ECLI:NL:TGZRZWO:2013:16 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 056-2013

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2013:16
Datum uitspraak: 13-08-2013
Datum publicatie: 13-08-2013
Zaaknummer(s): 056-2013
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen arts kennelijk ongegrond. De overwegingen in de geneeskundige verklaring over de geestesstoornis en het gevaar kunnen de conclusie, dat klaagster gedwongen diende te worden opgenomen, dragen.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 13 augustus 2013 naar aanleiding van de op 6 februari 2013  bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B,

k l a g e r

-tegen-

C , arts, destijds werkzaam te B,

v e r w e e r s t e r

1.      HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van:

-       het klaagschrift;

-       het verweerschrift met de bijlagen;

Partijen hebben afgezien van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

2.      DE FEITEN

Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klager klaagt over de behandeling van zijn echtgenote D verder patiënte te noemen, die de klacht mee heeft ondertekend.

Patiënte was opgenomen op de open crisisafdeling van E. Verweerster was haar behandelaar en zij hadden wekelijks gesprekken. In januari 2013 werd patiënte uitgeschreven omdat het niet meer lukte om met haar in contact te komen.

Op 10 januari 2013 werd patiënte met een IBS opgenomen op de gesloten opnameafdeling. De IBS werd door een andere GGZ instelling uitgeschreven. Om patiënte zo goed mogelijk te begeleiden werd verweerster als voormalig behandelaar van patiënte meermaals geconsulteerd voor advies rondom behandeling en bejegening. De IBS werd niet voorgezet vanwege een vormfout. Op verzoek van de  behandelend psychiater heeft verweerster met patiënt gesproken om te bezien of patiënte gelet op de ernst van de situatie vrijwillig zou willen blijven. In overleg is toen besloten dat de opname op vrijwillige basis werd voortgezet. Op 12 januari 2013 gaf patiënte aan dat ze met ontslag wilde.

De dienstdoend arts heeft hierover onder meer het volgende genoteerd:

Vpk belt, patiënte wil met ontslag. Patiënte daarop gezien, echtgenoot( in scootmobiel) is aanwezig bij gesprek. Patiënte bekend met depressieve st gedeeltelijk in remissie en relatieproblematiek ( …)

(…) echtgenoot geeft aan dat het nu eigenlijk een verlof vraag betreft en dat patiënte maandag na de rechter wel weer terug kan komen naar de afdeling , echter, geeft halverwege de zin ook aan dat dit een leugentje betreft omdat hij weet dat patiënte niet terug zal willen (…)

B/ Patiënte gaat tegen advies in met ontslag en accepteert dat er nu geen nazorg geleverd kan worden. Er werd een vooraanmelding gedaan bij de CRD (…)

Op 15 januari 2013 werd verweerster, als waarnemer van de behandelaar van patiënte, gebeld door een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming die zich zorgen maakte om patiënte. Verweerster heeft hierop een melding gedaan bij de crisisdienst van GGnet met het verzoek patiënte thuis te beoordelen. Patiënte werd overdag niet thuis aangetroffen en zodoende zag verweerster, die die avond zelf dienst had, patiënte samen met de psychiater van dienst. Samen kwamen zij tot de conclusie dat patiënte een gevaar voor zichzelf en haar omgeving was. Omdat patiënte niet vrijwillig wilde worden opgenomen is er een IBS uitgeschreven.

3.      HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Klager verwijt verweerster -zakelijk weergegeven- dat zij gezegd heeft dat patiënte tegen het advies in met ontslag is gegaan terwijl dit niet zo is. De gezondheid van patiënte heeft hierdoor schade opgelopen en zij lijdt geestelijk zwaar.

4.      HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER

Verweerster voert -zakelijk weergegeven- aan dat zij zorgvuldig heeft gehandeld jegens patiënte en  klager, conform haar plichten als arts.

5.      DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1               

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Bij de beoordeling van de klacht is het college uitgegaan van de onder rubriek 2 van deze uitspraak als vaststaand aangenomen feiten.

5.3

Uitgaande van die feiten en rekening houdend met het in 5.1 genoemde toetsingscriterium is het college tot de slotsom gekomen, dat de klacht als kennelijk ongegrond moet worden afgewezen. Daartoe heeft het college zich in grote lijnen kunnen verenigen met hetgeen verweerster in haar verweerschrift heeft aangevoerd.

5.4

Het college heeft geen aanwijzingen dat de zorg die verweerster aan patiënte heeft verleend de toetsing aan bovengenoemd criterium niet doorstaat. De overwegingen in de geneeskundige verklaring over de geestesstoornis en het gevaar kunnen de conclusie, dat klaagster gedwongen diende te worden opgenomen, dragen. Er zij nog op gewezen dat verweerster indertijd in opleiding was en werd gesuperviseerd door een, bij het onderzoek aanwezige, psychiater. Ook overigens is niet gebleken dat verweerster onzorgvuldig heeft gehandeld. Klager stelt dat verweerster ten onrechte heeft gezegd dat patiënte op 12 januari 2013 tegen het advies in met ontslag is gegaan. In de notitie van de dienstdoende arts van 12 januari staat echter vermeld dat patiënte tegen het advies in met ontslag gaat en verweerster heeft hier van uit mogen gaan.

De klacht dient daarom als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.

6.      DE BESLISSING

Het college wijst de klacht af

Aldus gedaan in raadkamer door mr. A.L. Smit, voorzitter, en  R.J. Verkes en T.S. van der Veer, leden-geneeskundigen, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Dijkman, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2013 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.                                                                                                   

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.