ECLI:NL:TPETPVE:2012:6 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren Zoetermeer TPPE2412

ECLI: ECLI:NL:TPETPVE:2012:6
Datum uitspraak: 21-11-2012
Datum publicatie: 20-12-2012
Zaaknummer(s): TPPE2412
Onderwerp: Dierenwelzijn
Beslissingen: Geldboete
Inhoudsindicatie: Betreft het niet beschikbaar hebben van het minimum vloeroppervlak per dier in de stallen 1 en 2. In totaal 11.430 vleeskuikenouderdieren hebben omgerekend per dier een vloeroppervlak van 1.224 cm2 per vleeskuikenouderdier gehad in plaats van de vereiste 1.300 cm2. Dit betekent een overschrijding van de norm met 6,2 %. Hiervoor wordt een geldboete opgelegd van € 800,-, waarvan   € 400, - voorwaardelijk, proeftijd twee jaar. Naast het sanctioneren van de overtreding van de welzijnsnorm beoogt het Tuchtgerecht het economisch voordeel door middel van het opleggen van een geldboete weg te nemen. Vast is komen te staan dat de dieren in de stallen 3 en 4 ruim boven de 1.300 cm2 vloeroppervlakte ter beschikking hadden. Het Tuchtgerecht concludeert dat er op basis van deze cijfers geen sprake is geweest van economisch voordeel en legt hiervoor dan ook geen sanctie op.

Zaaknummer :

TPPE 24/2012

Betrokkene :

[bedrijfsnaam]

[adres]

Datum :

21 november 2012

Gang van zaken :

De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD WEL 1236, naar aanleiding van een inspectie door een controleur van CoMore op 30 juli 2012 op de onderneming die wordt uitgeoefend op het bedrijf aan [adres], dat op naam van [bedrijfsnaam] is geregistreerd onder [UBN].

Het Tuchtgerecht heeft de zaak beoordeeld op basis van de schriftelijke verklaring, zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 21 november 2012 behandeld op zijn openbare terechtzitting, gehouden te Amersfoort.

Betrokkene is behoorlijk en tijdig bij aangetekende brief opgeroepen, maar is niet op de zitting verschenen.

Ter zitting zijn verder verschenen de heer mr. R.B.R. Henke en de heer H.B.A. Hulsbergen, beide namens het PPE, en de heer H.G.M. Grolleman, namens CoMore.

Behandeling van de zaak :

In een verweerschrift van betrokkene, gedateerd 20 november 2012, verklaart deze dat het berechtingsrapport dat CoMore heeft opgemaakt onder nummer CBD WEL 1236, twee verkeerde aannames bevat ten aanzien van de beschikbare vloeroppervlakte. Op basis van het in het berechtingsrapport genoemde vloeroppervlak van 966,85 m2 is hij niet in overtreding, zo stelt betrokkene.

Ter terechtzitting heeft de heer Henke van het Productschap aangegeven dat op pagina 2 van het berechtingsrapport een verschrijving heeft plaatsgevonden. Een 6 en een 9 zijn daar verwisseld. Het juiste vloeroppervlak is 699,86 m2 . Hij geeft aan dat de schriftelijke verklaring wel correct is opgesteld. Hij overlegt voorts een tweetal documenten aan het Tuchtgerecht. Dat zijn controlerapporten van CoMore, een met datum 12 maart 2012 en het ander met datum 30 juli 2012. Uit deze rapporten blijken de maten van de stal. Beide bevatten de handtekening van de pluimveehouder.

De documenten worden bij de stukken van de zaak gevoegd.

De voorzitter van het Tuchtgerecht stelt vast, dat er inderdaad sprake is van twee verschillende getallen in berechtingsrapport en in schriftelijke verklaring. Uit de toelichting van het Productschap blijkt echter, aldus de voorzitter, dat er sprake is van een kennelijke verschrijving. De juiste maat is 699,86 m2, daarvoor heeft betrokkene ook twee maal getekend. Voorts is van  belang dat in de schriftelijke verklaring, die voor het Tuchtgerecht bepalend is, de redenering omtrent het beschikbare vloeroppervlak op de juiste wijze is gevolgd. De schriftelijke verklaring is door betrokkene in zijn verweer niet in twijfel getrokken.

De voorzitter stelt nog vast dat aan betrokkene in telefonisch contact met de secretaris van het Tuchtgerecht op 15 november 2012 de mogelijkheid van uitstel is geboden, om bij een volgende zitting zijn zaak zelf te kunnen bepleiten, en dat betrokkene daar geen gebruik van heeft gemaakt.

Alles in ogenschouw nemende concludeert het Tuchtgerecht dat er voor het constateren van de feiten zal worden uitgegaan van de maat per stal van 699,86 m2 en verwerpt daarmee het verweer van betrokkene op dit punt.

Het Tuchtgerecht heeft op 21 november 2012 uitspraak gedaan.

Verweten gedraging :

Op een leeftijd van 22 weken werden zowel in stal 1 als in stal 2 van het bedrijf van betrokkene 5.715 vleeskuikenouderdieren gehouden op een vloeroppervlakte van 1.224 cm2 per vleeskuikenouderdier in beide stallen.

Artikel 4, onder a. van de Verordening welzijnsnormen vleeskuikenouderdieren 2003 schrijft voor dat per vleeskuikenouderdier een vloeroppervlakte van ten minste 1.300 cm2 beschikbaar is.

Verklaring van betrokkene :

In het berechtingsrapport is onder meer de volgende verklaring van betrokkene opgenomen, zakelijk weergegeven:

“Het is bij het opzetten van de vleeskuikenouderdieren niet goed gegaan. (…) Als de dieren op de juiste wijze verdeeld waren over de vier stallen hadden alle dieren op het bedrijf meer dan 1.300 c m2 vloeroppervlakte gehad.”

Bewijs en verwijtbaarheid :

Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van de inhoud van het berechtingsrapport en de daarin opgenomen verklaring van betrokkene, alsmede op grond van de gepresenteerde feiten in de schriftelijke verklaring en afgaande op de door het Productschap ter zitting overlegde documenten betreffende de juiste maten van stal 1 en 2, vast is komen te staan dat op het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is bij het Productschap Pluimvee en Eieren onder [UBN], de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:

Het niet beschikbaar hebben van het minimum vloeroppervlak van 1.300 cm2 per dier in de stallen 1 en 2.

Dit levert op:

Overtreding van artikel 4 aanhef en onder a. van de Verordening welzijnsnormen vleeskuiken-ouderdieren 2003.

Motivering van de tuchtrechtelijke maatregel :

Bij de vorming van zijn oordeel neemt het Tuchtgerecht nota van de verklaring van de betrokkene blijkende uit het berechtingsrapport onder nummer CBD WEL1236 en van het schriftelijke verweer van betrokkene de dato 20 november 2012.

Op grond van het bovenstaande overweegt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, het volgende:

De verordening stelt minimumeisen aan de huisvesting van vleeskuikenouderdieren, zodat het welzijn van de dieren wordt gewaarborgd. Daarmee komt de sector tegemoet aan maatschappelijke en politieke opvattingen over de minimale standaard voor pluimvee in de reproductiesector. De minimumeisen met betrekking tot de huisvesting zijn opgesteld conform de normen die door de Dierenbescherming en de Nederlandse Organisatie van Pluimveehouders (NOP) in hun gezamenlijke brief van 28 september 2000 aan de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zijn geadviseerd. De verordening, in werking getreden in 2003, kende voor wat betreft de eisen aan vloeroppervlak een overgangstermijn tot 1 juni 2008. De houders van vleeskuikenouderdieren zijn door het PPE per brief op de inhoud van de Verordening welzijnsnormen vleeskuikenouderdieren 2003 gewezen.

Artikel 4 aanhef en onder a. van de verordening schrijft voor dat per dier 1.300 cm2 beschikbaar moet zijn. In stal 1 hadden op de peildatum 5.715 dieren bij een oppervlakte van 699,86 m2 elk 1.224 c m2 ter beschikking, dat wil zeggen 76 c m2 ruimte te weinig. Dit betekent een overschrijding van de norm met 6,2 %. Voor stal 2 zijn de getallen exact hetzelfde.

Dit betekent concreet dat de pluimveehouder teveel dieren hield in beide stallen.

Het Tuchtgerecht oordeelt dat door de overschrijding van de norm het welzijn van alle dieren - en dus niet alleen van het teveel aan dieren per stal - is geschaad. In stal 1 en 2 waren in totaal 11.430 dieren geplaatst en dientengevolge hadden alle in die stal aanwezige dieren ruimte te weinig. Al deze dieren hebben geleden onder het tekort aan vloeroppervlak. De overtreding werd aangemerkt als zeer ernstig.

Naast het sanctioneren van de overtreding van de welzijnsnorm beoogt het Tuchtgerecht het economisch voordeel door middel van het opleggen van een geldboete weg te nemen.

*       Ten aanzien van het economisch voordeel stelt het Tuchtgerecht dat betrokkene mogelijk economisch voordeel heeft gehad, indien meer dieren werden gehouden dan de norm toeliet.

         Het Tuchtgerecht beoogt in die gevallen het economisch voordeel door middel van het opleggen van een geldboete weg te nemen. Het Tuchtgerecht gaat bij het bepalen van het economisch voordeel uit van het totaal aantal dieren dat werd gehouden op het gehele bedrijf afgezet tegen het maximale aantal dieren dat op het bedrijf gehouden mag worden.

Uit de controlebevindingen van 12 maart 2012 is gebleken, aldus het berechtingsrapport, dat de dieren in de stallen 3 en 4 inderdaad ruim boven de 1.300 c m2 vloeroppervlakte ter beschikking hadden. De controleur geeft aan dat de gemiddelde oppervlakte over de stallen

1 tot en met 4 per vleeskuikenouderdier 1.318 c m2 zou hebben bedragen.

Het Tuchtgerecht concludeert dat er op basis van deze cijfers geen sprake is geweest van economisch voordeel en legt hiervoor dan ook geen sanctie op.

*        Ten aanzien van de overtreding van de welzijnsnorm: deze wordt bewezen geacht en daarvoor legt het Tuchtgerecht een boete op. Daarbij telt het feit dat het welzijn van alle dieren in de stallen 1 en 2 in het geding is gekomen als zeer ernstig.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete is rekening gehouden met het feit dat betrokkene een bedrijf heeft van kleinere omvang en met het feit dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Het Tuchtgerecht legt de geldboete deels voorwaardelijk op.

Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, dat betrokkene – gelet op artikel 8, eerste en tweede lid, van de Verordening welzijnsnormen vleeskuikenouderdieren 2003 – de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:

Beslissing:

Een geldboete van € 800 (zegge: achthonderd euro), waarvan € 400 (zegge: vierhonderd euro) voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Indien binnen deze periode van twee jaar niet door betrokkene aan de voorwaarde wordt voldaan, wordt – nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt – het voorwaardelijke deel van de boete alsnog ten uitvoer gelegd. De voorwaarde is, dat geen enkele bepaling van de Verordening welzijnsnormen vleeskuikenouderdieren 2003 of een andere bepaling over dierenwelzijn in de pluimveehouderij mag worden overtreden.

Toepasselijke artikelen :

Naast de reeds vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Pluimvee en Eieren.

Samenstelling van het Tuchtgerecht:

De uitspraak is gedaan door mr. L.F.A. Husson , voorzitter en de heer ing. J. Bazuin en de heer drs. T.S. de Vries, leden, in aanwezigheid van mevrouw drs. A.M.P. Regout, secretaris.