ECLI:NL:TGZRZWO:2013:35 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 133/2012
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2013:35 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-10-2013 |
| Datum publicatie: | 18-10-2013 |
| Zaaknummer(s): | 133/2012 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen specialist ouderengeneeskunde van zoon en vertegenwoordiger over behandeling van zijn moeder met dementieel syndroom. Het college slaat onder meer acht op artikel 7:465 leden 3 t/m5 BW en artikel 7:452 BW en komt tot de conclusie dat verweerster geen verwijt treft. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing d.d. 18 oktober 2013 naar aanleiding van de op 7 juni 2012 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van
A , wonende te B,
k l a g e r
-tegen-
C , specialist ouderengeneeskunde, werkzaam te D,
bijgestaan door mr. E.J.C. de Jong, advocaat te Utrecht
v e r w e e r s t e r
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de repliek met de bijlagen;
- de dupliek met de bijlage;
- het medisch dossier van na te noemen patiënte;
- brief van klager d.d. 7 december 2012;
- brief van klager d.d. 29 juli 2013;
- fax van gemachtigde verweerster d.d. 29 augustus 2013
Partijen hebben afgezien van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van 3 september 2013, alwaar zijn verschenen klager en verweerster, de laatste bijgestaan door haar gemachtigde.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken waaronder het medisch dossier en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klager is de zoon van mevrouw E, geboren op 8 mei 1922 en overleden op 16 oktober 2010, verder patiënte te noemen.
Patiënte werd in mei 2009 overgeplaatst vanuit een ander verpleeghuis naar verpleeghuis F te D, waar verweerster werkzaam was. Patiënte was sinds juni 2007 opgenomen via een artikel 60 Wet BOPZ-procedure.
Op 4 mei 2009 heeft een collega van verweerster de anamnese afgenomen in het bijzijn van klager. Hiervan is verslag gedaan in de probleeminventarisatielijst en in het behandelplan.
Verweerster heeft patiënte voor het eerst gezien op 11 mei 2009. Patiënte had pijn in de linkerkaak en pijn in haar linker arm/schouder bij bewegen. Verweerster besloot de klachten te observeren en binnen een week te evalueren. Op 12 mei 2009 heeft verweerster patiënte lichamelijk onderzocht om de (gezondheids)toestand in beeld te brengen. Er bleek sprake te zijn van een hoge bloeddruk, pijn in en een lichte bewegingsbeperking van de schouder, een plekje aan de linkerslaap dat al langere tijd zou bestaan en een hartruis. Verweerster besloot voor de klachten aan de arm de fysiotherapeut te consulteren. Met betrekking tot de hartruis en het plekje aan de slaap werd besloten dossieronderzoek te verrichten en de laboratoriumuitslagen op te vragen. Op 18 mei 2009 zag verweerster patiënte weer. De bloeddruk was goed en patiënt had bijna geen klachten meer aan haar kaak. Op 25 mei 2009 waren er blijkens het dossier weinig pijnklachten meer in de arm. Op 28 mei 2009 had patiënte last van benauwdheidsklachten bij inspanning. Verweerster constateerde dat er mogelijk sprake was van een longontsteking en zij schreef een antibioticakuur voor.
Op 3 juni 2009 is patiënte gezien door een collega van verweerster in verband met buikklachten; met toestemming van klager is een klysma geplaatst. Op 4 juni 2009 heeft verweerster patiënte onderzocht. Gelet op haar bevindingen uit anamnese en onderzoek heeft verweerster contact opgenomen met klager met het voorstel om patiënte over te brengen naar de afdeling Spoedeisende Hulp voor diagnostiek op verdenking van een darmobstructie. Klager gaf aan dat het de wens van patiënte was om niet ingestuurd te worden. Verweerster heeft deze wens gehonoreerd. Zij heeft in verband met een delier mogelijk ten gevolge van een mogelijke longinfectie Augmentin voorgeschreven. Tevens heeft zij in de status genoteerd dat zij met spoed medische informatie bij het eerdere verpleeghuis wilde opvragen.
Op 5 en 8 juni 2009 is patiënte gezien door een collega van verweerster in verband met aanhoudende benauwdheid en een pijnlijke pols. In overleg met klager is patiënte naar het ziekenhuis gestuurd. Er bleek geen sprake te zijn van een fractuur aan de pols. Ook was geen sprake van decompensatio cordis. Wel werd pleuravocht links gevonden.
Op 9 juni 2009 heeft verweerster telefonisch contact opgenomen met klager om zijn toestemming te verkrijgen om medische informatie op te vragen over patiënte. Klager gaf deze toestemming niet. Klager gaf voorts aan dat bij pijnklachten geen tramadol gegeven mocht worden. Afgesproken werd dat eventuele dyspnoe bestreden zou worden met morfine en zo nodig nitrospray bij pijn op de borst.
In het multidisciplinair overleg op 11 juni 2009 heeft verweerster besproken hoe zij moest omgaan met het opvragen van medische informatie nu klager geen toestemming gaf. Er werd geadviseerd in overleg te treden met de Inspectie voor de Gezondheidszorg (verder: IGZ).
Op 15 en 29 juni 2009 heeft verweerster patiënte opnieuw gezien. Het ging toen beter met patiënte. Zij had wel last van een oogontsteking waarvoor verweerster oogdruppels voorschreef.
Op 23 juli 2009 kwamen verweerster en klager elkaar tegen toen klager patiënte bezocht. Klager gaf aan dat patiënte vaak geprikt werd waardoor zij veel pijn leed. Hij wilde dat dit zou stoppen. Verweerster heeft verteld dat het prikbeleid door de trombosedienst was ingesteld in verband met een eerdere longembolie. Klager gaf aan de risico’s te accepteren en besloten werd om niet langer te prikken en de antistolling te stoppen. Over hoe dit gesprek verder is verlopen verschillen partijen van mening.
Patiënte werd op 27 juli 2009 door een collega van verweerster gezien en op 3 augustus 2009 door verweerster. Patiënte gaf pijn in de buik aan; zij had zeven dagen geen ontlasting gehad. Verweerster heeft patiënte onderzocht en besloot een klysma te plaatsen. Op 4 augustus 2009 werd in het dossier genoteerd dat er goed resultaat was geweest op de klysma.
In de periode van medio augustus tot begin september 2009 is patiënte meerdere malen door een collega van verweerster gezien in verband met klachten van buikpijn en weinig eetlust. Op 4 september 2009 is er een telefonisch gesprek geweest met klager. De collega van verweerster heeft genoteerd dat klager de goede bedoelingen waardeerde maar dat hij niets zag in de voorgestelde acties om, zoals hij het zag, het leven te verlengen.
Afgesproken werd kleine porties eten aan te bieden met extra jus en dat er geen verdere acties zoals gewicht controles, eetdagboek of voedingssupplementen zouden worden gedaan.
Op 7 september 2009 zag verweerster patiënte in verband met sufheid en verwardheid, slechte intake en matige stoelgang. Verweerster heeft na overleg met collega’s contact opgenomen met de IGZ om te bezien hoe zij moest omgaan met de wens van klager om niet verder te behandelen en zijn weigering toestemming te geven voor het opvragen van medische informatie. De IGZ gaf aan dat verweerster de medische gegevens mocht opvragen. Verweerster heeft vervolgens van de voormalig huisartsenpraktijk en van de destijds behandelend chirurg/oncoloog medische gegevens gekregen. Verweerster heeft hierna een beleid ingesteld (onder meer eetdagboek, urinecontrole, lab en defecatie lijst bijhouden) waarbij zij noteerde dat dit was in het kader van zorg voor kwaliteit van leven, conform afspraken met klager.
In september 2009 begon patiënte probleemgedrag te vertonen. Een huisarts in opleiding werkzaam onder supervisie van verweerster heeft dit gedrag volgens een daarvoor geldend protocol in kaart gebracht. Verweerster heeft vervolgens de psycholoog om advies gevraagd.
Toen het probleemgedrag aanhield heeft verweerster op 15 oktober 2009 telefonisch contact opgenomen met klager. Zij heeft hem geïnformeerd over de situatie van patiënte en uitgelegd waardoor haar gedrag verklaard zou kunnen worden. Zij heeft meegedeeld dat de psycholoog was gevraagd om omgangsadviezen op te stellen voor de verzorging en om een eventuele depressie vast te stellen. Klager was hierover ontstemd, hij was het niet eens met het opnieuw opstarten van de vochtlijst. Hij wilde vooraf geïnformeerd worden en achtte het inschakelen van een psycholoog niet zinvol. Verweerster heeft aangegeven dat een adequate omgang met patiënte van groot belang was in verband met de bij haar bestaande angst, agressie en verdriet.
Op 9 november 2009 werd patiënte gezien door een collega van verweerster in verband met een recidief trombosebeen. In overleg met klager is toen afgesproken om antistolling toe te dienen en het been te zwachtelen. Op 16 november 2009 heeft verweerster patiënte gezien. Het eten en drinken ging wisselend, de defecatie was redelijk, mictie geen bijzonderheden en de stemming was wisselend.
Op 23 november 2009 zag verweerster klaagster opnieuw. Patiënte had een grote blauwe pijnlijke plek op het rechter bovenbeen van ongeveer 15 cm doorsnee. Er was bij verweerster geen trauma bekend. Verweerster heeft overleg gehad met de trombosedienst. Besloten werd het been te zwachtelen. Als pijnbestrijding werd paracetamol voorgeschreven. In het dossier staat vermeld: familie informeren. Verweerster heeft ter zitting toegelicht dat het gebruikelijk is dat de eerst verantwoordelijk verpleegkundige (EVV’r) de familie informeert. In bijzondere gevallen doet de arts dat zelf. Niet bekend is wie dat toen gedaan heeft.
Op 26 november 2009 heeft verweerster het haematoom gecontroleerd. Patiënte had veel pijn bij het aanraken terwijl er sprake was van minder spanning. De paracetamol werd gecontinueerd en de fysiotherapeut werd geconsulteerd in verband met het verplaatsen van bed naar rolstoel. Verweerster noteerde verder in het dossier dat voor het geval de wond zou opengaan deze afgedekt zou moeten worden met klinitule, waarbij een arts moest worden geconsulteerd om de wond te beoordelen.
Op 3 december 2009 is patiënte gezien door de verpleegkundig specialist belast met wondbehandeling. Deze heeft met klager besproken dat er de volgende dag verder overleg zou zijn waarna beleid zou worden ingesteld.
Op 4 december 2009 is patiënte door een collega van verweerster ingestuurd naar het ziekenhuis, waar zij is geopereerd. Op 9 december 2009 kwam patiënte weer terug in het verpleeghuis.
Op 15 december 2009 zag verweerster patiënte in verband met plekjes op haar stuit en heeft verweerster genoteerd dat de ergotherapeut en de diëtist zouden moeten worden geconsulteerd. In verband met een rood oog heeft verweerster aangegeven dat dit met water zou moeten worden gespoeld. Op 17 december 2009 constateerde verweerster dat het plekje op de slaap was opengegaan. Zij heeft toen een vet gaasje aangebracht.
Blijkens het dossier zijn er op 28 en 29 december 2009 controles geweest door verweerster van de wond aan het been. Er is toen overleg geweest met de wondconsulente van het ziekenhuis.
Op 4 januari 2010 heeft verweerster de wond aan het been gecontroleerd en het plekje op de slaap bekeken. Zij noteerde te zullen overleggen met de dermatoloog voor een eventuele foto. Tevens noteerde zij dat patiënte zelf geen verder onderzoek wenste. Op 18 januari 2010 was er wederom een visite en een zogenoemde papieren visite. De wond herstelde goed en het beleid werd doorgezet.Op 25 januari 2010 heeft verweerster de wond aan het been opnieuw gecontroleerd en er vond telefonisch overleg plaats met de dermatoloog over het plekje op de slaap. Verweerster heeft telefonisch contact opgenomen met klager. Deze weigerde met verweerster te spreken. Verweerster heeft toen gekozen voor een behandeling met zalf. Zij heeft dit met patiënte overlegd en die vond dat een goed idee.
Op 4 februari 2010 zag verweerster patiënte in verband met pijn in de buik en obstipatieklachten. Zij heeft telefonisch contact gezocht met klager om te overleggen. Klager gaf aan een andere arts te willen en weigerde met verweerster te praten. Verweerster heeft overleg gehad met de MDL-arts uit het ziekenhuis. Gelet op de wens van klager om ziekenhuisopname te voorkomen werd eerst een beleid van laxeren en pijnbestrijding ingesteld. Toen dit geen resultaat opleverde en patiënte veel pijn had, heeft verweerster wederom overlegd met de MDL-arts. Deze adviseerde patiënte in te sturen met als doel verdere diagnostiek. De teamleider heeft klager hierover geïnformeerd. Klager gaf aan patiënte zelf naar G te willen brengen. Omdat verweerster dat – mede in verband met het gevorderde tijdstip – niet verantwoord achtte, heeft zij patiënt per ambulance naar het ziekenhuis in D ingestuurd. In het ziekenhuis werden geen aanwijzingen gevonden voor darmobstructie ten gevolge van een tumor.
Verweerster heeft klager op 7 februari 2010 een brief gestuurd waarin zij heeft aangegeven welk beleid was ingesteld naar aanleiding van het plekje op de slaap en de buikpijnklachten. Klager heeft op deze brief gereageerd bij brief van 11 februari 2010.
Op 8 en 22 februari 2010 heeft verweerster patiënte geëvalueerd.
Naar aanleiding van de brief van klager van 11 februari 2010 heeft verweerster klager een brief gestuurd waarin zij hem uitnodigde voor een gesprek. Klager heeft op deze brief gereageerd bij brief van 9 maart 2010. Tot een gesprek is het niet gekomen.
Op 15 maart 2010 heeft verweerster het plekje op de slaap geëvalueerd. Zij heeft overleg gehad met de dermatoloog die adviseerde om het plekje te behandelen met mesitran en af te dekken met een gaasje. Op 22 maart 2010 heeft verweerster het plekje op de slaap opnieuw geëvalueerd. Er was sprake van achteruitgang. Diezelfde dag vond een papieren visite plaats waarbij de gezondheidstoestand van patiënte in beeld werd gebracht. Het plekje aan de slaap werd bekeken door een dermatoloog die als consulent verbonden was aan het verpleeghuis. Hij adviseerde cryotherapie toe te passen. Blijkens het dossier is dit met patiënte besproken en stemde zij hiermee in. Klager werd hierover schriftelijk geïnformeerd.
Op 29 maart 2010 heeft verweerster de plekjes op de stuit gecontroleerd. Op 31 maart 2010 heeft de afspraak bij de dermatoloog plaatsgevonden waarbij een biopt is genomen en patiënte met cryotherapie is behandeld. Op 1, 6, 12 en 26 april 2010 heeft verweerster patiënte gezien waarbij zij met name aandacht heeft besteed aan het wondje op de slaap en de verzorging daarvan. In mei 2010 is patiënte gezien door collega’s van verweerster waarbij de voornaamste klacht de ontwikkeling van doorligplekken was. Op 24 juni 2010 heeft een multidisciplinair overleg plaatsgevonden. Daaruit kwam naar voren dat de kwaliteit van leven voorop diende te staan. Op 28 juni 2010 vond opnieuw een papieren visite plaats.
Op 2 augustus 2010 zag verweerster patiënte weer. Zij noteerde dat het klinisch goed ging met patiënte, eten en drinken gingen redelijk en de stemming was opgewekt. In augustus 2010 is patiënte verder gezien door collega’s van verweerster. Er was met name aandacht voor doorligplekken.
Op 13 september 2010 heeft verweerster geadviseerd de decubitusmatras te verwijderen. Zij noteerde dat bij verandering de arts gecontacteerd moest worden.
Op 14 september 2010 heeft verweerster een haematoom op het rechteronderbeen behandeld met absorberend verband en tubigrip ter bescherming.
Op 16 en 27 september 2010 heeft verweerster de doorligplekken gecontroleerd.
Op 29 september 2010 werd in het dossier genoteerd dat patiënte kortademig was bij hartfalen of pneumonie. De volgende dag heeft verweerster de dyspnoe geëvalueerd. Verweerster heeft onder meer genoteerd dat patiënte zelf aangaf dat “de koek op is”. Ook werd in het dossier vermeld dat men gericht is op comfort en welbevinden, en verder: geen levensverlenging conform wens patiënte en familie. Bij benauwdheid moest er overleg zijn met de dienstdoende arts over starten met morfine in overleg met klager.
Op 4 oktober 2010 heeft verweerster de algehele gezondheidstoestand van patiënte geëvalueerd. Zij heeft onder andere genoteerd dat patiënte objectief niet benauwd was en dat men dat moet blijven observeren. Op 7 oktober 2010 werd de beenwond geëvalueerd door verweerster. Verweerdster noteerde ook dat het er in het algemeen een zeer slechte huidturgor was en dat patiënte extreem was vermagerd bij een zeer slechte intake. Het weigeren van eten en drinken werd geaccepteerd en gerespecteerd, aldus de notitie in het dossier. Op 8 oktober 2010 werd patiënte gezien door een collega van verweerster. In verband met de pijnklachten werd in overleg met klager gestart met morfine.
Op 11 oktober 2010 vond opnieuw een evaluatie plaats door verweerster. Patiënte had veel pijnklachten en het ging slechter met haar. Als conclusie werd genoteerd: terminale fase bij dehydratie en slechte voedingstoestand, slikstoornissen en vasculaire dementie. Er werd besloten om morfine subcutaan toe te dienen. Klager werd hiervan op de hoogte gesteld. Op 13 en 14 oktober 2010 is patiënte gezien door een collega van verweerster. Er was sprake van verdere achteruitgang en in het kader van pijnbestrijding werd de morfine opgehoogd. Op 16 oktober 2010 in de ochtend is patiënte overleden.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager verwijt verweerster -zakelijk weergegeven- het volgende.
- het stellen van onjuiste diagnoses;
- het meermaals onterecht insturen naar het ziekenhuis;
- het niet op de hoogte zijn van behandeling en controle betreffende het bloedbeeld;
- het toestaan van onjuist gebruik van hefinrichtingen met fatale gevolgen;
- het niet naleven van de op papier gestelde behandelingswensen;
- het negeren van het recht op inspraak en vertegenwoordiging;
- het niet vooraf en achteraf op de hoogte brengen van behandelingen;
- het niet accepteren dat zij geen behandelend arts meer zal zijn.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER
Verweerster voert -zakelijk weergegeven- aan zij het betreurt dat klager de behandeling van zijn moeder heeft ervaren zoals in het klaagschrift omschreven. Zij meent echter dat zij, voor zover zij bij de geneeskundige behandeling van patiënte betrokken is geweest, de vereiste zorg heeft betracht. Voor zover nodig zal hierna verder op het verweer worden ingegaan.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Ten aanzien van de eerste twee klachtonderdelen merkt het college allereerst op dat klager ook desgevraagd ter zitting niet heel concreet heeft kunnen aangeven om welke diagnoses en insturingen het precies gaat. Uit het medisch dossier blijkt naar het oordeel van het college dat verweerster de klachten van patiënte en haar algemene gezondheidstoestand keer op keer zorgvuldig heeft bekeken en daarop zo nodig actie heeft ondernomen. Niet gebleken is dat er sprake is geweest van onjuiste diagnoses. De enkele omstandigheid dat in februari 2010 in het ziekenhuis werd geconstateerd dat er geen aanwijzingen waren voor obstructie ten gevolge van een tumor, maakt niet dat verweerster een verkeerde diagnose daaromtrent heeft gesteld, dan wel patiënte onterecht heeft ingestuurd. Zij heeft naar aanleiding van de buikpijnklachten van patiënte zorgvuldig gehandeld door contact op te nemen met een MDL-arts, gelet op de mogelijkheid van een recidief tumor. Op grond van de bevindingen uit het ziekenhuis kon zij een beleid uitstippelen gericht op de kwaliteit van leven. Ook de verwijzing naar de dermatoloog is niet ten onrechte geweest. Dit is geschied op advies van de dermatoloog en in het kader van kwaliteit van leven nu patiënte last had van het plekje.
De overige insturingen zijn niet door verweerster zelf gedaan. Voor zover zij daar als hoofdbehandelaar verantwoordelijk voor zou zijn, is het college van oordeel dat uit het dossier afdoende blijkt dat niet gesteld kan worden dat deze insturingen onterecht zijn geweest. Deze klachtonderdelen slagen dan ook niet.
5.3
Het college begrijpt dat bij klager kennelijk als gevolg van het gesprek op 23 juli 2009 met verweerster de mening heeft postgevat dat zij niet op de hoogte was van het veelvuldige prikken van patiënte voor controle van het bloedbeeld. Verweerster heeft blijkens haar aantekening in het dossier ook destijds aan klager aangegeven dat dit prikbeleid door de trombosedienst was ingesteld in verband met een eerdere (long)embolie. Bij gebruik van antistolling controleert de trombosedienst en spreekt deze de dosering af. Dit wil niet zeggen dat verweerster hiervan niet op de hoogte was. Ook het derde klachtonderdeel faalt.
5.4
Met verweerster is het college van oordeel dat verweerster geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van onjuist gebruik van hefinrichtingen. Uit de verpleegkundige rapportage blijkt dat wanneer er problemen waren deze werden ondervangen door andere manieren van tillen en verplaatsen van patiënte. Niet is gebleken dat er dusdanige problemen waren dat dit verweerster regardeerde in die zin dat zij moest ingrijpen. Het vierde klachtonderdeel slaagt evenmin.
5.5
Met betrekking tot het vijfde t/m achtste klachtonderdeel overweegt het college vooraf dat die onderdelen blijkbaar zijn ingegeven doordat klager er niet op vertrouwde dat verweerster zich bij de behandeling zou richten naar de wensen van patiënte zoals hij die als haar vertegenwoordiger verwoordde. Het college slaat bij de beoordeling van deze klachtonderdelen acht op de bepalingen van de Wet inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), neergelegd in Afdeling 5 van Titel 7 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Meer in het bijzonder heeft het college het oog op artikel 7:465, leden 3 t/m 5 BW. Daarin is – kort weergegeven – bepaald dat de hulpverlener (verweerster) de verplichtingen die uit Afdeling 5 voortvloeien jegens de patiënt moet nakomen jegens de vertegenwoordiger (klager als zoon van patiënte), tenzij die nakoming niet verenigbaar is met de zorg van een goed hulpverlener. De vertegenwoordiger (klager) moet de zorg betrachten van een goed vertegenwoordiger. Ingevolge artikel 7:452 BW moet de patiënt de hulpverlener naar beste weten de inlichtingen en de medewerking geven die deze redelijkerwijs voor het uitvoeren van de overeenkomst behoeft. Naar het oordeel van het college volgt uit die bepalingen dat verweerster de behandeling van patiënte in overleg met en waar nodig met toestemming van klager vorm moest geven, maar niet dat zij willoos aan klagers wensen – zoals hij die namens patiënte verwoordde – gevolg moest geven. Een goed vertegenwoordiger behoort zich open te stellen voor overleg met de hulpverlener. Van situatie tot situatie had verweerster te toetsen of de nakoming van klagers wensen – zoals hij die namens patiënte verwoordde – verenigbaar was met haar zorg als goed hulpverlener. Hierbij past dat verweerster pogingen in het werk stelde om tot overleg te komen met klager over de wijze van behandelen van patiënte en dat zij in dat verband een beroep deed op klager om
– als goed vertegenwoordiger – toestemming te geven voor het opvragen van medische gegevens bij voorgaande hulpverleners. Uit het medisch dossier blijkt dat klager in overleg met andere artsen wel toestemming heeft gegeven voor voorgestelde behandelingen van patiënte maar niet aan verweerster, ook omdat klager – zoveel staat vast – niet met haar heeft overlegd. Hierna zal het college uitgaande van deze overwegingen de resterende klachtonderdelen bespreken en daarbij, waar nodig, betrekken of verweerster een verwijt treft ter zake het gebrek aan vertrouwen van klager.
5.6
Ter zitting heeft klager ter toelichting van het vijfde klachtonderdeel gesteld dat verweerster zich niet gehouden heeft aan de behandelingswensen, omdat patiënte ten onrechte werd ingestuurd, zij werd gewogen, zij extra voeding kreeg etc. Patiënte wilde dat allemaal helemaal niet. Dat was ook besproken in de intake, aldus klager.
Verweerster heeft verklaard dat zij na de intake door een collega als hoofdbehandelaar patiënte heeft gezien en onderzocht. Naar aanleiding daarvan heeft zij klager telefonisch uitgenodigd voor een familiegesprek, hetgeen gebruikelijk is. Klager heeft een dergelijk gesprek echter geweigerd. Omdat verweerster de verstandhouding niet meteen op scherp wilde zetten heeft zij van dit gesprek geen aantekening gemaakt in het medisch dossier. Klager ontkent dat hij door verweerster zou zijn gebeld.
Het college kan niet vaststellen of dit telefoongesprek wel of niet heeft plaatsgevonden. Vast staat wel dat verweerster haar bevindingen niet met klager heeft kunnen bespreken.
Verweerster heeft ter zitting verklaard dat patiënte bij opname niet terminaal was. Zij verkeerde in een goede voedingstoestand, er waren geen actuele lichamelijke problemen bekend, zij was rolstoel gebonden en haar psychische gesteldheid en gedrag waren wisselend.
Zij kon gelet op haar dementie zelf haar behandelwensen moeilijk verwoorden. Er was sprake van een patiënte met een dementieel syndroom in haar laatste levensfase. Uitgangspunt is dan de kwaliteit van leven en niet de duur van leven. De controle van gewicht en het aanbieden van extra voeding wordt in het verpleeghuis van verweerster in dit kader wenselijk geacht. Zo kan bijvoorbeeld gekeken worden wat patiënten wel of niet lekker vinden en kan voorkomen worden dat patiënten onnodig lichamelijk verzwakken. Het college is van oordeel dat een dergelijk beleid te rechtvaardigen valt uit een oogpunt van goed hulpverlenerschap, ook al is dit beleid niet in overleg met klager tot stand gekomen.
Klager heeft ter zitting aangegeven dat hij van de behandelaars in het ziekenhuis had begrepen dat patiënte na de behandeling van haar darmkanker in 2007 terminaal was. Het college kan zich niet aan de indruk onttrekken dat daardoor bij klager een verkeerd beeld is ontstaan en er daardoor andere verwachtingen bij hem leefden.
In het dossier heeft het college geen aanwijzingen gevonden die erop duiden dat verweerster zich niet heeft gehouden aan het uitgangspunt dat er symptomatisch behandeld zou worden en dat kwaliteit van leven bij de behandeling voorop zou moeten staan.
Dit klachtonderdeel kan dan ook niet slagen.
5.7
Het college zal de klachtonderdelen 6 en 7 gezamenlijk bespreken. Klager heeft zowel in de stukken als ter zitting aangegeven dat verweerster in het gesprek van 23 juli 2009 hem zou hebben gezegd dat zij de behandelaar was en dat zij zich niets van hem zou aantrekken. Hiermee zou zij het recht op inspraak en vertegenwoordiging van klager hebben genegeerd.
Verweerster ontkent dit gezegd te hebben en herkent zich hier niet in. Nu er sprake is van het woord van de een tegenover het woord van de ander kan het college niet vaststellen wat er precies gezegd is, waardoor verweerster op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Voor zover klager stelt dat verweerster ook anderszins zijn recht op inspraak en vertegenwoordiging heeft geschonden en hem onvoldoende op de hoogte heeft gesteld van behandelingen stelt het college vast dat uit het dossier blijkt dat verweerster haar best heeft gedaan om klager over de behandeling te informeren en hem daarbij te betrekken. Uit verschillende notities blijkt dat er overleg is geweest met klager over patiënte. In de gevallen waarin klager niet instemde met het beleid, zoals bij het opvragen van medische gegevens en de insturing naar het ziekenhuis in februari 2010, heeft verweerster zorgvuldig gehandeld door overleg te voeren met collega’s, dan wel de regiomanager en de IGZ. Verweerster heeft daarbij naar het oordeel van het college vanuit het belang van een goede behandeling van patiënte kunnen handelen zoals zij gehandeld heeft.
Ook deze klachtonderdelen falen.
5.8
Klager heeft verweerster meerdere malen laten weten haar niet langer als behandelend arts van patiënte te willen. Ter zitting heeft verweerster uiteengezet dat dit is besproken in het artsenteam en dat het team zich op het standpunt stelde dat verweerster het best de behandelend arts kon zijn en blijven. Het management heeft uiteindelijk besloten dat niet tegemoet zou worden gekomen aan de wens van klager om van arts te wisselen.
Los van deze beslissing van het management is het college van oordeel dat verweerster hierin ook een eigen professionele verantwoordelijkheid heeft. Verweerster heeft ter zitting aangegeven deze verantwoordelijkheid ook te hebben genomen. Zij heeft toegelicht dat klager een mannelijke arts wilde voor patiënte. De enige mannelijke arts in het verpleeghuis had echter weinig affiniteit met psychogeriatrie zodat dit niet wenselijk werd geacht. Voorts was patiënte al op meerdere plekken geweest en was zij net op de deze afdeling gewend en achtte verweerster het niet in het belang van patiënte om weer te veranderen van afdeling of van arts. Daarbij heeft verweerster ter zitting verteld dat patiënte geen moeite met haar als behandelend arts had en dat zij zelf een “klik” voelde met patiënte.
Het college wijst erop dat in het algemeen geldt dat een patiënt – anders dan de hulpverlener – de behandelingsovereenkomst te allen tijde kan opzeggen (art. 7:408, lid 1, BW). Daaruit volgt dat verweerster de wens van klager als vertegenwoordiger van patiënte dat zij niet meer de arts van patiënte zou zijn in beginsel diende te honoreren. Verweerster heeft er echter voor gekozen om in het belang van patiënte toch de behandelend arts te blijven omdat er feitelijk geen beter alternatief was. Het college kan dit besluit gelet op de geschetste omstandigheden en motivering billijken. Van belang hierbij is dat verweerster geen probleem had met patiënte maar dat de communicatie met klager als vertegenwoordiger niet goed verliep. In een dergelijk geval mag verweerster als behandelend arts de wil van de vertegenwoordiger passeren indien deze naar haar oordeel niet handelt als een goed vertegenwoordiger en zij niet kan handelen als goed hulpverlener. Gelet op hetgeen hiervoor bij de andere klachtonderdelen is overwogen is het college van oordeel dat ondanks de moeizame relatie met klager niet is gebleken dat de behandeling van patiënte daaronder heeft geleden. Voorts acht het college van belang dat verweerster steeds heeft geprobeerd, ondanks de houding van klager, met hem in contact te blijven en hem op de hoogte te houden van en te betrekken bij de behandeling van patiënte.
Ook dit laatste klachtonderdeel kan niet slagen.
5.9
Gelet op het voorgaande dient de klacht ongegrond te worden verklaard.
6. DE BESLISSING
Het college wijst de klacht af.
Aldus gedaan in raadkamer door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, prof. mr. J.C.J. Dute, lid-jurist, en M.J.T. Tijkotte, G.W.A. Diehl en dr. P.J. Wahab, leden-geneeskundigen, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Dijkman, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2013 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.