ECLI:NL:TPETPVE:2012:2 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren Zoetermeer TPPE2212

ECLI: ECLI:NL:TPETPVE:2012:2
Datum uitspraak: 21-11-2012
Datum publicatie: 20-12-2012
Zaaknummer(s): TPPE2212
Onderwerp: Dierengezondheid
Beslissingen: Geldboete
Inhoudsindicatie: Geen AI-onderzoek uitgevoerd, in twee perioden, op bedrijf met biologische leghennen, gehouden in vrije uitloop. Monitoring is bedrijfsgebonden en niet koppelgebonden, zoals betrokkene veronderstelde. Tevens was betrokkene gevaren op de mening van de dierenarts, die meende dat bloed tappen niet nodig was, nu het koppel vóór het opzetten op zijn bedrijf onderzocht was op AI. Betrokkene blijft echter als ondernemer altijd zelf verantwoordelijk voor de juiste naleving van de regelgeving op zijn bedrijf. Volgt geldboete van € 900,- waarvan € 450,- voorwaardelijk, proeftijd twee jaar.

Zaaknummer :

TPPE 22/2012

Betrokkene :

Maatschap [bedrijfsnaam]

[adres]

Datum :

21 november 2012

Gang van zaken :

De zaak berust op een berechtingsrapport dat CoMore Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: CoMore) heeft opgemaakt onder nummer CBD AI 1235, naar aanleiding van een telefonische inspectie, gehouden op 4 september 2012 door een controleur van CoMore, met betrekking tot het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is onder [UBN].

Bovengenoemd berechtingsrapport houdt in de constatering van de navolgende feiten door betrokkene begaan, omschreven in de in deze zaak opgemaakte schriftelijke verklaring, zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

Het Tuchtgerecht heeft de zaak op 21 november 2012 behandeld op zijn openbare terechtzitting, gehouden te Amersfoort.

Betrokkene is behoorlijk en tijdig bij aangetekende brief opgeroepen, maar is niet op de zitting verschenen.

Ter zitting zijn verschenen de heer mr. R.B.R. Henke en de heer ir. J.N  Schouwenburg, beide namens het PPE, en de heer H.G.M. Grolleman, namens CoMore.

Het Tuchtgerecht heeft op 21 november 2012 uitspraak gedaan.

Verweten gedraging :

Het in het vierde kwartaal van 2010 en het eerste kwartaal van 2012 niet voldoen aan de verplichting tot het uitvoeren van onderzoek naar de aanwezigheid van antistoffen tegen Aviaire influenza.

Verklaring van betrokkene :

Blijkens het berechtingsrapport heeft betrokkene onder meer het volgende verklaard:

“In het vierde kwartaal van 2010 zijn er geen bloedmonsters genomen omdat het koppel net vo or de overplaatsing begin oktober 2010 onderzocht was op AI. Mijn dierenarts dacht ook dat er dan niet opnieuw bloed getapt behoefde te worden.

In 2012 (…) [is] het nieuwe koppel (..) op 28 februari opgezet. Ik begrijp van het Productschap dat ik (..) voor eind maart 2012 nog had moeten laten tappen. ”

Op 20 november heeft betrokkene een schriftelijke verklaring aan het Tuchtgerecht gestuurd, waarvan de strekking luidt, zakelijk weergegeven:

“Wij waren in de veronderstelling dat een onderzoek per koppel per drie maanden noodzakelijk was. Nu blijkt dat dit per koppel per drie maanden per bedrijf is.”

Bewijs en verwijtbaarheid :

Uit het berechtingsrapport blijkt dat in het vierde kwartaal van 2010 en het eerste kwartaal van 2012 is nagelaten onderzoek op de aanwezigheid van antistoffen tegen Aviaire influenza uit te laten voeren. Van die periode is geen laboratoriumuitslag ontvangen. Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van de inhoud van het berechtingsrapport en de daarin opgenomen verklaring van betrokkene, ter zitting vast is komen te staan dat op het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is onder [UBN] de volgende gedraging heeft plaatsgevonden:

Het twee keer nalaten van bloedonderzoek op antistoffen tegen Aviaire influenza.

Dit levert op:

Twee overtredingen van artikel 2, lid 1, juncto artikel 3, lid 2, van de Verordening monitoring Aviaire influenza (PPE) 2005.

Motivering van tuchtrechtelijke maatregel(en) :

Bij de vorming van zijn oordeel neemt het Tuchtgerecht nota van de verklaring van de betrokkene blijkende uit het berechtingsrapport onder nummer AI 1235 en van de schriftelijke verklaring van betrokkene. Het Tuchtgerecht overweegt als volgt.

Uit de toelichting van de Verordening monitoring Aviaire influenza (PPE) 2005 blijkt het volgende. Aviaire influenza, ook wel klassieke vogelpest, of kippengriep, is een besmettelijke dierziekte die bij de laatste uitbraak in Nederland in 2003 grote schade aan de pluimvee- en eiersector heeft toegebracht. Preventieve maatregelen om een dergelijke uitbraak te voorkomen zijn van evident belang. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft daartoe, bij artikel 3a, eerste en tweede lid, van de regeling monitoring Aviaire Influenza 2003, medewerking gevorderd van het PPE. Het PPE heeft een monitoringsprogramma opgesteld en de monitoringsplicht verankerd in de Verordening monitoring Aviaire influenza (PPE) 2005. Pluimveehouders in Nederland moeten op regelmatige basis bloedonderzoek laten uitvoeren op de eventuele aanwezigheid van antistoffen tegen Aviaire influenza. Op bedrijven met vrije uitloop moet dit bloedonderzoek, gezien het verhoogde besmettingsgevaar bij buiten lopend pluimvee, een keer per kwartaal worden uitgevoerd. Nalaten van dit onderzoek ondermijnt het noodzakelijke inzicht in de gezondheidssituatie van de Nederlandse pluimveestapel en creëert daarmee een potentieel risico voor de Nederlandse pluimveesector. Monitoring Aviaire influenza is daarmee van essentieel belang voor het gezond houden van de Nederlandse pluimveestapel. De voorschriften met betrekking tot bloedonderzoek viaire influenza zijn sinds september 2009 onderwerp van tuchtrechtelijke handhaving. Het nalaten van monitoring is een zeer ernstige overtreding.

Betrokkene heeft een bedrijf met biologische leghennen, gehouden in vrije uitloop.

Ten aanzien van de verklaring van betrokkene overweegt het Tuchtgerecht als volgt.

De monitoring wordt vooral uitgevoerd om na te gaan of er ergens in Nederland het AI-virus circuleert. Daarom is de monitoring bedrijfsgebonden en niet koppelgebonden. Het Tuchtgerecht oordeelt dat de regels van het Productschap bekend moeten zijn bij de ondernemer en door hem moeten worden nageleefd.

Als verweer heeft betrokkene voorts aangevoerd dat hij mede is gevaren op de mening van de dierenarts, die meende dat bloed tappen niet nodig was, nu het koppel uit het vierde kwartaal van 2010 vóór het opzetten op zijn bedrijf onderzocht was op AI. Dit verweer houdt geen stand; betrokkene blijft als ondernemer altijd verantwoordelijk voor de juiste naleving van de regelgeving op zijn bedrijf.

Op basis van voormelde overwegingen komt het Tuchtgerecht in beginsel tot een hoge standaard boete per geconstateerde overtreding. Betrokkene heeft, zo is ter zitting komen vast te staan, twee overtredingen begaan.

Het Tuchtgerecht houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de grootte van het bedrijf (bedrijf van kleine omvang) en met het feit dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Het Tuchtgerecht legt een geldboete op, deels voorwaardelijk.

Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector, dat betrokkene - gelet op artikel 8a van de Verordening monitoring Aivaire influenza - de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd:

Beslissing:

Een geldboete van € 900 euro, (zegge: negenhonderd euro), waarvan € 450 (zegge: vierhonderdvijftig euro) voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Indien binnen deze periode van twee jaar niet door betrokkene aan de voorwaarde wordt voldaan, wordt – nadat deze uitspraak onherroepelijk wordt – het voorwaardelijke deel van de boete alsnog ten uitvoer gelegd. De voorwaarde is, dat geen enkele bepaling van de Verordening monitoring Aviaire influenza (PPE) 2005 of een andere bepaling over dierenwelzijn in de pluimveehouderij mag worden overtreden.

Toepasselijke artikelen :

Naast de reeds vermelde artikelen zijn van toepassing de Wet Tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en het Instellingsbesluit Productschap Pluimvee en Eieren.

Samenstelling van het Tuchtgerecht:

De uitspraak is gedaan door mr. L.F.A. Husson , voorzitter en de heer ing. J. Bazuin en de heer drs. T.S. de Vries, leden, in aanwezigheid van mevrouw drs. A.M.P. Regout, secretaris.