ECLI:NL:TGZRGRO:2013:6 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2012/125
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRGRO:2013:6 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-07-2013 |
| Datum publicatie: | 16-07-2013 |
| Zaaknummer(s): | G2012/125 |
| Onderwerp: | Niet of te laat verwijzen |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een huisarts wegens het te laat doorverwijzen. Het College is van oordeel dat er voldoende signalen aanwezig waren om de aanwezigheid van een CVA als een reële mogelijkheid te beschouwen. Gelet op de uitvalsverschijnselen bij klager behoorde verweerder anders te handelen dan hij heeft gedaan. Klacht gegrond. Waarschuwing |
Rep.nr s. G2012/125
16 juli 2013
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE GRONINGEN
Het College heeft het volgende overwogen en beslist over de op 27 december 2012 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
advocaat: mr. Chr.D. de Vos,
tegen
C,
als huisarts werkende te B,
verweerder,
BIG reg.nr: -,
gemachtigde: mw. mr. M. van der Graaf.
1. Verloop van de procedure
Het College heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met bijlagen van 24 december 2012, ingekomen op 27 december 2012;
- het verweerschrift van 24 februari 2013, ingekomen op 25 februari 2013;
- het medisch dossier;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek dat op 9 april 2013 heeft plaatsgevonden onder leiding van mr. drs. W.J. de Boer, lid-jurist van het College.
De klacht is behandeld ter openbare zitting van 21 mei 2013. Beide partijen zijn verschenen. Klager werd vergezeld door zijn advocaat en zijn woonbegeleider, mevrouw D, en verweerder werd vergezeld door zijn gemachtigde.
2. Vaststaande feiten
Voor de beoordeling van de klacht gaat het College uit van de volgende feiten, die als erkend dan wel enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist vaststaan.
2.1
Klager, geboren op xx-xx-xx, werd op 29 september 2010 plotseling onwel en kreeg last van diverse uitvalsverschijnselen. Vlak nadat hij dit had bemerkt, liet hij zijn ouders komen die vervolgens het alarmnummer 112 belden. Verweerder, op dat moment de dienstdoende huisarts bij de Centrale Huisartsenpost Emmen, arriveerde snel. Hij onderzocht klager en consulteerde telefonisch een neuroloog. Klager werd geadviseerd te wachten tot de volgende ochtend om vervolgens met zijn eigen huisarts contact te zoeken. Hij gaf hieraan gevolg waarna hij door zijn eigen huisarts direct werd verwezen naar het ziekenhuis. In het ziekenhuis werd bij hem een CVA (cerebrovasculair accident: een beroerte) vastgesteld.
3. De klacht
De klacht luidt – zakelijk weergegeven – als volgt. Klager verwijt verweerder dat hij hem niet meteen naar het ziekenhuis heeft verwezen nadat hij hem had onderzocht. Gezien de uitvalsverschijnselen die klager had en die hij ook duidelijk beschreef, alsmede zijn eigen vermoeden dat hij een CVA had, had verweerder alert moeten zijn op een CVA en had hij meteen actie moeten ondernemen. Nu werd de volgende dag pas geconstateerd dat hij een CVA had gehad en waren er geen noodmaatregelen meer mogelijk om hersenletsel te voorkomen of te beperken. Verweerder is nalatig en onzorgvuldig geweest door niet de juiste diagnose te stellen en hem niet meteen naar het ziekenhuis te verwijzen, aldus klager.
4. Het verweer
Het verweer luidt – zakelijk weergegeven – als volgt. In oktober 2011 vernam verweerder van de huisarts van klager tot zijn schrik dat er bij klager, de dag nadat hij door hem was gezien, een CVA was geconstateerd. Hij wilde klager bellen om zijn excuses aan te bieden, maar dat werd hem afgeraden door de huisarts van klager omdat hij daar emotioneel niet aan toe zou zijn. Terugkijkend realiseert verweerder zich dat hij destijds anders had moeten handelen. Toen hij klager onderzocht, overwoog hij wel de mogelijkheid van een CVA. Toch schoof hij die diagnose ter zijde op basis van verschillende factoren, waaronder de jeugdige leeftijd van klager, de afwezigheid van een ongezonde leefstijl (klager rookt bijvoorbeeld niet) en het resultaat van de telefonische consultatie met een neuroloog op de bewuste avond. Verweerder vermoedde bovendien dat klager leed aan een autismespectrum stoornis. Achteraf gezien hadden de verschijnselen zoals door klager beschreven, met name het krachtverlies in zijn rechterarm en het feit dat het verweerder niet lukte het gezichtsveld van klager goed te bepalen, voor hem aanleiding moeten zijn tot nadere onderzoeksacties en een spoedbeoordeling onder ziekenhuiscondities. Verweerder vindt het heel spijtig dat het allemaal zo is gelopen en betreurt zijn eigen rol daarin. Voor het antwoord op de vraag of hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, refereert hij zich aan het oordeel van het College.
5. Beoordeling van de klacht
5.1
Het College overweegt in de eerste plaats dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen binnen de grenzen van een redelijke bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen ten tijde van het handelen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Het College is van oordeel – zoals ook gesteld en niet betwist – dat er voldoende signalen aanwezig waren om de aanwezigheid van een CVA als een reële mogelijkheid te beschouwen. Gelet op de uitvalsverschijnselen bij klager behoorde verweerder anders te handelen dan hij heeft gedaan, zoals ook valt af te leiden uit de NHG-Standaard CVA van 2004 waarvan de inhoud bij hem bekend wordt verondersteld. Op basis van de genoemde standaard in combinatie met de alarmerende signalen bij klager had verweerder tot een ander besluit moeten komen dan hij heeft genomen. Hij had namelijk moeten verwijzen voor opname op een stroke-unit.
Uit het dossier en de ter zitting uiteengezette behandeling van klager volgt dat verweerder de standaard niet, althans onvoldoende, heeft gevolgd. Verweerder is bovendien zonder expliciete motivering van de standaard afgeweken. Verweerder was meer gefocused op van de kern afleidende factoren zoals een vermoeden van autisme en de jeugdige leeftijd van klager. Ook tijdens het telefonisch overleg met de neuroloog heeft hij – zoals hij ter zitting heeft gezegd – een mogelijk CVA niet nadrukkelijk genoemd, maar wel het vermoeden dat klager aan een autismespectrum stoornis leed. Hierdoor werden de uitvalsverschijnselen onjuist geïnterpreteerd waardoor ze onvoldoende aandacht kregen. Ten onrechte heeft verweerder geconcludeerd dat wel tot de volgende dag kon worden gewacht.
Het voorgaande heeft ertoe geleid dat klager te laat werd verwezen naar het ziekenhuis en dat de behandeling aldaar, voor zover deze op dat tijdstip nog mogelijk was, onnodig laat is ingezet. Niet mag worden uitgesloten dat dit tot blijvende hersenschade bij klager heeft geleid die voorkomen of beperkt had kunnen worden. Verweerder heeft naar het oordeel van het College tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De klacht is derhalve gegrond.
6. Slotsom
De klacht zal gegrond worden verklaard. Het College is van oordeel dat verweerder op tuchtrechtelijk verwijtbare wijze tekort is geschoten in zijn zorgverlening jegens klager, zoals verweerder zelf ook erkent. De maatregel van waarschuwing wordt passend geacht.
7. Beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen:
verklaart de klacht gegrond en legt verweerder de maatregel van waarschuwing op.
Aldus gegeven door:
mr. P.W.M. Huisman, voorzitter,
mw. mr. H. van Lokven-van der Meer, lid-jurist,
drs. P.F. Bögels, lid-beroepsgenoot,
dr. A. Huisman, lid-beroepsgenoot,
drs. H. Donkers, lid-beroepsgenoot,
bijgestaan door mw. mr. L.C. Commandeur, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2013 door prof. mr. J.H.M. Willems, voorzitter, in tegenwoordigheid van mw. mr. N. Brouwer, secretaris.
De secretaris: De voorzitter:
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door: a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard; b. degene over wie is geklaagd; c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat. Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.