ECLI:NL:TGZRZWO:2013:15 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 319-2012

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2013:15
Datum uitspraak: 09-08-2013
Datum publicatie: 09-08-2013
Zaaknummer(s): 319-2012
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie:   Essentie: klacht tegen psychiater kennelijk ongegrond. Niet gebleken is dat onvoldoende zorg werd geboden. Reeds eerder was wilsonbekwaamheid van patiënt vastgesteld. Het opstarten van een procedure tot onder curatelestelling was gerechtvaardigd.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 9 augustus 2013 naar aanleiding van de op 13 september 2012 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam ingekomen en naar het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle doorgezonden klacht van

A , wonende te B,

bijgestaan door C, wonende te B,

k l a g e r

-tegen-

D , arts, werkzaam te B,

bijgestaan door  mr. W.R. Kastelein, advocaat te Utrecht,

v e r w e e r s t e r

1.      HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van:

-       het klaagschrift met de bijlage;

-       het aanvullende klaagschrift;

-       het verweerschrift met de bijlagen;

-       de repliek;

-       de dupliek;

-       de brieven van klager van 21 maart 2013 en 8 april 2013;

Partijen hebben afgezien van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

2.      DE FEITEN

Op grond van de stukken waaronder het medisch dossier dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klager, geboren 14 april 1955, werd  in oktober 2011 beoordeeld door een niet behandelend psychiater met het oog op het verkrijgen van een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen op verzoek van klagers huisarts.

Klager werd vervolgens met een inbewaringstelling (IBS) opgenomen in psychiatrisch ziekenhuis E te B. Klager was bij opname 57 jaar oud en na een in 2006 doorgemaakt CVA met vasculaire schade en cognitieve stoornissen, sterk verminderd zelfredzaam.

Verweerster is sinds 1 februari 2012 werkzaam als arts niet in opleiding, onder supervisie van de verantwoordelijk psychiater, in E te B.

In de maanden oktober, november en december 2011 is er herhaaldelijk gesproken met klager en/of zijn echtgenote. Deze contacten zijn weergegeven in de decursus psychiatrie aantekeningen, zoals door verweerster zijn overgelegd.

In deze contacten is frequent gesproken over de verzoeken van klagers echtgenote tot verlof van klager en het beleid van E daarover. Terugkerend onderwerp in de contacten tussen E en de echtgenote van klager is het verzoek van de echtgenote om klager weer mee naar huis te mogen nemen.

Op 13 februari 2012 heeft verweerster met de echtgenote van klager gesproken en daaromtrent het volgende opgenomen in de decursus psychiatrie aantekeningen:

Gesprek met echtgenote, huisvriend, vp PvM en later ook pt. Gesprek omdat ete pt mee naar huis wil nemen. Gezien pt toestand is een verpleeghuisplek geindiceerd. De RM loopt binnenkort af.

Benoemd dat pt zware zorg nodig heeft en dat dit thuis niet haalbaar is. Pt is het beste op zijn plaats in een verpleeghuis waar ze hem voldoende goede somatische zorg kunnen bieden.

Ete geeft aan dat ze wil dat hij naar huis gaat omdat ze de laatste jaren voor hem gezorgd heeft en dat zij dat nu nog steeds wil en kan. Zij geeft aan dat zij thuiszorg heeft geregeld en dat zij samen met deze thuiszorg voldoende zorg aan haar man kan bieden. Ook na specifiek de zorgbehoefte van haar man punt voor punt te benoemen, blijft ze bij haar standpunt.

In een eerder gesprek had pt aangegeven wel naar F  te willen. Hij bevestigde dit in het gesprek met ons. Uiteindelijk gaat ete akkoord met plaatsing in F voor 6 maanden. Wij hebben benoemd dat de garantie van 6 maanden NIET kan worden gegeven omdat het gaat om een blijvende plek. Mw geeft aan dat hij in die tijd zoveel zal opknappen dat ze hem dan alsnog mee naar huis kan nemen. Haar erop gewezen dat deze gedachte onrealistisch is. Zij houdt vast aan de termijn van 6 maanden en gaat akkoord met plaatsing van pt op de wachtlijst van F. Dit zo gelaten omdat dit naar ons idee het maximaal haalbare is op dit moment. Huisvriend staat achter onze inzichten en kan wellicht nog enige invloed uitoefenen. Voor nu zo gelaten.

B/-Wachtlijst F is geregeld

- Overleg C Be en evt verpleeghuisarts of een herbeoordeling na 6 maanden tot de mogelijkheden behoort of dat we moeten hopen dat zij in 6 maanden van gedachten zal veranderen en dan alsnog akkoord gaat met pertinent verblijf in F.”

Op 30 maart 2012 noteerde verweerster:

“Gesprek met meneer en ete

Ete heeft twee vragen: wil ene verwijzing naar de neuroloog voor pt, is veel duizelig. Bij navraag zou dit voor het laatst 2 weken geleden zijn. Afgesproken de duizeligheid te observeren en te kijken of het bijv samenhangt met de bloedsuikers. Nu geen reden voor verwijzing.

B/ observeren duizeligheid.

Mw vraagt waarom pt niet met haar mee naar huis kan. Nogmaals uitgelegd dat de zorg te zwaar is, dat zij dit thuis niet aan kan. Ete ontkent dit eerst en vraagt haar man om zijn mening. Hij geeft aan dat hij wel naar huis zou willen maar dat dit niet kan. Ete gaat hier ook mee akkoord, blijft echter van een tijdelijks opname in F uitgaan ondanks eerdere uitleg hierover. VPH arts is hiervan op de hoogte.

Mw vraagt om fysio voor har man, hebben we hier niet.

B/ Kijken of PMT iets kan betekenen voor meneer.”

Op 12 april 2012 noteerde verweerster:

“Gesprek ete tav wens pt mee ne nemen.

Besproken of dit nu wel verstandig is. Mw heeft tijd nodig voor zichzelf en haar et heeft teveel zorg nodig. Kan hier beter blijven in afwachting van F. Mw is Vrij snel te corrigeren hierin, zegt dat we gelijk hebben, ze moet ook zichzelf denken. Vraagt of hij mee mag naar de retraite. Gezegd dat ze beter heerlijk alleen kan gaan, wij zorgen voor A. Gaat akkoord. Afgesproken elkaar iedere 3 weken te spreken, zij maakt afspraak hiervoor.

NB nog bespreken in BOPZ hoe te handelen als zij meneer wel echt wil meenemen. Opties:

1. Nieuwe RM aanvragen

2. Pt wilsonbekwaam verklaren en vervangende zeggenschap over hem, (dus mw ook wilsonbekwaam laten verklaren?)

3. Laten gebeuren en als het mis gaat weer RM aanvragen.”

Op 12 april 2012 noteerde verweerster:

“Aan HA teruggekoppelde hoe stand van zaken is. Dat ete meneer mee naar huis wil hebben en dat overleg over hoe te handelen volgt gezien het aflopen van de RM. HA benadrukt verwaarloosde toestand waarin meneer destijds werd aangetroffen. Zeer onwenselijk dat meneer thuis komt. Bekend bij ons, ik zal het terugkoppelen als meneer met ontslag gaat, wij proberen dit te voorkomen.”

Op 15 mei 2012 is in de decursus wettelijke aantekeningen opgenomen:

“2nd opinion toetsing wilsbekwaamheid KETAN

VraaGsteLLING:

Is dhr wilsbekwaam of niet?

De reden is dat op dit moment geen RM criteria zijn, echter zijn er wel problemen met het beleid van overplaatsing naar een Verpleeghuis. Ete ageert wisselend tegen deze overplaatsing en dreigt pt mee naar huis te nemen. In het verleden is gebleken dat zij deze zorg absoluut niet kan leveren, onder andere door haar eigen psychische gesteldheid (is zelf hier patiënt en bekend met zwakbegaafdheid en schizofrenie, waardoor oordeels en kritiekstoornissen). Betrokkene was bij opname ernstig verwaarloosd. De behandelaren vragen ten zeerste af of ete wettelijk vertegenwoordiger van betrokkene kan zijn. Door het vastleggen van de wilsonbekwaamheid van betrokkene. kan het traject van curatorschap worden ingezet met het oog op het plaatsen van meneer in de juiste verzorgingssetting, waarbij de wens van ete op dat gebied moeten passeren.

VoorWaarDeN:

Betrokkene is op dit moment vrijwillig opgenomen, de visus en gehoor functioneren binnen de normen om het onderzoek goed te laten plaats vinden. Betrokkene is goed bij bewustzijn. Betrokkene zit in een rolstoel, praat wel wat onduidelijk (ivm gebit?) maar met de hulp van de verpl kan betrokkene wel verstaanbaar gemaakt worden/geholpen worden in het verduidelijken in wat hij zegt. Echtgenote is niet gevraagd bij het gesprek aanwezig te zijn gezien de (bijzondere) omstandigheden.

BeLooP/ interview:

Info behandelaar:

Het betreft een 56 jarige gehuwde man met een cognitieve stoornis nao, die hier in deplorabele lichamelijk toestand is opgenomen, bij zijn vasculaire slechte status.

Betrokkene staat op de wachtlijst van F. Moet hier wel overbruggen gezien slechte thuissituatie. Betrokkene is wisselend in zijn uitspraken om wel of niet akkoord te gaan met plaatsing verpleeghuis/wel of niet mee naar huis met echtgenote en met ontslag. Betrokkene begrijpt niet alle informatie die met hem wordt besproken en kan daardoor geen keuze maken tussen verschillende mogelijkheden. Een en ander komt voort uit een gebrek aan overzicht, planning en organisatie waardoor graad IV van Appelbaum niet behaald word.

CoNCLusIeBeoorDeLINGWILsBeKWaaMHeID:

Nav onderzoek kom Ik tot de volgende conclusies:

a Kenbaar maken van een keuze

betrokkene kan mij in het gesprek geen duidelijke keuze beargumenteren. Hij accepteert vrijwel al het besluit wat door anderen gemaakt worden zonder dat hij hiervan begrijpt wat precies de bedoeling is en wat de gevolgen ervan kunnen zijn

b Begrijpen van relevante informatie

Het begrip van de informatie is zo zeer beperkt, zo kan betrokkene mij niet uitleggen waarvoor hij de medicatie gebruikt en wat zijn somatische beperkingen/ziekte zijn. Betrokkene lijkt verder ook niet goed te begrijpen waarom dit onderzoek plaats vindt.

c Beseffen en waarderen van de betekenis van de informatie voor de eigen situatie

Betrokkene is niet in staat om andere behandelopties te formuleren over de keuzes die er zijn gemaakt. Hij zegt dat het hem niet geheel helder is waarom de behandeling of opname is ingezet. Het belang van gezondheid of zelfs de situatie waarin er een verhoogd risico’s is wat tot de dood kan lijden lijkt wel een emotie van verdriet op te roepen maar verbaal is er een beperking om dit gevoel te beschrijven of te onderbouwen.

d Logisch redeneren en betrekken van de informatie in het overwegen van behandelopties.

Betrokkene is niet in staat om andere behandelopties te formuleren of eigen wensen aan te geven dan behalve naar huis te kunnen. Het besef dat de zorg thuis van zijn ete onvoldoende is gebleken uit de feiten uit het recente verleden, lijken hem niet tot hem door te dringen.

Dit alles bij elkaar genomen kan er geconcludeerd worden dat dhr niet in staat is tot het nemen van een beslissing.

Betrokkene is daarom WILSONBEKWAAM. De beslisvaardigheid zal daarbij niet verbeteren of herstellen gezien de lichamelijke toestand en cognitieve achteruitgang. Een tweede 2nd opinion zal daarom geen toegevoegde waarde geven. Betrokkene heeft geen contact met zijn familie, contactpersoon is zijn echtgenote die zelf in zorg is bij ons. Gezien de omstandigheden als beschreven hierboven heb ik er niet voor gekozen om echtgenote te spreken.”

 Op 30 mei 2012 noteerde verweerster:

“Er wordt curatorschap aangevraagd omdat er sterkte twijfels zijn of ete de belangen pt voldoende kan behartigen. Samenwerking met ete gaat moeizaam. Aanvraag curatorschap is in gang gezet.”

Op 31 mei 2012 vond een gesprek plaats tussen verweerster en de echtgenote van klager:

“Ete medegedeeld dat er curatorschap aangevraagd wordt. Mw zegt dat ze het onzin vindt, zij is toch zijn vrouw en kan voor hem beslissen. Uitgebreid uitgelegd dat in het verleden is gebleken dat A thuis de juiste zorg niet krijgt en dat wij als artsen de verantwoordelijk voor A hebben en daarom hebben besloten tot een curator, omdat A  zelf geen beslissingen kan nemen. Ze gaat even door het lint, maar kalmeert uiteindelijk.”

Op 13 juni 2012 werd in de decursus wettelijke aantekeningen het navolgende opgenomen:

“Overleg G (geneesheer directeur).

Vraag: We zitten in traject aanvraag curatorschap. Stel dat ete besluit pr niet meer terug te brengen naar E, kunnen we hem dan terughalen obv de beslissing tot het aanstellen van een zorgcurator??

Antwoord: Moeilijke casus. Niet direct mogelijk pt terug te halen obv traject zorgcurator (mentorschap). Eerst proberen in goed overleg pt terug te krijgen via ete en evt HA. Wellicht komt ete zelf tot inzicht dat zij de zorg niet aan kan.

Indien het niet lukt om ete hiervan te overtuigen gaan we waarschijnlijk richting BOPS (IBS) als blijkt dat pt opnieuw wordt verwaarloosd, pt is niet weerbaar. Er is in het kader van BOPZ een duidelijker kader waarin we kunnen handelen dan obv wilsonbekwaamheid en mentorschap.

We kunnen pas handelen als pt niet terug komt. Dan halen vanuit basisprincipes:

- Doelmatigheid: opname en terughalen is doelmatig ter voorkoming van verwaarlozing, echter BOPZ nodig? Dmv second opinion nagaan of dit vanuit verantwoordelijkheid behandelend arts (in afwachting van mentorschap) kan worden besloten of dat BOPZ nodig is.

- subsidiariteit: niet direct IBS, eerst kijken of pt op andere manier teruggebracht kan worden, bijv met inmenging van de HA. Tevens is er tijd voor intercollegiaal overleg over de casus dan wel een officiele second opinion van een andere Geneesheer directeur.

- Proportionaliteit: Second opinion GHD of terughalen van pt proportioneel is. Met of zonder BOPZ?

B/-Vast telefonisch overleggen met andere Geneesheer directeur.

-14-6 BOPZ overleg

- Nog eens intercollegiaal bespreken.”

Op 14 juni 2012 werd genoteerd dat de echtgenote van klager hem tegen advies van E heeft meegenomen naar huis.

Op 7 juli 2012 heeft een rond-tafel-gesprek plaatsgevonden. Navolgende notulen zijn daarvan in de decursus psychiatrie aantekening opgenomen:

“Doel overleg:

Nu A  weer thuis is, na een periode in E te zijn opgenomen geweest, is het zaak om van elkaar te weten wat de rol van ieder is. Tevens is het zaak dat er gesproken wordt over het vervolg en de (on)mogelijkheden om A wederom opgenomen te krijgen, en wie hierin wat kan betekenen.

Diagnose A:

·        Cognitieve stoornis. Met name vergeetachtigheid.

·        Tevens somatische problematiek.

·        Er is geen sprake van concrete psychiatrische problematiek.

Dhr. krijgt zorgbegeleiding van J.

Mevrouw C:

·        Verstandelijke beperking. IQ onbekend (gegevens niet in bezit van O)

·        Psychiatrie (diagnose ?)

H is sinds kort de SPV’er (sociaal psychiatrisch verpleegkundige FACT-2) van mevrouw.

Mevrouw krijgt woonbegeleiding van O.

Mevr. kreeg via PGB huishoudelijke hulp, maar deze is ontslagen wegens wangedrag. Nu ‘zorg in natura’.

Mevr. krijgt huis.hulp door 2 mantelzorgers (eens in de zoveel tijd).

Hygiëne

In de periode dat A niet in huis is geweest, is de woning redelijk op orde gebleven. Nu dhr. weer terug is, is dat direct zichtbaar in de onhygiënische toestand die is ontstaan.

Ondanks huishoudelijke hulp, kan het binnen een dag weer terug bij af zijn.

J heeft de afgelopen periode nog niet veel in de huishouding kunnen doen i.v.m. gebrek aan uren. Dit gaat vanaf heden weer meer gebeuren.

Dhr. heeft inmiddels ook een katheter, wat tot gevolg zal hebben dat er geen luiers meer op de grond terechtkomen.

Dhr. en mevr. zijn op dit moment niet meer welkom in de deeltaxi i.v.m. stank.

Financiën

Mevrouw C zou in de afgelopen tijd €100.000 hebben verkwist.

PGB wordt nu uitbetaald als zijnde zorg in natura

Overlast:

Nog niet gemeld door I.

J heeft mevr. opgedragen om niet meer zelf met dhr. aan de slag te gaan. Dit veroorzaakt alleen maar overlast en politie-optredens.

Opname voor A  is de grootste prioriteit!

Deze opname zal moeten zijn in een verpleeghuis voor mensen met somatische- en NAH (niet aangeboren hersenletsel) problematiek. ZZP (zorgzwaarte-pakket) is 6.

Wat is nodig om een opname voor elkaar te krijgen?

1. (…)

N.B. Bij de Zorggroep zouden aandachtsfunctionarissen werkzaam zijn die zich richten op het zoeken van woonplekken.

             Rol van de huisarts?

2.         Toestemming van dhr. A   Geen

3.         Toestemming van mevr. C Geen. Mevr. wil enkel dagbehandeling voor haar echtgenoot. (aantekening: in hoeverre is mevrouw wilsbekwaam om hierover een reëele wens te uiten en invloed te kunnen hebben?)

4.         Mentorschap-bewindvoering-

Curatele                                  Mentor is bevoegd op BOPZ-verklaring te tekenen (noodzakelijk voor een opname met gesloten deuren). Indien tijdens het mentorschap blijkt dat betrokkenen niet meewerken (wat in dit geval zeer waarschijnlijk meteen het geval is), dan kan de mentor bij de rechter verzoeken om curatele, dit wordt veelal zonder problemen ingewilligd. Curatele brengt meer bevoegdheden met zich mee en op die manier zou een opname geforceerd kunnen worden. Dit alles kan op korte termijn geregeld worden.

Mentorschap is reeds besproken met dhr A  en mevr. C en zij staan voorzichtig open voor een oriënterend gesprek met N.

Plan: N gaat het gesprek aan met dhr. A  en mevr. C, koppelt terug aan L  en H  of er al dan niet interesse is. De persoonlijk ondersteuner vanuit O  heeft ook een goede band met mevrouw en kan indien nodig ook worden ingezet hiervoor.

Manier van ter sprake brengen: bespreken dat het nú goed gaat met hen, maar op het moment dat het niet meer goed gaat is het belangrijk dat er iemand is die dan de belangen behartigd. L verwacht dat mevr. hier wel voor open zal staan en meneer vervolgens ook.

Alternatief:

*                      Rechterlijke machtiging          Indien er een woonplek is waar dhr. definitief opgenomen kan worden dan is er een RM o.b.v. maatschappelijke teloorgang waarschijnlijk mogelijk. Vanuit de RM-situatie kan tevens curatorschap worden aangevraagd.

Conclusie:

Eerst via mentorschap c.q. curatele proberen. Dat is dat meteen geregeld en is in het verdere traject alleen maar een voordeel.

Anders via RM.

Een ieder gaat doen wat we hebben afgesproken.

We houden onderling cont”

3.      HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Klager verwijt verweerster -zakelijk weergegeven- dat klager geen therapieën, onder andere geen fysiotherapie, heeft gehad tijdens zijn verblijf in E. Er is onvoldoende zorg aan klager geboden nu hij enkel kook- en tuinactiviteiten kreeg aangeboden. Ten onrechte is klager naar een verpleeghuis doorgeleid en is niet besloten tot begeleiding om terugkeer naar zijn eigen woning te realiseren. Klager verwijt verweerster dat zij een procedure tot ondercuratelestelling heeft opgestart, terwijl zijn echtgenote hem kan vertegenwoordigen. Klager verwijt verweerster daarnaast dat ook de zorg aan andere patiënten onvoldoende is.

4.      HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat E een instelling is, gericht op kortdurend verblijf waarbij fysiotherapie ten tijde van het verblijf van klager niet mogelijk was. Klager wenste geen deelname aan de hem aangeboden activiteiten, hetgeen voortvloeit uit de vasculaire schade bij klager ten gevolge van de doorgemaakte CVA in 2006. Klager was dusdanig verzwakt en de thuissituatie niet stabiel genoeg voor terugkeer naar de thuissituatie dat doorgeleiding naar een verpleeghuis in de rede lag. In het verleden is reeds tweemaal vastgesteld dat klager wilsonbekwaam is en het opstarten van een procedure tot ondercuratelestelling heeft derhalve plaatsgevonden. De klachten van onvoldoende zorg aan andere patiënten zijn niet onderbouwd zodat verweerster daarop niet kan ingaan.

5.      DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1               

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Dat klager tijdens zijn verblijf in E geen fysiotherapie heeft gehad kan niet tuchtrechtelijk verweten worden aan verweerster.

De afdeling waar klager verbleef, de ouderenafdeling, is een afdeling waar patiënten in principe kortdurend zijn opgenomen voor diagnostiek of behandeling van een primair (neuro)psychiatrische aandoening, in dit geval dementie, waar fysiotherapie niet mogelijk was ten tijde van het verblijf van klager.

Verweerster heeft ten aanzien van het niet deelnemen door klager aan andere therapieën gemotiveerd verweer gevoerd. Verweerster heeft aangegeven dat het gelet op de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van klager vaak moeilijk was om hem te motiveren om deel te nemen aan de aangeboden therapieën en dit mede gevolg is van de hersenschade die klager heeft opgelopen na zijn CVA.  Uit de decursus volgt dat verweerster heeft getracht om klager te stimuleren mee te doen aan de hem aangeboden activiteiten Dat klager niet wilde deelnemen aan aangeboden therapieën kan verweerster derhalve niet aangerekend worden.

5.3

Uit de door verweerster overgelegde stukken is gebleken dat klager uitgebreide lichamelijk zorg nodig had die, naar was gebleken, niet door klagers echtgenote aan hem geboden kon worden. Dit is herhaaldelijk in gesprekken met klager en zijn echtgenote aangegeven. De incontinentie van klager in combinatie met de obesitas van klager, waardoor hij niet kon meewerken aan de meermalen per dag benodigde verschoning, was daarbij een belangrijk punt. Daarnaast had klager doorligplekken waardoor hij regelmatig in bed moest worden gelegd om zijn huid te ontlasten, waarbij gebruik werd gemaakt wisselliggingen. Gelet op het voorgaande kreeg klager een indicatie voor verpleeghuiszorg. Uit de stukken blijkt ook dat terugkeer naar klagers eigen woning geen reële mogelijkheid was. Uit de decursus blijkt dat in de periode van oktober 2011 tot en met oktober 2012 de zorgzwaarte van klager herhaaldelijk heeft geleid tot ernstige problemen en verwaarlozing van klager in zijn thuissituatie. Uit het voorgaande volgt dat het alleszins gerechtvaardigd was dat verweerster klager door heeft geleid naar een verpleeghuis.

5.4

Het verwijt van klager dat ten onrechte een procedure tot ondercuratelestelling is opgestart treft evenmin doel.

Uit de door verweerster overgelegde stukken is gebleken dat ten aanzien van klager al meerdere malen is vastgesteld dat hij wilsonbekwaam was om zelf beslissingen te nemen. Klager heeft aangegeven dat zijn echtgenote voor hem beslissingen kan nemen en zij hem kan vertegenwoordigen en derhalve een procedure tot ondercuratelestelling niet opgestart had hoeven worden.

Uit de decursus wettelijke aantekeningen psychiatrie is gebleken dat klagers echtgenote zelf bekend was bij de instelling waar klager verbleef met zwakbegaafdheid en schizofrenie. Verweerster en de overige behandelaren in E hebben zich wel degelijk afgevraagd of klagers echtgenote vertegenwoordiger van klager kon zijn. Dit is ook herhaaldelijk met klager en/of zijn echtgenote besproken blijkens de decursus psychiatrie aantekeningen en de wettelijke aantekeningen.

Op verdedigbare gronden heeft men ervoor gekozen een curator te laten benoemen. Het laatste woord omtrent een eventuele benoeming van een curator was aan de kantonrechter. Klager en zijn echtgenote kon(den) in die procedure verweer voeren en/of verzoeken of klagers echtgenote curator kon worden. Blijkens de stukken is uiteindelijk verzocht een mentor te benoemen en heeft de kantonrechter de echtgenote niet tot mentor genoemd.

Gelet op het voorgaande komt het college tot het oordeel dat verweerster in deze jegens klager en zijn echtgenote niet onzorgvuldig heeft gehandeld.

5.5

Klager heeft eveneens geklaagd over de behandeling van andere patiënten in E te B. Nu klager geen rechtstreeks belanghebbende is bij de behandeling van andere patiënten en evenmin klachtgerechtigd op grond van artikel 65, eerste lid, onder b, c en d,  is hij niet-ontvankelijk in zijn klacht ten aanzien van dit klachtonderdeel.

5.6

Het college is van oordeel, gelet op het hiervoor overwogene, dat de klacht, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is, zodat als volgt dient te worden beslist.

6.      DE BESLISSING

Het college wijst de klacht, voor zover klager daarin ontvankelijk is, af.

Aldus gedaan in raadkamer door mr. A.L. Smit, voorzitter, dr. R.J. Verkes en J.N. Voorhoeve, leden-geneeskundigen, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Sijnstra - Meijer, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2013 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.                                                                                                

                    voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.