ECLI:NL:TGZRSGR:2012:YG2301 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2011-244
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2012:YG2301 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-08-2012 |
| Datum publicatie: | 21-08-2012 |
| Zaaknummer(s): | 2011-244 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klager verwijt de huisarts dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld en niet de zorg heeft betracht die van hem gevergd mag worden door onvoldoende vragen te laten stellen door de assistente omtrent de gezondheid van patiënte, door na te laten om klager zelf te woord te staan en zich goed te laten informeren omtrent de gezondheid van patiënte. Voorts verwijt klager de arts dat hij geen reanimatie aanwijzingen heeft gegeven, maar de assistente aan de telefoon heeft gelaten. Klacht ongegrond. |
Datum uitspraak: 21 augustus 2012
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te 's-Gravenhage heeft de navolgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A
wonende te B,
klager,
tegen:
C, huisarts,
wonende te B,
de persoon over wie geklaagd wordt,
hierna te noemen de arts.
1. Het verloop van het geding
Het klaagschrift is ontvangen op 5 december 2011. De arts heeft tegen de klacht verweer gevoerd, waarna partijen achtereenvolgens hebben gerepliceerd en gedupliceerd. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord. De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare zitting van 26 juni 2012.
Partijen zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klager werd bijgestaan door mr. N. Plaisier , advocaat te Hendrik-Ido-Ambacht.
2. De feiten
D, geboren te B, was de partner van klager.
Op zaterdag 18 december 2010 om 10.39 uur heeft klager telefonisch contact opgenomen met de (spoed)dienst van de E te B, omdat D (hierna: patiënte) het benauwd had en moeite had met ademhalen. Naar aanleiding van dit telefoongesprek, dat gevoerd werd met de assistente van de huisartsenpost, heeft de dienstdoende arts, F, op 18 december 2010 om 11.00 uur een visite afgelegd. In het rapport van de visite is de diagnose emfyseem/COPD genoteerd. Bij expiratie was sprake van piepen en ronchi. Door die huisarts is Prednison en een Augmentin kuur voorgeschreven.
Op 19 december 2010 om 00.23 uur heeft klager wederom contact opgenomen met de spoeddienst van de huisartsenpost en aangegeven dat de situatie van patiënte in de loop van de dag en nacht was verslechterd en dat deze zeer benauwd was, veel hoestte en moeilijk sprak.
Klager is te woord gestaan door de assistente van de huisartsenpost. Deze heeft met klager en patiënte gesproken. Ten tijde van dit telefoongesprek was de arts één van de dienstdoende artsen op de huisartsenpost. De assistente heeft na ruggespraak met de arts klager geadviseerd patiënte wederom Ventolin (salbutamol-inhalatie) toe te dienen en als de situatie niet snel zou verbeteren weer contact op te nemen met de huisartsenpost. Tevens is – op aandringen van klager – door de assistente een visite van de arts toegezegd met de urgentie U3.
Om 00.32 uur werd dit telefoongesprek beëindigd.
Klager heeft, enkele minuten later, om 00.38 uur wederom met de huisartsenpost contact opgenomen en de assistente gevraagd om een ambulance aangezien patiënte steeds wegviel. Toen bleek dat patiënte tijdens dit gesprek bewusteloos geraakt was en niet meer ademde, heeft de assistente klager toegezegd dat zowel de ambulance als de arts onmiddellijk naar klager zouden worden gestuurd.
De assistente heeft tijdens dit gesprek klager telefonisch met de arts verbonden. Na kort klager te hebben aangehoord, is deze om 00.39.30 uur richting patiënte gaan rijden. De assistente heeft tevens de ambulance naar patiënte gestuurd. Het telefonisch contact met klager is enkele keren kort onderbroken voor het inschakelen van de ambulance en andere handelingen hieromtrent.
De assistente heeft vervolgens klager reanimatieadviezen gegeven. De arts is bij patiënte om 00.57 uur aangekomen en is meteen met de verdere reanimatie gestart.
De ambulance is om 01.01 uur bij patiënte aangekomen en heeft de reanimatiehandelingen overgenomen.
Patiënte is kort daarop overleden.
Naar aanleiding van een melding over de onderhavige gebeurtenissen aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft een interne commissie van de G onderzoek gedaan. Daarbij is geconcludeerd, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, dat tijdens het gesprek om 00.25 uur vanuit de NHG telefoonwijzer onvoldoende vragen zijn gesteld en dat de toenemende benauwdheid van patiënte een visite rechtvaardigde. Voor het telefoongesprek om 00.38 uur is geconcludeerd, samengevat, dat de assistente met betrekking tot de telefonische reanimatieadviezen evenmin heeft gehandeld conform de NHG telefoonwijzer, terwijl een adequaat reanimatieadvies van de arts, in plaats van een direct toezeggen van een visite, op zijn plaats was geweest.
3. De klacht
Klager verwijt de arts, kort samengevat en zakelijk weergegeven, dat:
- de arts die tijdens het met de assistente om 00.23 uur gevoerde telefoongesprek gedeeltelijk aanwezig was, onvoldoende vragen heeft laten stellen omtrent de gezondheid van patiënte en nagelaten heeft klager of patiënte zelf te woord te staan om zich een goed beeld te kunnen vormen van de klachten en gezondheidssituatie van patiënte op dat moment;
- de arts tijdens het tweede telefoongesprek om 00.38 uur, in paniek heeft gehandeld toen hij hoorde dat patiënte niet meer ademde, klager toen niet heeft gerustgesteld en aan deze geen reanimatieadviezen heeft gegeven.
4. Het standpunt van de arts
De arts heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Met betrekking tot het eerste klachtonderdeel overweegt het College als volgt.
Uit de stukken, waaronder de transcriptie van het telefoongesprek tussen klager en de assistente van de huisartsenpost om 00.23 uur, het verweer van de arts en het verhandelde ter zitting kan worden opgemaakt dat de arts tijdens dat gesprek de assistentenruimte toevallig passeerde en door de assistente bij het telefonisch medisch consult van klager betrokken werd. De assistente legde de arts de situatie van patiënte uit en wees hem op het verslag van het eerdere huisbezoek door de dienstdoende arts de ochtend ervoor, zichtbaar op het computerscherm van de assistente. De assistente deelde de arts voorts mede dat de benauwdheid van patiënte sinds dat bezoek ondanks de medicatie verslechterd was, maar dat de patiënte haar kort tevoren nog te woord had kunnen staan. De arts informeerde tijdens het gesprek tussen klager en assistente naar het gebruik van de inmiddels voorgeschreven medicatie en vroeg wanneer patiënte voor het laatst een salbutamol-inhalatie (Ventolin) toegediend had gekregen. Uit het antwoord van klager bleek dat de laatste inhalatie 3 uur ervoor was geweest.
De assistente heeft na ruggespraak met de arts klager geadviseerd patiënte een nieuwe salbutamol-inhalatie toe te dienen en terug te bellen indien de situatie niet zou verbeteren. Tevens is door de assistente – na aandringen van klager – een visite van de arts toegezegd.
In zijn verweer heeft de arts gewezen op het feit dat de assistente een speciaal geschoolde doktersassistente was die opgeleid was om situaties telefonisch te beoordelen en triage te plegen. De arts, die op dat moment als enige arts aanwezig was op de huisartsenpost aangezien zijn collega visite aan het rijden was, was bezig met het behandelen van een patiëntje. Op grond van de aan hem door de assistente verstrekte informatie – met name het feit dat patiënte de assistente te woord kon staan hetgeen een aanwijzing vormde voor een mate van benauwdheid die niet alarmerend was en het feit dat patiënte 3 uur ervoor voor het laatst Ventolin had gebruikt – meende de arts over voldoende informatie te beschikken om het advies zoals gegeven te kunnen verstrekken.
Het College is van oordeel dat in de gegeven omstandigheid - een nachtdienst van de huisartsenpost waarbij slechts één arts aanwezig was die naast het behandelen van patiënten ook de assistentes bij telefonische consulten moest bijstaan – de arts zich bij zijn beoordeling mocht baseren op de informatie die de assistente omtrent de patiënte verstrekte. Het is niet uitgesloten dat de assistente de gezondheidstoestand van patiënte tijdens het gesprek met klager om 00.23 uur zelf verkeerd heeft ingeschat. Gelet echter op de concrete gegevens die door de assistente aan de arts omtrent de situatie van patiënte zijn verstrekt en de nadere gegevens die de arts tijdens het telefoongesprek via assistente van klager heeft opgevraagd, kan de arts van deze mogelijk foute taxatie geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Op dat moment behoefde hij er niet aan te twijfelen dat hij volledig was geïnformeerd, en behoefde hij voor de beoordeling geen nader onderzoek in te stellen door klager zelf te woord te staan. Het eerste klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
5.2 Met het tweede klachtonderdeel richt klager zich tegen de handelwijze van de arts tijdens het gesprek van klager met de huisartsenpost om 00.38 uur. Tijdens dat gesprek is volgens klager de arts in paniek geraakt, heeft hij onvoldoende vragen gesteld, alleen “ok” gezegd en de telefoon aan de assistente weer terug gegeven zonder klager rustig en duidelijk reanimatieaanwijzingen te geven of deze te kalmeren. De arts ontkent dat bij hem sprake was van paniek en stelt zich op het standpunt dat hij gegeven de situatie – volgens de informatie van klager ademde patiënte niet meer – het belangrijk vond om met alle mogelijke spoed naar patiënte toe te gaan. Dat hij daarbij slechts het woord “ok” heeft gebruikt is volgens de arts ongelukkig geweest. Vervolgens heeft de assistente aan klager aanwijzingen gegeven om met de reanimatie te beginnen. Deze aanwijzingen zijn doorgegaan tot het moment dat de arts ter plekke aanwezig was en de telefonische verbinding heeft verbroken en zelf de reanimatie heeft overgenomen.
Het College onderkent het benarde karakter van de situatie waarin klager zich bevond in de laatste momenten van het leven van patiënte en de daarbij horende gevoelens van paniek en onmacht. Het College ziet evenwel in de handelwijze van de arts tijdens en na het gesprek met klager geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de arts een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Dat de arts na het aanhoren van klager en gezien de ernst van de situatie besloten heeft om ook onmiddellijk naar patiënte toe te gaan en de reanimatieadviezen aan de assistente over te laten is niet onbegrijpelijk. Dat de communicatie hieromtrent beter had gekund laat het voorgaande onverlet. De assistente heeft in aansluiting op het korte gesprek met de arts de telefoon overgenomen en klager geprobeerd gerust te stellen en hem te begeleiden in de toe te passen reanimatiehandelingen.
Uit de bevindingen van het intern onderzoek verricht door een interne commissie van G in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg naar aanleiding van de gemelde calamiteit blijkt dat de reanimatieadviezen van de assistente niet optimaal zijn geweest. Het bevreemdt het College wel dat de assistente niet over een juiste werkinstructie inzake reanimatie beschikte en dat binnen de huisartsenpost geen duidelijke richtlijn voorhanden was die bepaalde hoe en door wie dient te worden gehandeld in een dergelijke levensbedreigende situatie.
Klager heeft ter zitting aangegeven dat hij zich door de huisartsenpost in de steek gelaten heeft gevoeld in de laatste dag en vooral uur van het leven van zijn partner. Hoewel het
College begrip heeft voor dit gevoel kan dat er niet toe leiden dat de arts in deze een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het tweede klachtonderdeel is eveneens ongegrond.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Gravenhage beslist als volgt:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven door: mr. J.S.W. Holtrop, voorzitter, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, lid-jurist, P.R.H Vermeulen, R.H.P. van Beest en Dr. F.E Ros, leden-artsen, bijgestaan door mr. C.G Versteeg, secretaris en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 augustus 2012.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voorzover de klacht is afgewezen, of voorzover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te
's-Gravenhage, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.