ECLI:NL:TGZCTG:2013:54 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2012.348
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2013:54 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-08-2013 |
| Datum publicatie: | 13-08-2013 |
| Zaaknummer(s): | c2012.348 |
| Onderwerp: | Onheuse bejegening |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | De arts heeft samen met een geriatrieverpleegkundige enkele huisbezoeken afgelegd om zorg te verlenen aan de echtgenote van klager. Klager verwijt de arts dat zij 1) hem tijdens het laatste (telefonische) contact onverwachts en op zeer grove, brute en onverschillige wijze zou hebben meegedeeld dat de contacten met de verpleegkundige met onmiddellijke ingang werden verbroken; 2) na dat gesprek niets meer van zich heeft laten horen; en 3) een andere verpleegkundige heeft aangewezen zonder klager in de gelegenheid te stellen te protesteren tegen de vervanging van de eerste verpleegkundige. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klachten als ongegrond afgewezen. Beroep verworpen. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2012.348 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., specialist ouderengeneeskunde, werkzaam te D.,
wonende te E., verweerster in beide instanties,
gemachtigde: mr. R.P.F. van der Mark, advocaat te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klager – heeft op 5 september 2011 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen C. – hierna de arts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 18 juli 2012, onder nummer 11141a heeft dat College de klacht als ongegrond afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. De zaak is in hoger beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak 2012.349 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 16 mei 2013, waar zijn verschenen de arts (alsook de verpleegkundige in de zaak 2012.349), bijgestaan door mr. Van der Mark. Hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, is klager niet ter zitting verschenen.
De arts heeft de zaak, mede aan de hand van vragen van het Centraal Tuchtcollege, nogmaals kort toegelicht.
2. Beslissing in eerste aanleg
2.1. In eerste aanleg zijn de volgende feiten vastgesteld:
“ 2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende:
De echtgenote van klager (hierna: de echtgenote) is opgenomen geweest in het ziekenhuis vanwege malaise en bewustzijnsdaling, waarbij op een CT-scan veel vasculaire afwijkingen werden gezien. Naar aanleiding daarvan heeft de huisarts de echtgenote verwezen naar het Geriatrisch Onderzoek- en Adviescentrum voor diagnostiek, omgangsadvies, geheugenstoornissen, loopstoornissen en somatische problemen.
Vanaf 24 september 2010 hebben verweerster en een geriatrieverpleegkundige (hierna de verpleegkundige) de behandeling op zich genomen. Verweerster heeft samen met de verpleegkundige verschillende huisbezoeken afgelegd. Op 1 februari zou 2011 er weer een huisbezoek plaatsvinden.
Bij brief van 20 januari 2011 heeft klager medegedeeld dat hij en zijn echtgenote geen prijs meer stelden op verder contact. Verweerster heeft contact opgenomen met de huisarts om te vragen of hij signalen had ontvangen dat het echtpaar ontevreden was over de begeleiding. Dat was niet het geval. Daarop heeft verweerster besloten om het huisbezoek op 1 februari 2011 door te laten gaan, zodat zij kon bespreken of het echtpaar inderdaad de zorg stop wilden zetten.
Op 27 januari 2011 heeft de verpleegkundige een voor haar kwetsende brief ontvangen van klager waarin hij verzocht om privécontact. Volgens de verpleegkundige drong klager zich in toenemende mate bij haar op en bemoeide hij zich met haar privéleven. Het hoofd van de sector behandeling en begeleiding (hierna: het hoofd van de sector) heeft daarop besloten de verpleegkundige te vervangen door een collega en verweerster gevraagd dit aan klager mede te delen.
Verweerster heeft op 1 februari 2011 telefonisch aan klager medegedeeld dat het gesprek die dag niet door kon gaan omdat de verpleegkundige het echtpaar niet langer kon begeleiden. Zij heeft tevens aangegeven wat daarvan de reden was. Verweerster heeft daarbij aangekondigd dat het hoofd van de sector een brief zou sturen waarin dit besluit zou worden toegelicht.
In deze brief van 2 februari 2011 is voorgesteld dat de begeleiding zou worden voortgezet door een andere, met naam genoemde, verpleegkundige als het echtpaar de hulpverlening wilde voortzetten. In dat geval werd hen verzocht een zorgovereenkomst te ondertekenen en terug te sturen, waarmee tevens door klager zou worden bevestigd zich aan de omgangsregels uit de algemene voorwaarden te zullen houden.
Verweerster heeft de huisarts een verslag gestuurd van alle bevindingen tot dat moment. Aangezien klager niet had gereageerd op de brief van 2 februari 2011 heeft verweerster op 4 april 2011 met de huisarts afgesproken dat hij de begeleiding van de echtgenote weer over zou nemen. Er waren geen acute zorgproblemen waarvoor op dat moment begeleiding door verweerster noodzakelijk was.
De directeur van de organisatie heeft klager en zijn echtgenote op 20 juli 2011 schriftelijk medegedeeld dat de bereidheid bestond om weer zorg te verlenen als klager en zijn echtgenote daaraan behoefte zouden hebben ”.
2.2. De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer hielden volgens het Regionaal Tuchtcollege het volgende in:
“ 3. Het standpunt van klager en de klacht
Klager verwijt verweerder dat zij:
1) klager op 1 februari 2011 onverwachts en op zeer grove, brute en
onverschillige wijze zou hebben medegedeeld dat de contacten met de verpleegkundige met onmiddellijke ingang werden verbroken;
2) na het gesprek op 1 februari 2011 niets meer van zich heeft laten horen;
3) een andere geriatrieverpleegkundige heeft aangewezen zonder klager in de
gelegenheid te stellen te protesteren tegen de vervanging van de eerste verpleegkundige.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster ontkent dat zij grof, bruut of onverschillig is geweest. Zij heeft het telefoongesprek kort gehouden, maar geen onvertogen woord gezegd. Ze heeft slechts medegedeeld dat de verpleegkundige de echtgenote niet langer kon begeleiden, wat daarvan de reden was en dat klager en zijn echtgenote hierover nog een brief zouden ontvangen.
Verweerster heeft inderdaad geen contact meer opgenomen met klager na het telefoongesprek. Het contact met klager was immers overgenomen door het hoofd van de sector. Door de brief van klager van 20 januari 2011 en doordat klager niet had gereageerd op de brief van 2 februari 2011 van het hoofd van de sector, was niet duidelijk of klager nog begeleiding wenste. De begeleiding van klager en zijn echtgenote heeft verweerster derhalve weer overgedragen aan de huisarts.
Klager heeft ruim de tijd gehad om te protesteren tegen de vervanging van de verpleegkundige. Klager heeft pas later zijn beklag gedaan, wat heeft geleid tot een gesprek onder leiding van de klachtenfunctionaris op 31 mei 2011. Voor verweerster was het overigens duidelijk dat klager het niet eens zou zijn met vervanging van de verpleegkundige ”.
2.3. Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:
“ 5. De overwegingen van het college
Ad klachtonderdeel 1)
Niet is komen vast te staan dat verweerster zich op incorrecte wijze heeft geuit tijdens het telefoongesprek met klager. In gevallen, waarin de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen aannemelijk is, kan een verwijt dat gebaseerd is op de lezing van klager in beginsel niet gegrond worden bevonden. Dit berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van verweerster, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat een bepaalde gedraging of nalaten verwijtbaar is eerst moet worden vastgesteld dat er een voldoende feitelijke grondslag voor dat oordeel bestaat. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.
Ad klachtonderdeel 2)
Nu het gezien de brief van klager van 20 januari 2011 en het ontbreken van een reactie van klager op de brief van het hoofd van de sector van 2 februari 2011 niet duidelijk was of klager en zijn echtgenote nog begeleiding wensten en er geen sprake was van een acute hulpvraag, acht het college het verantwoord dat verweerster de zorg weer heeft overgedragen aan de huisarts, hetgeen zij op zorgvuldige wijze heeft gedaan. Het college acht het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerster niet zelf contact heeft opgenomen met klager en zijn echtgenote.
Wel was het beter geweest als de overdracht van de begeleiding aan de huisarts ook aan klager en zijn echtgenote was medegedeeld. Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er echter niet om of dat handelen beter had gekund, maar of de arts vanuit tuchtrechtelijk standpunt gebleven is binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.
Ad klachtonderdeel 3)
Nu het volgens de verpleegkundige voor haar niet meer mogelijk was zorg te verlenen aan klager en zijn echtgenote, heeft het hoofd van de sector besloten deze verpleegkundige te vervangen door een andere verpleegkundige. Verweerster heeft dit besluit, waar zij overigens wel achter stond, slechts aan klager medegedeeld. Klager heeft niet nader onderbouwd welk tuchtrechtelijk verwijt verweerster met betrekking tot dit besluit valt te maken.
Evenmin is gebleken dat verweerster klager ervan heeft weerhouden te protesteren tegen de vervanging van de verpleegkundige. Klager heeft ook wel degelijk, zij het pas na enkele maanden, tegen de vervanging geprotesteerd. Ook het laatste klachtonderdeel is ongegrond. Het college wijst op grond van het voorgaande de klacht af als ongegrond ”.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
3.1. Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor zijn weergegeven onder 2.1.
4. Beoordeling van het hoger beroep
Procedure
4.1. In hoger beroep heeft klager zijn klacht herhaald en nader toegelicht.
4.2. De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Beoordeling
4.3. De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. W.D.H.Asser, voorzitter, mr. W.P.C.M. Bruinsma en mr. J.M.T. van der Hoeven-Oud, leden-juristen en drs. H.G.M. Menke, P. van der Zee,
drs. M.G.M. Smid-Oostendorp en drs. P.J. Schimmel, leden-beroepsgenoten, en
mr. B.J. Broekema-Engelen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van
13 augustus 2013. Voorzitter w.g. Secretaris w.g.