzaam was, leidt niet tot niet-ontvankelijk verklaring  De omstandigheden dat klaagster nog maar een week in haar mammaradiologische stage en onder volledige supervisie werkzaam was, zij haar supervisor heeft geraadpleegd en onderzoek en verslaglegging onder die supervisie hebben plaatsgevonden, brengt met zich dat, zo al van een onjuiste interpretatie van het beeldvormend materiaal en/of onjuiste verslaglegging sprake zou zijn, dat verweerster niet tuchtrechtelijk kan worden aangerekend. Klacht afgewezen.  

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 18 oktober 2013 naar aanleiding van de op 26 maart 2013 bij het

Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B,

k l a a g s t e r ,

-tegen-

C , arts, werkzaam te B,

gemachtigde: mr. F.E.A.M. Tesser, jurist bij de Concernstaf Sectie Strategieontwikkeling van het D te B,

v e r w e e r s t e r.

1.      HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van:

-het klaagschrift;

-het verweerschrift, waaronder het medisch dossier.

Partijen hebben afgezien van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

De klacht is behandeld ter openbare zitting van 6 september 2013 waar klaagster en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde, zijn verschenen. De klacht is gelijktijdig behandeld met de klachten van klaagster tegen een chirurg en een andere radioloog (destijds supervisor van verweerster) destijds eveneens werkzaam in het D en betrokken bij de behandeling van klaagster. In die zaken (zaaknummers 307/2012 en 111/2013) wordt eveneens heden uitspraak gedaan.

2.      DE FEITEN

Op grond van de stukken, waaronder het medisch dossier, en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klaagster, geboren op 22 januari 1960, werd, na een verwijzing daartoe door haar huisarts, op 1 december 2009 gezien op de mammapoli van de afdeling Heelkunde van het

D in B. Verweerster was op dat moment circa anderhalf jaar in opleiding tot radioloog en liep in de eerste week van haar mammaradiologie stage. Zij werkte op dat moment onder supervisie en (eind)verantwoordelijkheid van een radioloog.

Nadat klaagster op 1 december 2009 op de afdeling Heelkunde onderzocht was door een verpleegkundig specialist mammacare (nurse practitioner) E, werden op de afdeling Radiologie de volgende onderzoeken verricht: een mammogram van beide borsten, een echo van linkerborst en linkeroksel, een echogeleide bioptie van de linkerborst en een punctie van de linkeroksel.

Radiologisch werd de tumor blijkens het verslag geclassificeerd als een BI-RADS 5, waarschijnlijk maligne. Dezelfde middag heeft er een multidisciplinair overleg (MDO) plaatsgevonden waarbij de behandelend chirurg, de superviserend radioloog, de patholoog en een behandelend verpleegkundig specialist aanwezig waren. Dat overleg leidde tot de diagnose maligniteit, T2N1, stadium III.  Er werd een borstamputatie voorgesteld met verwijdering van alle okselklieren, gevolgd door chemotherapie en eventueel radiotherapie. Klaagster is later op de dag van de diagnose en het behandelvoorstel op de hoogte gesteld door voornoemde nurse practitioner. Op 4 december 2009 werd genoemde diagnose bevestigd in het groot MDO waar, naast voornoemde specialisten, ondermeer ook nog radiotherapeut en plastische chirurgie aanwezig waren.

In het kader van een door klaagster aangevraagde second opinion, vond op 17 december 2009 een consult plaats in het F bij G. Zij constateerde een tumor verdacht voor een T4 en adviseerde om eerst te starten met de neoadjuvante therapie en voorlopig niet te opereren. Op 29 december 2009 is klaagster gestart met neoadjuvante therapie op de afdeling Medische Oncologie.

3. STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt verweerster, zakelijk weergegeven, dat door een onjuiste interpretatie van de radiologische onderzoeken de diagnose is gemist of dat, indien er wel een juiste interpretatie van het radiologisch onderzoek is geweest, deze onvoldoende is verdedigd in het MDO.

4.   HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER

Verweerster voert -zakelijk weergegeven- als primair verweer aan dat de klacht niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat verweerster destijds de onderzoeken onder verantwoordelijkheid van haar supervisor heeft uitgevoerd en beoordeeld. Voor het geval het college de klacht wel ontvankelijk verklaart, voert verweerster aan dat zij niet is tekortgeschoten in de door haar aan klaagster te verlenen zorg en dat zij derhalve geen tuchtrechtelijke normen heeft geschonden.

Verweerster was niet eerder dan na ontvangst van dit klaagschrift op de hoogte van de ongenoegens van klaagster omtrent de beeldvormende diagnostiek. Zij had dat graag eerder geweten en in een persoonlijk gesprek een toelichting gegeven.

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

De omstandigheid dat verweerster ten tijde van het onderzoek in opleiding en onder supervisie werkzaam was, brengt niet met zich mee dat klaagster om die reden in haar klacht niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

5.3

Wel is het college van oordeel dat de omstandigheden dat verweerster nog maar een week in haar mammaradiologische stage werkzaam en onder volledige supervisie werkzaam was, zij haar supervisor heeft geraadpleegd en onderzoek en verslaglegging onder die supervisie hebben plaatsgevonden met zich dat, zo al van een onjuiste interpretatie van het beeldvormend materiaal en/of onjuiste verslaglegging sprake zou zijn, dat verweerster niet tuchtrechtelijk kan worden aangerekend. De klacht dient derhalve reeds om die reden te worden afgewezen.

6.  DE BESLISSING

 Het college wijst de klacht af.

Aldus gedaan in raadkamer door mr. E.W. de Groot, voorzitter, mr. M. Willemse, lid-jurist, J.M. Komen, M. Scheuer en prof. dr. J.S. Laméris, leden beroepsgenoten, in aanwezigheid van mr. B.E.H. Zijlstra-Bauer, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2013 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.