ECLI:NL:TGZRSGR:2012:YG2046 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2011-182

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2012:YG2046
Datum uitspraak: 22-05-2012
Datum publicatie: 22-05-2012
Zaaknummer(s): 2011-182
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klaagster verwijt de radioloog dat hij haar onjuist heeft voorgelicht over de bevindingen van het onderzoek en heeft nagelaten om haar terug te verwijzen naar de huisarts. Klaagster verwijt de arts voorts dat hij haar niet heeft meegedeeld meteen terug te komen wanneer de klachten zich zouden verergeren. Klacht ongegrond.

Datum uitspraak: 22 mei 2012

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Gravenhage heeft de navolgende uitspraak gedaan inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klaagster,

tegen

, radioloog,

wonende te D,

de persoon over wie geklaagd wordt,

hierna als de arts aan te duiden.

1.Het proces-verloop

Klaagster heeft een klacht tegen de arts ingediend die op 6 september 2011 door het College is ontvangen. De arts heeft een verweerschrift ingediend waarna partijen hebben gerepliceerd respectievelijk gedupliceerd. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het recht om in het vooronderzoek te worden gehoord. De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaats gehad op 27 maart 2012. Klaagster en de arts zijn daarbij verschenen. Klaagster werd bijgestaan door mr J. Boetje, advocaat te Rotterdam.

2.De feiten

Klaagster is op 23 januari 2009 door haar huisarts voor een mammografie verwezen. De huisarts maakte bij de verwijzing de volgende aantekening: “Patiënte voelt zelf een verdikking in de li borst direct achter de tepel” en “O/ géén afgrensbare tumor wel verdikt klierweefsel palpabel, is ook wat gevoelig”. Op 28 januari 2009 heeft klaagster de arts bezocht. Deze heeft een mammografie en een echografie gemaakt. Hij heeft klaagster vervolgens medegedeeld dat beide onderzoeken niets bijzonders lieten zien. Omdat de klachten van klaagster aanhielden, heeft zij op 15 april 2009 opnieuw de huisarts bezocht die

haar direct doorstuurde naar een radioloog. Deze heeft ook een mammografie en een echografie gemaakt. Na verder onderzoek is klaagster medegedeeld dat zij borstkanker had. In de maand daarop is met chemotherapie begonnen. Nadien is de linkerborst operatief verwijderd.

3.De klacht

De klacht bestaat uit drie onderdelen. Ten eerste houdt deze in dat de arts klaagster onjuist heeft voorgelicht over de bevindingen van het onderzoek. Voorts wordt de arts verweten dat hij klaagster niet naar haar huisarts heeft verwezen. Tenslotte maakt klaagster de arts het verwijt dat hij haar niet heeft medegedeeld dat zij meteen terug moest komen in geval van groei van de knobbel.

4.Het standpunt van de arts

De arts heeft de stellingen van klaagster weersproken. Het College zal hierop bij de beoordeling van de klacht in gaan.

5.De beoordeling

Alvorens op de specifieke onderdelen van de klacht in te gaan, tekent het College aan dat in

Januari 2009 sprake was van een verzoek van de huisarts van klaagster aan de arts om

klaagster te onderzoeken. De gebruikelijke gang van zaken is dan dat de patiënt na het

onderzoek opnieuw contact met de huisarts op neemt teneinde te vernemen wat het onderzoek

heeft opgeleverd en of en zo ja, welke maatregelen daar aan verbonden moeten worden.

Het eerste onderdeel van de klacht is ongegrond. Het College kan op grond van de gegevens

waarover het beschikt, niet met voldoende zekerheid vaststellen dat de arts klaagster ten

onrechte heeft medegedeeld dat het onderzoek geen bijzonderheden had opgeleverd. In

hoeverre de arts bij deze mededeling wellicht minder stellig had kunnen zijn, omdat het

tenslotte maar om een enkele opname ging, kan het College niet beoordelen. De standpunten

van partijen lopen hierbij uiteen en het College beschikt niet over aanwijzingen op grond

waarvan het het standpunt van één van hen voor juist en het andere voor onjuist zou moeten

houden.

Hetzelfde moet worden gezegd waar het het tweede onderdeel van de klacht betreft. Klaagster

stelt dat de arts haar niet naar de huisarts heeft verwezen. De arts heeft dit ontkend. Zoals

hierboven al aangegeven is het gebruikelijk dat een patiënt in een geval als waarvan thans

sprake is, na het onderzoek contact met de huisarts opneemt. Een arts die dergelijk onderzoek

heeft gedaan, behoort naar het oordeel van het College na te gaan of de patiënt er van op de

hoogte is dat hij zich opnieuw tot zijn huisarts moet wenden. Dat de arts zich hier niet van

bewust is geweest en klaagster niet op deze gebruikelijke gang van zaken heeft gewezen, is

echter niet komen vast te staan.

Het derde onderdeel van de klacht houdt in dat de arts klaagster er op had moeten wijzen terug

te komen ingeval van groei van de knobbel. Klaagster verwijst in dit verband naar blz. 46 van

de richtlijn mammacarcinoom van 2008. Op de bedoelde bladzijde is onder andere vermeld dat

een valkuil bestaat bij een palpabele maar niet erg verontrustende afwijking. Er bestaat dan een

risico dat de follow-up niet goed genoeg geregeld is. Het is in die situatie wenselijk dat een

afspraak wordt gemaakt om na drie maanden terug te komen. Het maken van deze afspraak is

een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de patiënte en de arts. De arts moet de patiënte op

dit punt expliciete instrueren. Aldus nog steeds de betreffende tekst van de richtlijn. De

richtlijn gaat dan verder met aanbevelingen aan de huisarts. Tenslotte moet nog vermeld

worden dat de tekst die het College zojuist heeft weergegeven opgenomen is in hoofdstuk 2

van de richtlijn waarin klinische aspecten en verwijscriteria van de huisarts naar de tweede lijn

zijn opgenomen.

Het College kan uit een en ander niet anders concluderen dan dat de richtlijn de

verantwoordelijkheid waar het klachtonderdeel op ziet, niet bij de arts heeft gelegd maar bij

de huisarts. Dit is ook niet verrassend omdat de primaire zorg voor de patiënt na het onderzoek

weer bij deze laatste ligt. Het College voegt hier volledigheidshalve nog het volgende aan toe.

Wanneer de norm van de richtlijn voor de arts als geldend zou moeten worden aangehouden,

zou deze klaagster hebben moeten mededelen over drie maanden terug te komen. Klaagster is

kennelijk uit eigen initiatief binnen drie maanden weer naar haar huisarts toe gegaan en deze

heeft haar vervolgens opnieuw verwezen. Er kan dan niet worden gezegd dat klaagster in een

slechtere positie is terecht gekomen dan het geval zou zijn geweest wanneer de bedoelde

mededeling wel was gedaan.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de klacht ongegrond is en daarom moet worden

afgewezen.

6.De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Gravenhage:

wijst de klacht af.

Deze beslissing is genomen door: mr P.A. Offers, voorzitter, mr C.C. Dedel – van Walbeek,

lid-jurist, prof. dr J.T. van Dissel, prof. dr J.H. van Bockel en dr G.A. Hoffland, leden-artsen,

bijgestaan door mr V.J. Schelfhout – van Deventer als secretaris, en uitgesproken ter openbare

terechtzitting van 22 mei 2012.

voorzitter secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a. klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te

's-Gravenhage, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.