ECLI:NL:TGZCTG:2013:31 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2011.431
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2013:31 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-06-2013 |
| Datum publicatie: | 25-06-2013 |
| Zaaknummer(s): | c2011.431 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen psychiater. Klaagster verwijt de psychiater dat zij klaagster verkeerd heeft gediagnosticeerd; zij klaagster niet heeft geholpen met de rouwverwerking; zij de IBS in gang heeft gezet en dat de politie klaagster uit huis heeft gehaald zonder gedegen onderzoek door een psychiater. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2011.431 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
I., psychiater, werkzaam te M., verweerster in beide instanties,
gemachtigde: mr. M.J. Bos, verbonden aan DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klaagster - heeft bij brieven van 25 mei 2009, 21 augustus 2009 en
2 september 2009, ingekomen op 27 mei 2009, 26 augustus 2009 respectievelijk
7 september 2009 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen I. - hierna verweerster - een klacht ingediend. Bij beslissing van 3 november 2011, onder nummer 120/2009 heeft dat College de klacht afgewezen. Klaagster is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. Verweerster heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. De zaak is in hoger beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaken C2011.277, C2011.278, C2011.279, C2011.280, C2011.379, C2011.380, C2011.381, C2011.382, C2011.387, C2011.388, C2011.389, C2011.428 en C2011.433 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 22 mei 2013, waar zijn verschenen klaagster en verweerster, bijgestaan door
mr. M.J. Bos. Klaagster heeft haar standpunten nader toegelicht (mede) aan de hand van een pleitnotitie die zij aan het Centraal Tuchtcollege heeft overhandigd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. DE FEITEN
Klaagster heeft bij het college betreffende haar psychiatrische behandeling klachten ingediend tegen alle hulpverleners van wie de naam in het medisch en verpleegkundig dossier is vermeld.
Op grond van de stukken, waaronder het medisch dossier, en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht tegen verweerster, van het volgende te worden uitgegaan.
Verweerster was en is als psychiater werkzaam bij de Instelling voor Geestelijke Gezondheidszorg, thans L. genaamd.
Klaagster, geboren in 1962, heeft een psychiatrische voorgeschiedenis. Zij heeft in 1988 een manische psychose doorgemaakt na het overlijden van haar vader en in 1990 en 1992 kraambedpsychoses, waarbij opnames plaatsvonden.
In 1998 werd klaagster met een inbewaringstelling (IBS) opgenomen. Bij ontslag luidde de DSM IV diagnose:
As I: manische episode
As II: borderline persoonlijkheidsstoornis
As III: in 1972 is pte. geschept door een auto: 3 dagen (?) in coma gelegen
As IV: er zijn problemen binnen de primaire steungroep
AS V: GAF-score bij opname: 20-60.
In 2003 was er een aanmelding van klaagster voor begeleiding op individuele en op echtpaarbasis bij oplopende spanningen bij risico van manische decompensatie.
De echtgenoot van klaagster overleed op 26 september 2006 aan alvleesklierkanker. Klaagster bleef achter met vier kinderen in de leeftijd van 14 tot 18 jaar.
Kort voor zijn overlijden, op 17 augustus 2006, verwees klaagsters huisarts haar naar verweerster. Dit om reden van de ziekte van klaagsters echtgenoot en de angst voor wat zou komen. Afgesproken werd dat klaagster altijd kon bellen met verweerster of haar team en dat er psychiatrische thuiszorg ingezet zou worden, voor en na het overlijden van haar echtgenoot. Deze zorg werd verleend door de psychiatrisch verpleegkundige S.,
Op 1 september 2006 maakte S. kennis met klaagster en haar echtgenoot. Er werden wekelijkse contacten afgesproken. Op 19 september 2006 belde klaagster met de GGZ-thuiszorg met de mededeling dat S. niet meer bij haar thuis hoefde te komen.
Klaagster had nog telefonisch contact met verweerster.
Op 4 april 2007 was klaagster samen met haar huisarts en op diens verzoek voor een spoedconsult bij verweerster. De huisarts vroeg het spoedconsult aan, omdat hij van mening was dat het niet goed ging met klaagster. De huisarts had signalen gekregen dat klaagster erg onrustig was, emotioneel labiel, het huishouden liet lopen en ruzie zocht met soms fysieke dreiging. Met klaagster werd gesproken over een vrijwillige opname, maar dat wilde zij niet. Verweerster zag op dat moment geen indicatie voor het aanvragen van een IBS; wel eventueel voor een opname met een rechterlijke machtiging in verband met de psychische gezondheid van de kinderen en het uitputtingsgevaar van klaagster zelf. Klaagster is tijdens het gesprek met verweerster weggelopen. Na het vertrek van klaagster heeft verweerster een voormelding gedaan bij de RIAGG met betrekking tot het toestandsbeeld van klaagster.
Op 5 april 2007 werd verweerster gebeld door een medewerker van de RIAGG crisisdienst, die op verzoek van klaagsters huisarts een huisbezoek had afgelegd. Verweerster adviseerde dat klaagster moest worden opgenomen. Omdat een handgemeen ontstond, schakelde de medewerker van de crisisdienst de politie in en besloot de RIAGG tot het aanvragen van een IBS-beoordeling. Vervolgens gaf klaagster aan toch vrijwillig opgenomen te willen worden. De wens tot opname was echter wisselend. Toen klaagster in het psychiatrisch ziekenhuis de O. te M. aangaf dat zij naar huis wilde, werd op 6 april 2007 alsnog besloten tot het aanvragen van een IBS-beoordeling. De geneeskundige verklaring bij de IBS werd opgesteld door een onafhankelijke psychiater. De IBS werd op 6 april 2007 afgegeven door de burgemeester van M.. Op 12 april 2007 werd de IBS bekrachtigd door de rechter. Op 24 mei 2007 werd een voorlopige rechterlijke machtiging voor opname en verblijf afgegeven.
Op 9 juli 2007 is klaagster met voorwaardelijk ontslag gegaan. De rechterlijke machtiging liep door tot 24 november 2007.
Blijkens de ontslagbrief van 11 juli 2007 was de classificatie volgens DSM-IV bij ontslag:
As I : 296.42 bipolaire stoornis I, laatste episode manisch
As II: 301.9 borderline persoonlijkheidsstoornis
As III: 799.9 geen diagnose
As IV problemen binnen de primaire steungroep (relationeel systeem)
As V: GAF-score 60 bij opname 65 bij ontslag.
De medicatie bij ontslag was Lithiumcarbonaat 1400 mg, Lorazepam een maal daags 2,5 mg en Lorazepam 3 maal daags zo nodig 1 mg.
Verweerster was belast met de nazorg.
Klaagster schreef verweerster op 10 december 2007 een brief, waarin zij uiteenzette hoe zij de gang van zaken rond de opname begin april 2007 en met name het gesprek op 4 april 2007 had ervaren. Verweerster reageerde bij brief van 21 januari 2008. Op 4 februari 2008 ontving verweerster een e-mailbericht van de patiënten-vertrouwenspersoon dat klaagster zich door de brief van verweerster oprecht tegemoet gekomen voelde in haar gevoelens en dat zij voldoende uitleg had gekregen.
Bij brief van 13 december 2007 schreef verweerster aan klaagsters huisarts dat zij de behandeling van klaagster, op verzoek van klaagster, had overgedragen aan een collega.
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt verweerster volgens het proces-verbaal van het vooronderzoek – zakelijk weergegeven – dat:
1. zij klaagster verkeerd heeft gediagnosticeerd;
2. zij klaagster niet heeft geholpen met de rouwverwerking;
3. zij de IBS in gang heeft gezet;
4. de politie klaagster uit huis heeft gehaald zonder gedegen onderzoek door een
psychiater.
Ter zitting heeft klaagster bevestigd dat deze weergave van haar klacht juist is.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER
Verweerster voert (impliciet) aan dat de tegen haar ingediende klacht ongegrond is. Voor zover nodig wordt hierna nog op het verweer ingegaan.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Het college brengt in herinnering dat slechts dan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt aan een behandelaar, als de feiten en omstandigheden, waarop de klacht is gebaseerd, voldoende vast zijn komen te staan. Met andere woorden als daarvoor voldoende bewijs bestaat. De vraag of dat bewijs bestaat, beantwoordt het college aan de hand van de overgelegde stukken, in het bijzonder het medisch dossier, het verhandelde ter zitting en de daar afgelegde getuigenverklaringen. Daarbij geldt verder dat geen klacht gegrond kan worden verklaard, als een verklaring van klaagster geen steun vindt in het overige bewijsmateriaal. Dat is niet zo omdat aan een verklaring van klaagster minder waarde wordt toegekend dan aan een verklaring van verweerster maar berust op de omstandigheid dat, om de arts een tuchtrechtelijk verwijt te maken, hetgeen waarover wordt geklaagd feitelijk moet vaststaan.
5.3
Gelet op het voorgaande stelt het college vast dat de overgelegde dossiers met daarin onder meer de rapportage van de RIAGG, de verpleegkundige rapportages, verslagen van overleggen, decursus en brieven van artsen over de behandeling van klaagster een samenhangend en sluitend geheel vormen. Deze stukken acht het college doorslaggevend voor het bewijsmateriaal dat nodig is voor de beoordeling van de klacht. De verklaringen van klaagster in geschrift en ter zitting kunnen daaraan – hoezeer het college ook begrijpt dat klaagster haar psychiatrische behandeling anders heeft ervaren – niet afdoen. De verklaringen van de getuigen ter zitting leiden evenmin tot een ander oordeel, nu zij niet uit eigen waarneming hebben kunnen verklaren over feiten en omstandigheden als bedoeld in de klachtonderdelen vermeld in rubriek 3.
5.4
Klachtonderdeel 1 heeft kennelijk betrekking op het consult van klaagster en haar echtgenoot op 17 augustus 2006, het spoedconsult met de huisarts op 4 april 2007 en het telefonisch consult aan de medewerker van de RIAGG crisisdienst op 5 april 2007.
Op 17 augustus 2006 was geen sprake van een diagnose maar een preventieve inschakeling van thuiszorg.
De beschrijving, anamnese, op 4 april 2007 van het toestandsbeeld van klaagster mocht verweerster duiden als een maniform toestandsbeeld. Een diagnose in de zin van DSM IV, laat staan een onjuiste diagnose, heeft verweerster niet opgesteld. Met een shock als gesteld door klaagster behoefde verweerster geen rekening te houden gelet ook op de psychiatrische voorgeschiedenis van klaagster. Verweerster heeft naar het oordeel van het college terecht een voormelding van het toestandsbeeld van klaagster gedaan bij de RIAGG. Zij heeft daarmee een juiste invulling gegeven aan haar zorgplicht jegens klaagster.
Datzelfde geldt voor het advies op 5 april 2007 aan de medewerker van de crisisdienst toen zij telefonisch werd geconfronteerd met de situatie tijdens zijn huisbezoek.
Blijkens de briefwisseling tussen klaagster en verweerster is het gesprek op 4 april 2007 niet goed verlopen. Verweerster had bij aanvang van het gesprek niet de juiste toon weten te vinden. Het college begrijpt uit de in rubriek 2 genoemde e-mail van 4 februari 2008 van de patiëntenvertrouwenspersoon dat klaagster voldoende uitleg had gekregen en dat dit punt dan ook geen onderdeel uitmaakt van de klacht.
Klachtonderdeel 1 faalt dus.
5.5
De overige klachtonderdelen vinden geen steun in het bewijsmateriaal. Verweerster heeft gezorgd voor behandeling van klaagster. De IBS werd niet in gang gezet door verweerster maar aanvankelijk door de crisisdienst van de RIAGG en vervolgens vanuit de O.. De politie werd niet ingeschakeld door verweerster maar door de crisisdienst van de RIAGG nadat een handgemeen was ontstaan.
De klachtonderdelen 2, 3 en 4 falen dus.
5.6
Het college komt tot de slotsom dat de klacht in alle onderdelen ongegrond is.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet is bestreden.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1 In hoger beroep heeft klaagster haar klacht herhaald en nader toegelicht.
4.2 Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4.3 De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, mr. J.P. Balkema en
mr. A. Smeeïng-van Hees, leden-juristen en drs. M. Drost en drs. F.M.M. van Exter, leden- beroepsgenoten en mr. R. Blokker, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van
25 juni 2013. Voorzitter w.g. Secretaris w.g.