ECLI:NL:TGZRZWO:2013:13 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 004-2013
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2013:13 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-08-2013 |
| Datum publicatie: | 09-08-2013 |
| Zaaknummer(s): | 004-2013 |
| Onderwerp: | Schending beroepsgeheim |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klager, zelf fysiotherapeut van beroep, verwijt psychiater schending van het beroepsgeheim door zonder toestemming van klager vertrouwelijke informatie aan een gezamenlijke patiënt te verstrekken. Verweerder erkent de klacht. Berisping. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing d.d. 9 augustus 2013 naar aanleiding van de op 11 januari 2013 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van
A , wonende te B,
bijgestaan door mr. G.F.M.G. Heutink, verbonden aan Rechtshulp & Incasso te Apeldoorn,
k l a g e r
-tegen-
C , psychiater, werkzaam te B,
bijgestaan door mr. A.W. Hielkema, verbonden aan de Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht,
v e r w e e r d e r
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift met de bijlagen;
– het verweerschrift.
Partijen hebben afgezien van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van 21 juni 2013, alwaar zijn verschenen de gemachtigde van klager en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klager, fysiotherapeut van beroep, was in december 2006 opgenomen in een ziekenhuis. Klager verbleef op de afdeling Interne Geneeskunde.
Verweerder werd door de internist in consult gevraagd. Verweerder heeft klager daarop tweemaal gezien. Het eerste consult, een intakegesprek, vond plaats op 21 december 2006. Bij het consult op 17 januari 2007 heeft klager afgezien van verdere vervolgcontacten en heeft verweerder klager terugverwezen naar de internist.
Tegen klager, in zijn hoedanigheid van fysiotherapeut, is door de heer D (verder: ‘patiënt’) een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de beroepsvereniging van klager, het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF). In die klachtenprocedure had patiënt het advies gekregen om zich tot een psychiater te wenden.
Op 11 november 2008 bezocht patiënt verweerder. Hij vertelde uitvoerig over de klacht die hij tegen klager had ingediend en over hetgeen er tussen hem, patiënt, en klager was voorgevallen. Patiënt was bij klager onder behandeling. Patiënt was ervan overtuigd dat er bij klager sprake was van alcohol gerelateerde klachten waardoor klager aan patiënt geen goede zorg kon verlenen.
Patiënt heeft aan verweerder gevraagd om weer te geven welke feiten hem ten aanzien van klager bekend waren. Verweerder heeft vervolgens op 20 mei 2010 een brief opgesteld met de volgende inhoud:
“Ik heb [klager], geboren 01-02-1945, tweemaal gezien.
1e Keer in consult in een gesprek samen met zijn zoon over de gevolgen van zijn alcoholconsumptie, wat problemen in zowel psychische als fysieke opzichten gaf (d.d. 21-12-2006)
Betrokkene lag op de afdeling interne, alwaar [patiënt], geboren 01-11-1948,
gewoon op visite kon en mocht komen.
2e Keer voor een intake als vervolg op het consult (21-12-2006).
Op 17 januari 2007 verwezen door Interne Geneeskunde, waarna betrokkene heeft
afgezien van verdere vervolgcontacten.”
Verweerder heeft deze brief aan patiënt gegeven. Hij heeft daarna niets meer van patiënt vernomen over de gevoerde procedures.
Op 28 oktober 2009 heeft patiënt tegen klager een klacht ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle. Deze klacht werd gedeeltelijk gegrond verklaard. Klager stelde tegen deze beslissing beroep in bij het Centraal Tuchtcollege. In het verweerschrift dat door de advocaat van patiënt aan het Centraal Tuchtcollege werd toegezonden, nam de advocaat de brief van 20 mei 2010 als bijlage op en stelde het volgende:
“dat verweerder een alcoholprobleem had is niet bestreden en volgt ook overigens uit de stukken; dat staat dus vast.”
Op 30 oktober 2012 heeft klager via zijn gemachtigde aan verweerder hierover opheldering gevraagd. Expliciet vroeg klager aan verweerder of de brief van 20 mei 2010 met handtekening van verweerder afkomstig was.
Op 31 oktober 2012 heeft verweerder telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van klager, waarop de gemachtigde van klager verweerder opnieuw een brief zond, d.d. 5 november 2012, waarin hij onder meer schreef:
“U heeft mij toen gezegd dat de inhoud van de aan [patiënt] geadresseerde brief van 20 mei 2010 klopt. U heeft mij gezegd dat de handtekening op die brief van u is. En u heeft mij gezegd dat u denkt dat de bedoelde brief niet per post aan [patiënt] is verstuurd maar dat u die brief persoonlijk aan [patiënt] in handen heeft gegeven.”
De gemachtigde van klager verzocht verweerder daarop de kwestie, binnen een week na datum brief, op een voor patiënt acceptabele wijze op te lossen. Op dezelfde dag, 5 november 2012, heeft de psychiater wederom contact opgenomen met de gemachtigde van klager. Daarop heeft de gemachtigde van klager wederom een brief aan verweerder gezonden, gedateerd 8 november 2012, met daarin het verzoek om een vergoeding te betalen voor de extra kosten van de rechtsbijstand en de immateriële schade. Omdat de gemachtigde van klager hierop geen reactie van verweerder ontving, zond hij op 8 januari 2013 aan verweerder nogmaals een brief met daarin het verzoek om te reageren op de brief van 8 november 2012.
In beroep bij het Centraal Tuchtcollege werd in maart 2013 de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege vernietigd en de klacht deels gegrond en deels ongegrond verklaard.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- dat hij:
1. het medisch beroepsgeheim heeft geschonden door zonder toestemming van klager in de genoemde brief van 20 mei 2010 vertrouwelijke informatie aan hun beider patiënt te verstrekken;
2. tegen beter weten in zich op het standpunt stelt dat hij met betrekking tot de genoemde brief van 20 mei 2010 niet in strijd met zijn geheimhoudingsplicht heeft gehandeld.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER
Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat het beter was geweest indien hij de brief van 20 mei 2010 niet had opgesteld. Verweerder meende dat hij zich beperkte tot feitelijke mededelingen, waarvan hij veronderstelde dat patiënt op de hoogte was, waardoor hij vervolgens veronderstelde dat hij aan patiënt geen nieuwe informatie verschafte en er aldus geen sprake was van schending van zijn beroepsgeheim. Verweerder ziet thans in dat hij van een onjuiste veronderstelling is uitgegaan en dat hij onjuist heeft gehandeld. Verweerder kiest ervoor om zich in het kader van deze tuchtrechtelijke procedure op dit punt toetsbaar op te stellen. Verweerder verzoekt het college bij het beoordelen van zijn handelswijze met alle in het kader van deze procedure genoemde omstandigheden rekening te houden. Op het verweer wordt in het navolgende nog nader ingegaan.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Het college ziet aanleiding om de klachtonderdelen gezamenlijk te behandelen. Tezamen genomen behelst de klacht dat verweerder het beroepsgeheim heeft geschonden door zonder toestemming vertrouwelijke informatie over klager aan een ander te verstrekken.
Zowel in de stukken als ter zitting heeft verweerder erkend dat hij door het overhandigen van de brief van 20 mei 2010 aan patiënt zijn beroepsgeheim heeft geschonden.
5.3
Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij op 20 mei 2010 een zeer drukke ochtend poli had. Aan het einde van deze ochtend – de secretaresse was al met lunchpauze – kwam patiënt onaangekondigd langs. Hij vroeg verweerder of hij iets op papier kon krijgen over de bezoeken die klager bij verweerder had afgelegd. Patiënt was al een tijdje niet meer op polibezoek geweest, maar zijn dossier was nog niet afgesloten. Patiënt heeft aan verweerder niet gezegd waarom hij dit briefje nodig had. Hij heeft verweerder daarbij ook niet ingelicht over de lopende procedures. Verweerder meende dat patiënt een bevestiging nodig had om in het kader van zijn therapie een bepaalde periode te kunnen afsluiten. Verweerder heeft hierop zelf het in dit geding zijnde briefje getypt en direct aan patiënt overhandigd.
5.4
Ter zitting verklaarde verweerder voorts dat hij zich niet heeft gerealiseerd dat de brief van 20 mei 2010 gebruikt zou worden in gerechtelijke procedures en dat hij daarmee zijn geheimhoudingsplicht zou schenden. Verweerder en zijn gemachtigde hebben voorafgaande aan deze procedure klager uitgenodigd om in gesprek te gaan eventueel met behulp van bemiddeling van een ziekenhuismedewerker. Vanwege een financieel aspect is het niet gelukt om met klager persoonlijk te spreken over de ontstane situatie.
Volgens verweerder gaat het om een éénmalige gebeurtenis. Hij voelde zich op dat moment overvallen en heeft de verkeerde keuze gemaakt door de brief te schrijven. Hij heeft aangegeven dat dit niet meer zal gebeuren.
5.5
Het college is van oordeel dat verweerder door het overhandigen van de brief van 20 mei 2010 aan patiënt het beroepsgeheim, zoals vastgelegd in onder meer artikel 88 Wet BIG en artikel 7:457 Burgerlijk Wetboek, jegens klager heeft geschonden. Hij heeft zonder toestemming van klager informatie over hem verstrekt aan een derde. Het college beschouwt de brief van 20 mei 2010 als een verklaring die de arts heeft afgelegd in zijn hoedanigheid van psychiater en die informatie bevat over klager en zijn gezondheidstoestand. Verweerder voert aan dat hij deze brief heeft opgesteld ter afsluiting van de behandeling van patiënt. Het college is van oordeel dat het schrijven van een dergelijke brief ter afsluiting van een behandeling onprofessioneel is.
5.6
De conclusie van het voorgaande is dat de klacht gegrond is. Ofschoon verweerder inziet dat zijn handelen niet juist was en hij zich in de onderhavige procedure toetsbaar heeft opgesteld, rekent het college hem zijn onprofessionele handelen ernstig aan. Verweerder had beter moeten nadenken voordat hij de brief schreef. Patiënten moeten er op kunnen vertrouwen dat door hen in vertrouwen verstrekte informatie niet aan anderen wordt doorgegeven. Het college acht de navolgende maatregel dan ook op zijn plaats.
6. DE BESLISSING
Het college berispt verweerder.
Aldus gedaan in raadkamer door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, prof.mr. J.C.J. Dute, lid-jurist, dr. R.J. Verkes, T.S. van der Veer en A.M. Rijken, leden-geneeskundigen, in tegenwoordigheid van mr. C. Grijsen, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2013 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.