ECLI:NL:TGZCTG:2013:118 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2013.031

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2013:118
Datum uitspraak: 10-10-2013
Datum publicatie: 11-10-2013
Zaaknummer(s): c2013.031
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klaagster is opgenomen geweest in een gesloten afdeling van een instelling voor geestelijke gezondheidszorg. Ten tijde van deze opname was de arts betrokken bij de behandeling van klaagster als arts-assistent psychiatrie. Klaagster verwijt de aangeklaagde arts dat de diagnose niet op de juiste wijze is gesteld en dat er onvoldoende grond was voor dwangtoepassing. RTG Eindhoven wijst de klacht als kennelijk ongegrond af. CTG verwerpt het beroep.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2013.031 van:

A., verblijvende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

gemachtigde: J.R.B. Lizé,

tegen  

C., psychiater, werkzaam te D., verweerster in beide instanties,

gemachtigde: mr.drs. P.A. de Zeeuw.

1.         Verloop van de procedure

A. - hierna klaagster - heeft op 7 juli 2011 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen C. - hierna de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 12 november 2012, onder nummer 11110c, heeft dat College de klacht afgewezen.

Klaagster is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De zaak is in hoger beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2013.030 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 5 september 2013, waar zijn verschenen klaagster, bijgestaan door J.R.B. Lizé, en de arts, bijgestaan door mr.drs. P.A. de Zeeuw. Klaagster heeft ter zitting, met instemming van de arts, nog een productie overgelegd.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

2.      De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende: Klaagster is in de periode vanaf juli 2001 tot en met juni 2005 met tussenpozen opgenomen geweest in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg; ten tijde van de opname in de gesloten afdeling in juli 2001 was verweerster bij de behandeling betrokken als arts-assistent psychiatrie. De eerder elders bij klaagster vastgestelde diagnose manisch toestandsbeeld is bij opname (mede) door verweerster bevestigd.

3.         Het standpunt van klaagster en de klacht

Op 11 juli 2001 is de diagnose bipolaire stoornis bij klaagster vastgesteld door twee psychiaters van de instelling. Dit is niet op de juiste wijze gebeurd

4.         Het standpunt van verweerder

Op 11 juli 2001 werd klaagster psychiatrisch onderzocht door een collega op het politiebureau. Op basis van het onderzoek heeft deze collega een geneeskundige verklaring IBS uitgeschreven met als diagnostische conclusie een manisch toestandsbeeld. Vervolgens is klaagster opgenomen in de gesloten opnameafdeling; tijdens de opname was verweerster de bij de behandeling betrokken arts-assistent psychiatrie; zij heeft, onder supervisie van de behandelend psychiater, voornoemde diagnose bij de opname bevestigd.

5.         De overwegingen van het college

De (mede) door verweerder gestelde diagnose is neergelegd in het bij verweer overgelegde schrijven aan de huisarts van klaagster. Aan de hand van de inhoud deze brief kan niet worden geconcludeerd dat verweerster niet tot de gewraakte diagnose had kunnen komen.

De klacht is daarom kennelijk ongegrond.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de

volgende feiten:

            3.1       Op 11 juli 2001 is klaagster op het politiebureau te D. psychiatrisch onderzocht door E. Op basis van dit onderzoek heeft E. een geneeskundige verklaring IBS uitgeschreven met als diagnostische conclusie een manisch toestandsbeeld.

            3.2       Klaagster is vervolgens opgenomen op een gesloten afdeling van F. te D. Vanaf het moment van opname op 11 juli 2001 tot het moment van ontslag van klaagster op 6 augustus 2001 was de arts de behandeld arts van klaagster. De arts heeft, na psychiatrisch onderzoek en in overleg met de vaste afdelingspsychiater, de diagnose manisch toestandsbeeld bevestigd. De arts heeft op 12 juli 2001 een behandelplan opgesteld.

          3.3         Op 19 juli 2001 heeft klaagster een verpleegkundige met de dood bedreigd, waarna zij door (de vervanger van) de vaste afdelingspsychiater is onderzocht. Vanaf 20 juli 2001 is klaagster (wederom) gesepareerd verpleegd en heeft zij medicatie toegediend gekregen. Op 20 juli 2001 is de noodzaak tot dwangtoepassing door een onafhankelijk psychiater bevestigd.

4.       Beoordeling van het hoger beroep

            Procedure

4.1.      Met haar beroep beoogt klaagster de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege ter beoordeling voor te leggen. Kort samengevat stelt klaagster zich op het standpunt dat (i) de diagnose onzorgvuldig en tuchtrechtelijk verwijtbaar tot stand is gekomen en (ii) er onvoldoende grond was tot dwangtoepassing.

4.2       De arts heeft in hoger beroep gemotiveerd verweer gevoerd.  De arts heeft aangevoerd dat de aanvankelijk door E. gestelde diagnose door haar tijdens de opname is bevestigd op basis van observaties van de symptomen en klachten van klaagster, en het beloop hiervan. De arts stelt voorts dat zij in haar hoedanigheid van arts-assistent psychiatrie geheel conform vigerend beleid en onder supervisie van (de vervanger van) de vaste afdelingspsychiater heeft gehandeld. De arts concludeert tot verwerping van het beroep.

            Beoordeling

4.3       Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat er reeds geruime tijd is verstreken sinds het handelen van de arts in 2001 waarop de klacht betrekking heeft. Gelet op dit tijdsverloop acht het Centraal Tuchtcollege het voorstelbaar dat de arts, zoals zij ter zitting heeft verklaard, zich bij haar verweer heeft moeten verlaten op de inhoud van het medisch dossier, waarvan de ontslagbrief van 8 november 2001 deel uitmaakt.

4.4       Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de klaagster en de arts naar voren is gebracht , is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de arts in de gegeven omstandigheden alleszins zorgvuldig is geweest bij de bevestiging van de diagnose en de behandeling van klaagster, waaronder de behandeling ten tijde van de dwangtoepassing. De arts valt naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

4.5       Gelet op het hiervoor overwogene dient het beroep van klaagster te worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: mr. E.J. van Sandick, voorzitter, mr. J.P. Balkema en prof. mr. J.K.M. Gevers, leden-juristen en mr. drs. R.H. Zuijderhoudt en drs. M. Drost, leden- beroepsgenoten en mr. J. van den Hoven, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 oktober 2013.         Voorzitter   w.g.     Secretaris  w.g.