ECLI:NL:TGZRZWO:2013:14 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 223-2012

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2013:14
Datum uitspraak: 09-08-2013
Datum publicatie: 09-08-2013
Zaaknummer(s): 223-2012
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen huisarts. Diagnose buitenbaarmoederlijke zwangerschap gemist. Niet verwijtbaar want voldoende anamnese en onderzoek. Klacht ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 9 augustus 2013 naar aanleiding van de op 23 juli 2012  bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam binnengekomen en naar het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle doorgezonden klacht van

A , wonende te B,

k l a a g s t e r

-tegen-

C , huisarts, werkzaam te B,

bijgestaan door mr. I.F.A Broeckaert, hoofd Juridische Zaken Zorggroep Almere,

v e r w e e r s t e r

1.      HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van:

- het klaagschrift;

- het verweerschrift met de bijlagen;

- de repliek;

- de dupliek;

Partijen hebben afgezien van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 28 juni 2013, alwaar zijn verschenen klaagster en verweerster, de laatste bijgestaan door haar gemachtigde.

2.      DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

In de nacht van 24 op 25  juni 2012 heeft klaagster de huisartsenpost gebeld vanwege hevige buikpijnklachten. Blijkens de journaalaantekeningen was er al drie weken sprake van buikpijn. De pijn was die nacht toegenomen en zat in de linkerzij. Ook had klaagster al drie weken last van vaginaal bloedverlies (vloeien). Klaagster kreeg het advies paracetamol te nemen en de volgende dag naar haar eigen huisarts te gaan. Als de pijn niet zou zakken kon zij terugbellen.

De volgende dag werd klaagster gezien door verweerster omdat haar eigen huisarts met vakantie was. Verweerster heeft voorafgaande aan het consult kennis genomen van het verslag van het telefonisch consult met de huisartsenpost en van de probleemlijst. In de probleemlijst stond vermeld dat klaagster in het verleden een sectio had ondergaan. Verweerster had geen kennis van complicaties die destijds bij de sectio waren opgetreden. Die kwamen bij de probleemlijst (een samenvatting van belangrijke medische gegevens) niet automatisch in beeld.

Klaagster vertelde tijdens het consult met verweerster over de pijnklachten, op dat moment een zeurende pijn in haar linker zijde, en over het aanhoudende vaginale bloedverlies. Ook vertelde zij over haar lange cyclus en dat ze drie maanden geleden met de pil gestopt was. Verweerster heeft de buik onderzocht. Zij noteerde in het dossier:

"S  3 weken pijn in li buik. korts-. beetje misselijk

S defecatie/mictie gb.

S paar mnd geleden gestopt met pil. Cyclus was 35 d.

S nu 3 wk beetje bloedverlies

O drukpijn li buik met boven bekkenrand thv colon

P lab: urine en bloed. Evt ret voor inw onderzoek"

Verweerster besloot, gelet op haar bevindingen, om eerst bloed- en urineonderzoek te laten uitvoeren en richtte zich daarmee in eerste instantie op de pijn en het vinden van de oorzaak daarvan.

Klaagster heeft diezelfde dag nog bloed laten prikken en urine ingeleverd. Op 26 juni 2012 belde zij voor de uitslag en hoorde van de assistente dat alles goed was.

Omdat klaagster het niet vertrouwde is zij 27 juni 2012 weer naar de huisarts gegaan. Zij werd toen gezien door een andere waarnemer. Deze kwam tot de conclusie dat zij mogelijk een miskraam gehad had en stelde voor thuis een zwangerschapstest te doen.

Deze test was positief. Klaagster belde daarop meteen de huisarts en kreeg te horen dat ze moest afwachten en over tien dagen moest terugkomen.

Op 1 juli 2012 kreeg klaagster opnieuw hevige buikpijn en is ze door een arts op de huisartsenpost gezien. Deze heeft haar doorgestuurd naar het ziekenhuis en daar bleek er sprake te zijn van een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. Klaagster is geopereerd, waarbij  een eileider verwijderd moest worden.

3.      HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt verweerster -zakelijk weergegeven- dat zij niet dan wel onvoldoende onderzoek heeft gedaan en een verkeerde diagnose heeft gesteld. Verweerster heeft niet goed geluisterd naar de pijnklachten en angsten van klaagster en heeft geen aandacht besteed aan de voorgeschiedenis in haar dossier. Daarmee heeft ze het leven van klaagster in gevaar gebracht.

4.      HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER

Verweerster voert -zakelijk weergegeven-  het volgende aan.

Zij vindt het allereerst heel naar dat klaagster een buitenbaarmoederlijke zwangerschap met ernstige gevolgen heeft moeten doormaken. Zij begrijpt heel goed dat het voor klaagster moeilijk te vatten is dat er drie consulten bij een huisarts aan te pas kwamen alvorens dit werd ontdekt. De pijnplek die klaagster tijdens het consult aangaf en de wisselende intensiteit van de pijn waren atypisch voor een gynaecologische klacht en pasten meer bij darm- of nierproblemen. Bij een miskraam zou meer krampende pijn worden verwacht en bij een buitenbaarmoederlijke zwangerschap zou de pijn naar verwachting niet hoog in de buik bij de flank zitten en ook niet aanvalsgewijs verlopen maar eerder in intensiteit toenemen. Verweerster heeft derhalve vanwege de uitkomsten van haar onderzoek haar differentiaal diagnose uitgebreid en de volgorde van de meest waarschijnlijke diagnose gewijzigd. Zij heeft overwogen dat bloedverlies en pijnklachten niet per se gekoppeld zouden hoeven te zijn en dat de pijn veroorzaakt zou kunnen worden door bijvoorbeeld nierstenen of koliekpijnen met een andere oorzaak. Zij heeft daarom prioriteit gegeven aan het zo snel mogelijk achterhalen van de pijn en heeft daar allereerst labonderzoek voor uitgezet.

Verweerster heeft dit met klaagster besproken en klaagster leek dit goed te begrijpen.

Concluderend heeft verweerster tijdens het consult gedaan wat ze kon. Ze heeft de klachten serieus genomen en de tijd genomen om klaagster uit te leggen wat haar overwegingen waren.

Verweerster wil benadrukken dat tot haar spijt de locatie van de pijn en het vrijwel volledig afzakken van de pijn haar op het verkeerde been hebben gezet. In de huisartsengeneeskunde moet uit een groot scala van mogelijkheden de meest aannemelijke diagnose gekozen worden. Hoewel zij bereid is alle lering uit deze casus te trekken komt de vraag op of het voor een redelijk handelend arts mogelijk was geweest op dat moment de buitenbaarmoederlijke zwangerschap te ontdekken.

5.      DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1               

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Vast staat dat er sprake was van een buitenbaarmoederlijke zwangerschap en dat verweerster deze diagnose op het moment van het consult niet heeft gesteld. Het missen van een diagnose is echter op zichzelf niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het gaat om het antwoord op de vraag of verweerster bij anamnese en (lichamelijk) onderzoek heeft gehandeld binnen de hierboven weergegeven norm. Het college beantwoordt deze vraag bevestigend. Daartoe overweegt het college het volgende.

Uit de aantekeningen in het dossier en hetgeen verweerster ter zitting heeft verteld, blijkt dat verweerster de anamnese voldoende heeft uitgevraagd en voldoende lichamelijk onderzoek heeft gedaan. Verweerster heeft aangegeven dat zij in eerste instantie aan een gynaecologisch probleem dacht maar dat de locatie van de pijn die door klaagster werd aangegeven, namelijk in de linkerzij en niet onder in de buik, het waarschijnlijker maakte dat er sprake was van darm-of urineklachten, bijvoorbeeld nierstenen. Het college is met verweerster van oordeel dat bij een gynaecologisch probleem pijn in de onderbuik zou worden verwacht en dat, nu de pijn, zoals klaagster ook ter zitting vertelde en inzichtelijk maakte, hoog in de zij zat,  verweerster op goede gronden haar waarschijnlijkheidsdiagnose heeft kunnen wijzigen. Dat zij geen aandacht heeft besteed aan de voorgeschiedenis van patiënte is niet gebleken. Zij heeft immers gezien dat er in het verleden sprake is geweest van een sectio.  Zij heeft naar het oordeel van het college hier niet verder naar hoeven te kijken omdat de klachten niet gynaecologisch van aard leken te zijn. Het college acht het verdedigbaar dat verweerster de pijn in de bovenbuik en het vaginaal bloedverlies op dat moment heeft losgekoppeld. Het besluit op dat moment om door middel van bloedonderzoek eerst de oorzaak van de pijn te willen opsporen acht het college eveneens verdedigbaar.

Voor zover verweerster door geen verder onderzoek in het medisch dossier te doen, de complicaties bij de sectio heeft gemist wijst het college er op dat complicaties bij een sectio geen aanwijzing vormen voor verhoogd risico op een buitenbaarmoederlijke zwangerschap.

Het college begrijpt dat het voor klaagster lastig te begrijpen is dat de huisarts die haar later op de huisartsenpost zag wel tot de juiste diagnose kwam, maar het college wijst er op dat op dat moment bloed- en urine onderzoek al gedaan waren en derhalve een aantal mogelijke diagnoses was uitgesloten, alsmede dat blijkens de aantekeningen van die huisarts, klaagster toen wel, anders dan tijdens het consult bij verweerster,  pijn in de onderbuik heeft aangegeven.

5.3

Ter zitting is voorts gebleken dat door verweerster met klaagster ook nog is gesproken over de eventuele oorzaken van het bloedverlies omdat klaagster zich daar wel zorgen over maakte. Partijen zijn het er wel over eens dat gesproken is over een eventuele zwangerschap, een SOA en een uitstrijkje. In de beleving van verweerster is dit uitgebreid aan de orde gekomen. Zij had het idee dat klaagster een alerte patiënt was aan wie zij goed uitleg kon geven en met wie zij goed het vervolgtraject kon bespreken. Het was de intentie van verweerster om, indien uit het bloedonderzoek niets naar voren zou komen en de  klachten bleven aanhouden, een vervolg te geven aan het onderzoek.  Klaagster heeft dit evenwel niet zo ervaren en stelt dat er alleen gezegd is dat, als het bloedverlies zou zijn gestopt, er wel even een keer een uitstrijkje en een SOA test konden worden gedaan.   Het college kan, nu partijen van mening verschillen over wat er precies gezegd is, er niet van uitgaan dat verweerster klaagster hierin onvoldoende serieus heeft genomen. Dit berust er niet op dat aan het woord van verweerster meer gewicht wordt toegekend dan aan dat van klaagster, maar op het beginsel dat aan beide verklaringen evenveel waarde wordt toegekend, waardoor het door klaagster gestelde tegenover de ontkenning door verweerster wegens ontbreken van objectief houvast niet als voldoende vaststaand kan worden aangenomen.

5.4

Gelet op het voorgaande is de klacht ongegrond en zal deze afgewezen moeten worden.

6.      DE BESLISSING

Het college wijst de klacht af.

Aldus gedaan in raadkamer door  mr. E.W. de Groot, voorzitter, mr. E.W.M. Meulemans,

lid-jurist, en M.D. Klein Leugemors, J.N. Voorhoeve en dr. R.B. van Leeuwen, leden-geneeskundigen, in tegenwoordigheid van mr K.M. Dijkman, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2013 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van

 mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                       secretaris

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.