ECLI:NL:TGZRZWO:2012:YG2022 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 150/2011

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2012:YG2022
Datum uitspraak: 14-05-2012
Datum publicatie: 14-05-2012
Zaaknummer(s): 150/2011
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Raadkamerbeslissing.Klacht tegen huisarts vanwege achterwege laten lichamelijk onderzoek bij mogelijke verdenking van seksueel misbruik bij jong kind en niet doorverwijzen. Klacht kennelijk ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 14 mei 2012 naar aanleiding van de op 18 mei 2011 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B,

k l a a g s t e r

-tegen-

C , huisarts, werkzaam te B,

bijgestaan door  mr. V. Daniels, jurist bij de VvAA te Utrecht,

v e r w e e r d e r

1.      HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van:

-       het klaagschrift;

-       het verweerschrift met één bijlage;

-       de repliek;

-       de dupliek;

-       het medisch dossier.

Partijen hebben afgezien van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

2.      DE FEITEN

Op grond van de stukken waaronder het medisch dossier dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klaagster kwam op 17 maart 2011 met haar dochtertje (geboren 6 augustus 2007) bij verweerder op het spreekuur. Zij vermoedde dat haar dochtertje door haar vader (de ex-partner van klaagster) seksueel was misbruikt. Verweerder heeft het verhaal aangehoord en klaagster de mogelijkheid voorgelegd om aangifte te doen bij de politie. Tevens heeft hij verteld dat hij contact zou opnemen met een vertrouwensarts van het AMK om het vervolgbeleid vast te stellen. Diezelfde dag heeft hij nog telefonisch contact gehad met een vertrouwensarts, die de casus in haar team zou bespreken. Verweerder zou hierover de volgende dag worden teruggebeld.

Op 18 maart 2011 kwam klaagster weer met haar dochtertje op het spreekuur met het verzoek om haar dochtertje lichamelijk te onderzoeken, omdat zij klaagde over pijn tussen de billen. Verweerder heeft het dochtertje toen lichamelijk onderzocht, waarbij hij geen evidente sporen van mishandeling kon vaststellen. Klaagster gaf aan dat zij de volgende dag aangifte ging doen bij de zedenpolitie. Verweerder heeft die dag weer telefonisch een gesprek gehad met de vertrouwensarts van het AMK. Hierin heeft hij het consult van klaagster van die dag besproken. De vertrouwensarts opperde een eventueel psychologisch begeleidingstraject, maar de melding bij de zedenpolitie was de eerstvolgende stap. Omdat klaagster al had aangegeven dat zij aangifte zou doen bij de zedenpolitie, heeft verweerder op dat moment geen nadere actie ondernomen.

Klaagster heeft zich twee dagen later bij de huisartsenpost gemeld. Deze heeft het één en ander met de zedenpolitie teruggekoppeld. Een lichamelijk onderzoek was op dat moment niet nodig.

3.      HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt verweerder zakelijk weergegeven dat:

  1. hij haar dochtertje niet meteen bij het eerste consult inwendig heeft onderzocht, zodat zij meer bewijs in handen had gehad;
  2. zij niet is doorverwezen naar andere hulpinstanties.

4.      HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert zakelijk weergegeven aan dat de tegen hem ingediende klacht ongegrond is. Voor zover nodig wordt hieronder nader op zijn verweer ingegaan.

5.      DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1               

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel dat ziet op het feit dat verweerder bij het eerste consult niet meteen een lichamelijk en inwendig onderzoek bij het dochtertje van klaagster heeft gedaan, overweegt het college als volgt. Verweerder heeft tijdens het eerste consult de tijd genomen om het verhaal van klaagster aan te horen. Gezien de leeftijd van het kind in relatie tot de ernst van het gebeurde, het feit dat zowel vader als moeder en kind patiënt van hem waren, alsmede het feit dat verweerder -begrijpelijk- geen ervaring had met een dergelijke casus, heeft verweerder er op dat moment voor kunnen kiezen bij het kind geen anamnese en lichamelijk onderzoek te doen.

Het college is van oordeel dat verweerder juist heeft gehandeld door vervolgens wel met klaagster af te spreken dat hij diezelfde dag contact op zou nemen met een vertrouwensarts van het AMK. Dit heeft hij daadwerkelijk gedaan. Gelet op de mededeling van de AMK-arts dat zij de zaak in haar team zou bespreken en verweerder hierover de volgende dag zou terugbellen, kan het verweerder niet worden aangerekend dat hij geen verdere actie heeft ondernomen.

Toen klaagster zich de volgende dag wederom meldde bij verweerder met de mededeling dat  haar dochtertje klaagde over pijn tussen de billen, heeft verweerder haar toen wel onderzocht. Van dit onderzoek heeft hij genoteerd:

“Kind laat onderzoek gemakkelijk toe en oogt ontspannen. Vulva: uitwendig g.b., introïtus wat rood, geen bloedinglocus, hymen lijkt intact. Anus en perianale gebied normaal aspect.”. Naar het oordeel van het college duidt dit op een toereikend onderzoek en was er dan ook op dat moment geen aanleiding voor verder (inwendig) onderzoek.

Gelet op het voorgaande is dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond.

5.3

Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel dat ziet op het feit dat klaagster vindt dat zij ten onrechte niet is doorverwezen naar andere hulpinstanties overweegt het college als volgt.

Verweerder heeft klaagster bij het eerste consult de mogelijkheid voorgelegd om aangifte te doen bij de politie. Tevens heeft hij aangegeven dat hij contact op zou nemen met een vertrouwensarts van het AMK om het vervolgtraject vast te stellen. De adviezen van het AMK hierin luidden als volgt: aangifte doen bij de zedenpolitie en eventueel een psychologisch begeleidingstraject. Verweerder heeft het overleg dat hij met de vertrouwensarts van het AMK heeft gehad niet concreet met klaagster besproken. Het ware beter geweest als hij dit wel had gedaan, zodat klaagster ook op de hoogte was geweest van het standpunt van de deskundige op dit gebied, de vertrouwensarts. Nu echter de adviezen van de vertrouwensarts niet afweken van hetgeen verweerder zelf al met klaagster had besproken is het college van oordeel dat verweerder hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Ook dit klachtonderdeel kan niet slagen.

5.4

Het college komt tot de conclusie dat de klacht in al zijn onderdelen als kennelijk ongegrond dient te worden afgewezen.

6.      DE BESLISSING

Het college wijst de klacht af.

Aldus gedaan in raadkamer door mr. A.L. Smit, voorzitter, dr. H.A. van Dijk en  M.D. Klein Leugemors, leden-geneeskundigen, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Dijkman, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2012  door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.                                                                                                   

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.