ECLI:NL:TGZRSGR:2012:YG2045 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2011-050
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2012:YG2045 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-05-2012 |
| Datum publicatie: | 22-05-2012 |
| Zaaknummer(s): | 2011-050 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster verwijt de uroloog dat hij tijdens de kijkoperatie niet zorgvuldig heeft gehandeld met zeer nadelige gevolgen voor klaagster voor de rest van haar leven. Ook de voorbereiding is niet zorgvuldig geweest. Klacht ongegrond. |
Datum uitspraak: 22 mei 2012
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te 's-Gravenhage heeft de navolgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen:
C, uroloog,
wonende te B
de persoon over wie wordt geklaagd,
hierna te noemen de arts.
1. Het verloop van het geding
Het klaagschrift is ontvangen op 22 maart 2011. Namens de arts heeft mr. L. Fedder, verbonden aan de stichting VvAA rechtsbijstand, een verweerschrift ingediend, waarna repliek en dupliek hebben plaatsgevonden. Partijen zijn op 11 oktober 2011 in het kader van het vooronderzoek gehoord. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare zitting van 27 maart 2012. Partijen zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De arts werd bijgestaan door mr. Fedder.
2. De feiten
Klaagster heeft in 2005 een hartinfarct gehad en gebruikt sindsdien antistolling middelen. Zij was bekend met COPD. Op 25 januari 2011 is bij klaagster een kwaadaardige tumor vastgesteld in de linkernier, alsmede bloedarmoede. De internist heeft klaagster met spoed verwezen naar de afdeling urologie van het D.
Op 28 januari 2011 is klaagster gezien door een uroloog en is haar gezegd dat waarschijnlijk een kijkoperatie zou worden verricht om de nier te verwijderen. Op 2 februari 2011
is een CT-scan van de longen gemaakt. Op 4 februari 2011 heeft een collega uroloog de uitslag van de CT-scan met klaagster besproken (geen aanwijzing voor longmetastasen) en met haar gesproken over de aanstaande nieroperatie. Op 9 februari 2011 heeft klaagster een bloedtransfusie gekregen. Op 16 februari 2011 is klaagster nogmaals op de polikliniek gezien ter controle van haar bloedarmoede. De antistolling is met het oog op de operatie gestaakt, met uitzondering van het middel Ascal. Op 23 februari 2011 is klaagster opgenomen in het D aan de E. Op 24 februari 2011 is de kijkoperatie uitgevoerd door de arts en de arts assistent F.
De operatie is op video vastgelegd. Direct na de operatie is klaagster opgenomen op de Post Anaesthesia Care Unit. De arts heeft klaagster daar twee maal bezocht en heeft haar verteld dat de operatie goed was verlopen. In de ochtend van 25 februari 2011 is klaagster overgeplaatst naar de afdeling urologie. In de loop van de avond ging zij zich steeds slechter voelen met steeds meer pijn. Omdat haar bloeddruk veel te laag bleek, werd een CT-scan gemaakt. Daarop was een bloeding te zien. Bij de daarop volgende spoedoperatie in de ochtend van 26 februari 2011 bleek sprake van een miltbloeding. De milt is daarom verwijderd. De arts is na 24 februari 2011 niet meer bij de behandeling van klaagster betrokken geweest.
3. De klacht
1. Klaagster meent dat de bloeding van de milt is veroorzaakt door de kijkoperatie waarbij de nier is verwijderd. Het lijkt haar zeer waarschijnlijk dat de milt bij de kijkoperatie is geraakt. Zij verwijt de arts dat hij deze operatie niet zorgvuldig heeft uitgevoerd en te veel aan de assistent heeft overgelaten.
2. Klaagster meent daarnaast dat de voorbereiding onzorgvuldig is geweest. Zij heeft de arts voor de operatie niet gezien. De arts assistent die de operatie mee heeft uitgevoerd is niet dezelfde als degene, die zij de dag tevoren heeft gesproken en die zich toen als operateur voorstelde. Het risico van een bloeding is tevoren niet met haar besproken.
Het verwijderen van de milt heeft haar leven nadelig beïnvloed, omdat zij nu niet meer kan reizen zonder grote risico’s te lopen.
4. Het standpunt van de arts
Ad 1. De arts weerspreekt dat de milt bij de kijkoperatie is geraakt. Gedurende de operatie was geen sprake van een scheurtje of van een bloeding. De milt vertoonde twee donkere plekjes, maar die trokken tijdens de operatie deels bij. Het meest kritische deel van de operatie, het vrij prepareren en doornemen van de vaten, heeft hij zelf gedaan.
De ochtend na de operatie was het bloedgehalte hetzelfde als voor de operatie. Dit geeft aan dat er tijdens en direct na de operatie geen sprake is geweest van een bloeding. De arts kan het ontstaan van de bloeding, meer dan 24 uur na de operatie, niet verklaren. Mogelijk speelde hier de combinatie van een hoestbui van klaagster en de antistolling, die zij nog kreeg.
Ad 2. Voorafgaand aan de operatie heeft klaagster volgens de normale gedragsregels informatie gekregen van de collega urologen en de arts assistent. De mogelijke complicaties, waaronder die van een bloeding, zijn met haar besproken. De arts heeft met patiënte kennis gemaakt bij de voorbereiding van de operatie. Klaagster werd geopereerd in het ziekenhuis aan de E. De arts is doorgaans werkzaam in het D aan de G. Dat is de oorzaak dat hij –anders dan zijn gewoonte is- patiënte de dag voor de operatie niet zelf heeft gezien en het voorbereidend gesprek heeft overgelaten aan de arts assistent F, die bij de operatie zou assisteren en op 23 februari wel in het ziekenhuis aan de E aanwezig was.
5. De beoordeling
5.1. De kijkoperatie, die de arts samen met de arts assistent F heeft uitgevoerd, is nauwkeurig beschreven in het operatieverslag en goed gedocumenteerd door de video opname. Het gaat om een ingrijpende operatie, waarbij onder meer een groot aantal vaten met een clip moet worden afgesloten en dichtgebrand om de nier te kunnen verwijderen. Het College is van oordeel dat de operatie door en onder verantwoordelijkheid van de arts deskundig en zorgvuldig is uitgevoerd.
De donkere plekjes op de milt duiden op een bestaande circulatiestoornis en niet op een (komende) bloeding. De milt was bij het einde van de operatie droog. Ook het feit dat het bloedgehalte voor en na de operatie gelijk was duidt er op dat de bloeding niet bij de kijkoperatie is ontstaan. De bloeding van de milt is meer dan 24 uur na de operatie opgetreden en kan verschillende oorzaken hebben. Wat de oorzaak is kan niet meer worden vastgesteld. Er is echter geen grond om te oordelen dat de arts van het ontstaan van de bloeding een verwijt moet worden gemaakt. Dit klachtonderdeel is dan ook niet gegrond.
5.2. In het poliklinisch verslag is vermeld dat de uroloog op 4 februari 2011 de mogelijke complicaties van de nieroperatie met klaagster heeft besproken, waaronder die van een bloeding. Hetzelfde verslag vermeldt dat op 16 februari 2011 de procedure en de complicaties nogmaals zijn uitgelegd. Dat de arts klaagster pas bij op de dag van de operatie zelf heeft gezien is te wijten aan de omstandigheden en niet als verwijtbaar te beschouwen. Bij klaagster is kennelijk een misverstand ontstaan over de naam van de arts assistent die zij op 23 februari 2011 heeft gesproken. Hoe dit ook zij, er is geen reden de voorbereiding van de operatie onzorgvuldig te noemen. Ook dit deel van de klacht treft geen doel.
Het College begrijpt dat het verlies van een nier en de milt voor klaagster belastend is. Van verwijtbaar medisch handelen is echter geen sprake.
5.3. Het voorgaande betekent dat de klacht als ongegrond moet worden afgewezen.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Gravenhage:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven door: mr. P.A. Offers, voorzitter, mr. C.C. Dedel-van Walbeek, lid-jurist, prof. dr. J.T. van Dissel, prof. dr. J.H. van Bockel en dr. G.A. Hoffland, leden-artsen, bijgestaan door mr. V.J. Schelfhout-van Deventer, secretaris, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2012.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voorzover de klacht is afgewezen, of voorzover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te
's-Gravenhage, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.